Skip to content
Beeld
Vaste schermresolutie Vloeiende schermresolutie Groter lettertype Kleiner lettertype Standaard grootte lettertype


Vragen & antwoorden betreffende de defederalisering van ontwikkelingssamenwerking

Aangebracht door 11.11.11 op wo 09 jan 2008
1. Waarom is 11.11.11 tegen een defederalisering van ontwikkelingssamenwerking?
  • Een defederalisering van ontwikkelingssamenwerking is niet geïnspireerd door de belangen van het Zuiden, die in dat geval met nog meer donoren te maken krijgen. Noch het zuiden, noch multilaterale organisaties, NGO’s en universiteiten zien een vooruitgang in defederalisering. Dat bleek ook uit een studie van IBM Business Consulting Services, uitgevoerd op vraag van DGOS (80% van de bevraagden was van oordeel dat de federale overheid best geplaatst is om invulling te geven aan de internationale richtlijnen inzake ontwikkelingssamenwerking, 87% vindt een verdeling van de materie niet wenselijk). Ook het ontwikkelingscomité van de OESO sprak zich in haar voorbije evalaties van de Belgische ontwikkelingssamenwerking telkens uit tegen defederalisering.
  • Het defederaliseren van ontwikkelingssamenwerking kan hoe dan ook enkel leiden tot meer versnippering. In het slechtste geval zullen zes deelgebieden dan bevoegd zijn voor ontwikkelingssamenwerking (België, Vlaamse overheid, Franse Gemeenschap, Waals Gewest, Duitstalige Gemeenschap, Brussels Gewest). Het budget opsplitsen om te evolueren naar een veelheid van nog kleinere donoren met elk hun eigen agenda zal de coherentie niet ten goede komen. Momenteel is enige coördinatie tussen het federale niveau en de regionale overheden nog haalbaar, omdat de werking van die laatste zich beperkt tot een aantal afgebakende acties. Bij een verregaande defederalisering wordt dit zo goed als onmogelijk.
  • Een splitsing van ontwikkelingssamenwerking betekent ook dat de Belgische vertegenwoordiging in internationale fora zoals bijvoorbeeld IMF en Wereldbank en de Europese Unie herzien moet worden. De Belgische vertegenwoordiger zal gereduceerd worden tot een woordvoerder van de verschillende gewesten en gemeenschappen, die een versnipperde agenda met uiteenlopende standpunten en prioriteiten moet gaan verdedigen. Op andere beleidsdomeinen is gebleken dat dit leidt tot het creëren van bijkomende structuren en dubbel werk en vaak een moeilijke doorstroom van informatie tussen de verschillende niveaus. Bij onenigheid moet België zich onthouden, wat de Belgische geloofwaardigheid ondergraaft.
  • 11.11.11 verdedigt steeds de eigen identiteit van ontwikkelingssamenwerking, maar miskent daarmee niet de raakpunten die ontwikkelingssamenwerking en Buitenlands Beleid hoe dan ook hebben. Denk maar aan Centraal-Afrika waar diplomatie (Buitenlandse Zaken) en Ontwikkelingssamenwerking moeten samengaan en elkaar moeten versterken. Ook federale departementen zoals Financiën beheren een belangrijk aandeel van de ontwikkelingsgelden (zoals schuldverlichting). Een constructie waarbij de besteding van de middelen en de beleidsoriëntaties voor ontwikkelingssamenwerking op gescheiden niveaus plaatsvindt kan onmogelijk bijdragen tot een grotere coherentie.
  • Ontwikkelingssamenwerking vereist een specifieke expertise. Het feit dat Vlaanderen expertise bezit op haar binnenlandse bevoegdheden zoals onderwijs en cultuur, betekent niet dat die expertise ook bruikbaar is voor de ontwikkelingslanden. Dat is een paternalistische houding die ons opnieuw naar het tijdperk van de witte olifanten zal leiden.
  • Een eventuele defederalidering van ontwikkelingssamenwerking gaat in tegen de evoluties in het denken over kwaliteitsvolle ontwikkelingssamenwerking, zoals o.a. opgenomen in de Verklaring van Parijs die in 2005 werd onderschreven door zowel donoren als ontvangende landen. Daarbij zijn o.a. harmonisering, afstemming en een grotere concentratie van de hulpinspanning cruciale principes.
2.Waarom wil men het ontwikkelingsbeleid defederaliseren?
De voorstanders van de defederalisering van ontwikkelingssamenwerking nemen niet de belangen van het Zuiden als leidraad, maar laten zich hoodfzakelijk leiden door de Belgo-Belgische situatie. De motivering hierachter is een politieke motivering die staat voor grotere bevoegdheidspaketten voor Vlaanderen. Op die manier wordt Vlaanderen versterkt ten aanzien van het federale beleidsniveau. 11.11.11 is niet tegen een versterking van Vlaanderen op die vlakken waar Vlaanderen ook effectief een meerwaarde kan bieden. Maar inzake het ontwikkelingsbeleid gelooft 11.11.11 niet dat een ontmanteling van dit beleidsdomein op federaal niveau de belangen van het Zuiden zal dienen.

3. Wat betekent een “defederalisering van Ontwikkelingssamenwerking”?
Een defederalisering van Ontwikkelingssamenwerking is de overheveling van bevoegdheden naar de deelregeringen wat het ontwikkelingsbeleid betreft. Dit betekent dat de deelregeringen autonoom een eigen beleid kunnen bepalen betreffende de bevoegdheden die hen toegekend zijn. Deze overheveling van bevoegdheden kan op verschillende manieren gebeuren:
  • Een overheveling van exclusieve bevoegdheden: De deelregeringen worden exclusief bevoegd voor de overgehevelde materies, zonder hierbij rekening te moeten afleggen aan de federale regering. Bij een volledige overheveling zou dit betekenen dat de deelregeringen zelf bevoegd zijn voor de samenwerking met partnerlanden, de educatie naar de eigen bevolking toe, de subsidiëring van NGO’s, etc.
  • Een systeem van parallelle bevoegdheden: Alle regeringen, zowel federaal als deelstatelijk, kunnen een eigen ontwikkelingsbeleid voeren, naast elkaar.
  • Een systeem van complementaire bevoegdheden: De federale overheid bepaald het kader, waarbinnen de deelregeringen met betrekking tot hun materiële bevoegdheden een bijdrage kunnen leveren aan het federale ontwikkelingsbeleid. Met andere woorden: de Deelstatelijke regeringen kunnen een beleid voeren, maar dit moet complementair zijn aan het federale ontwikkelingsbeleid.
Dit zijn slechts enkele van de mogelijke scenario’s. Zo zijn er onder andere vele mogelijkheden door het combineren van de verschillende scenario’s. In het Vlaamse Regeerakkoord 2004-2009 opteert men voor het eerste scenario.

4. Wat is de (wettelijke) basis van de defederalisering?
In 1993 krijgen de deelstaten uitdrukkelijk de bevoegdheid om internationale verdragen af te sluiten betreffende hun bevoegdheidsdomeinen. Dit wordt in de Grondwet opgenomen (Art. 167.3). Door de relaties met Zuid-Afrika en Chili krijgt het buitenlands beleid van de Vlaamse overheid meer en meer een ontwikkelingsdimensie. Eind jaren negentig gaan de beleidsnota’s van de Vlaamse ministers bevoegd voor Buitenlands Beleid en later Ontwikkelingssamenwerking steeds meer uit van de overheveling van ontwikkelingssamenwerking naar deelstatelijk niveau (Van den Brande 1997, Anciaux 2000, …). In 1998 concludeert het Vlaams Parlement dat ontwikkelingssamenwerking vooral betrekking heeft op de bevoegdheden van deelstaten en dat de overeenstemmende middelen naar de deelstaten moeten gaan. Een belangrijke stap wordt gezet in 1999, wanneer Ontwikkelingssamenwerking met Bert Anciaux voor het eerst een eigen Minister krijgt. In 2001 wordt het Lambertmont Akkoord door de verschillende partijen goedgekeurd. Uit dit akkoord vloeit de Bijzondere Wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen voort. Deze wet (Art. 6ter) bepaalt dat bepaalde aspecten van de ontwikkelingssamenwerking vanaf 1 januari 2004 worden overgeheveld naar de gemeenschappen en de gewesten, in zoverre ze betrekking hebben op een van hun materiële bevoegdheden. De Bijzondere Wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bepaalt dat de nodige middelen voor de overdracht van deze bevoegdheden moeten overgeheveld worden (Art. 68quater). Een bijzondere werkgroep is opgericht om dit verder uit te werken, maar deze werkgroep heeft echter niets opgeleverd. In 2001 kreeg Ontwikkelingssamenwerking ook een eigen begroting.
De voorstanders van een defederalisering van ontwikkelingssamenwerking stellen dat ze enkel de wettelijke bepalingen uitvoeren.

5. Van welke overheid is ontwikkelingssamenwerking momenteel een bevoegdheid?
Ontwikkelingssamenwerking is momenteel een exclusieve bevoegdheid van de federale overheid, maar de gewesten hebben het initiatief genomen om ook aan ontwikkelingssamenwerking te doen, zoals ook veel gemeenten en provincies een eigen beleid ontwikkelingssamenwerking voeren.

In België is er geen hiërarchie tussen de federale en deelstatelijke overheden. Vlaanderen heeft haar ontwikkelingsbeleid uitgewerkt op basis van de wettelijke bepaling die stelt dat Vlaanderen de bevoegdheid heeft om internationale verdragen af te sluiten betreffende hun bevoegdheidsdomeinen. Wat de beleidsvoering betreft, is Vlaanderen niet ondergeschikt aan het federale beleid. Jammer genoeg ontbreekt vrijwel elk overleg of coördinatie met het federale niveau.

6. Hoe ziet 11.11.11 de toekomst van het Belgische Ontwikkelingsbeleid?
De discussie over de defederalisering mag niet leiden tot een ontmanteling van het federale niveau, maar moet uitmonden in een grotere betrokkenheid van gemeenschappen en gewesten bij de federale ontwikkelingssamenwerking.

Aandachtspunten:
  • De belangen van het Zuiden moeten vooropstaan bij de verdere uitwerking van het Belgisch ontwikkelingsbeleid.
  • Er moet gestreefd worden naar een zo coherent mogelijk ontwikkelingsbeleid. Hiervoor is een goede samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus vereist. Er moeten aldus voldoende overleg- en coördinatieorganen voorzien worden.
  • Er mogen geen overhaaste beslissingen genomen worden; overleg met alle betrokken actoren is een noodzaak.

Laatste aanpassing op vr 06 mrt 2009
Artikel 15689 keer gelezen
Share/Bookmark


Disclaimer | RSS | Bescherming van de persoonsgegevens
Logo Combell