Wie krijgt wat van u ...
Wie zegt dat Eerlijk ...
Woningplan Haïti sl ...
WTO ministerconferen ...
In december vorig jaar werd in Genève op de 8ste ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) onderhandeld over een verdere liberalisering van de wereldhandel. Tien jaar na hun lancering in Doha (Qatar) zaten die onderhandelingen muurvast. Er was geen akkoord over de belangrijkste dossiers noch over een manier om uit de impasse te geraken. Marc Maes, handelsexpert van 11.11.11 woonde de vergadering bij. Lees hieronder een korte balans. Een uitgebreide bespreking van de 'resultaten' van de 8ste ministerconferentie vind je hier.
In 2001 lanceerde de WTO in Doha (Qatar) een ambitieuze onderhandelingsronde voor de liberalisering van de wereldhandel. Om de ontwikkelingslanden aan boord te krijgen werd hen beloofd dat ontwikkeling een centrale doelstelling zou zijn van de onderhandelingen.Spijtig genoeg bleek al gauw dat de industrielanden in de 'Doha Ontwikkelingsronde' zeer vergaande liberaliseringen eisten van de ontwikkelingslanden, vooral dan van de zgn groeilanden (China, Brazilië, India, Rusland). Daardoor geraakten de onderhandelingen snel in het slop. Ook een alternatief plan om op zijn minst een pakket met maatregelen aan te nemen ten voordele van de minst-ontwikkelde landen mislukte. (zie: Voorbeschouwingen bij de 8ste WTO conferentie).
De vraag die ook steeds meer wordt gesteld is of de WTO niet meer aandacht moet hebben voor een aantal uitdagingen die de laatste jaren zijn opgedoken: de voedselcrisis en het vraagstuk van de voedselzekerheid; de uitdagingen van de klimaatverandering; de rol van de wisselkoersen. Hoewel deze vraag aan bod kwam tijdens de plenaire speeches en de werkgroepvergaderingen was er rond geen enkel thema een consensus, zeker niet over de manier waarop ze zouden moeten aangepakt worden.
Deze vraag is nochtans zeer pertinent. Maar maatregelen om de markt te reguleren met oog op voedselzekerheid, tewerkstelling, milieubescherming of financiële stabiliteit wordt binnende WTO als verderfelijk afgedaan. Liberalisering wordt voortdurend naar voren geschoven als dé oplossing voor alle problemen: meer vrijhandel zal mensen toegang geven tot voedsel, meer vrijhandel biedt toegang tot milieuvriendelijke producten en diensten, of tot producten die de gevolgen van de klimaatverandering kunnen aanpakken.
Door deze eenzijdige opstelling is er zeker bij de civiele maatschappij ook een grote terughoudendheid om dit soort thema's aan de WTO toe te vertrouwen: ze zullen toch enkel aangegrepen worden om verdere liberaliseringen door te voeren, terwijl er juist meer regulering nodig is. Het ziet er dus naar uit dat de WTO niets te bieden heeft voor de oplossing van de huidige voedsel-, klimaat- en financiële crises.
Maar de WTO is niet de enige plaats waar industrielanden en opkomende ontwikkelingslanden botsen, en waar de geïndustrialiseerde landen grote inspanningen eisen van de groeilanden. Constante daarbij is dat een grote groep middeninkomenslanden gemakkelijkshalve op één hoop gegooid wordt met de snelgroeiende exportlanden zoals China, India en Brazilië. Tegelijk wordt voorbijgegaan aan het feit dat zelfs deze drie nog (zeer) arme landen zijn die inderdaad nog veel ontwikkelingsachterstand in te halen hebben.
Zo blijft ook de EU binnen de EPA-onderhandelingen vergaande liberaliseringen eisen van arme Afrikaanse landen. En daarbij bekommert de EU zich niet om het evenwicht tussen 'lasten en lusten'. Zo heeft de Europese Commissie dit jaar een grote groep middeninkomenslanden uit het preferentiële handelsstelsel (GSP) gezet en heeft ze beslist om hen in de toekomst ook geen ontwikkelingshulp meer te geven. Zo geeft ook de EU ondanks ronkende verklaringen alsmaar minder gewicht aan ontwikkelingsdoelen en alsmaar meer aan de eigen economische belangen.
Marc Maes
Beleidsmedewerker Handelsbeleid van 11.11.11