Wanneer roept Belgi ...
WANTED: Sinterklazen ...
Wat bedoelt men met ...
Wat betekent NGO?
Het bonte gezelschap van niet–gouvernementele organisaties
De term “niet–gouvernementele organisatie” (ngo) slaat op een organisatie die haar eigen acties kan opstellen en uitwerken zonder directe overheidsinmenging. Doordat ngo’s los van directe overheidsinmenging werken, is het vaak gemakkelijker om internationaal contacten te leggen en aan hulpverlening te doen, ook in landen waarmee op politiek niveau geen of slechte contacten bestaan. De term is in de jaren zestig ontstaan en wordt niet enkel gebruikt voor organisaties die zich bezighouden met ontwikkelingshulp. Ngo’s kunnen bijvoorbeeld ook werken in sectoren zoals milieu of mensenrechten, denk maar aan Greenpeace, Amnesty International, GAIA of het Vlaams Kankerfonds. In de meest enge zin is het begrip “ngo” beperkt tot een organisatie die door de overheid erkend is en – het klinkt contradictorisch – medefinanciering ontvangt voor haar werking.
Het is echter geen gedeponeerd merk en in principe kan iedere niet–officiële organisatie, ook een bedrijf, zichzelf een ngo noemen. Toch wordt de term in praktijk enkel gebruikt voor non–profit organisaties, die geen financieel maar een maatschappelijk winstdoel nastreven. Een zestigtal Vlaamse ngo’s voor ontwikkelingssamenwerking zijn erkend om financiering van de Belgische overheid te ontvangen. Bekende voorbeelden zijn 11.11.11, Artsen Zonder Grenzen, Broederlijk Delen, Damiaanactie, Oxfam Solidariteit, Oxfam Wereldwinkels, Vredeseilanden en Wereldsolidariteit. Het geheel van ngo’s en andere maatschappelijke organisaties, van jeugdbewegingen over vakbonden tot mensenrechtenorganisaties, wordt ook het maatschappelijk middenveld of de civiele maatschappij genoemd. Een sterk uitgebouwd maatschappelijk middenveld is een kenmerk van een goed functionerende democratie.
Organisaties uit de civiele maatschappij kunnen zich niet op dezelfde manier verantwoorden als de politieke en de bedrijfswereld. Ze kunnen immers geen verkiezingsresultaten of omzetcijfers voorleggen. Het middenveld haalt zijn legitimiteit uit het publiek: ngo’s beschouwen zichzelf als het zichtbare deel van de publieke opinie. In heel wat ngo’s krijgen vrijwilligers een centrale rol en bepalen ze mee het beleid. Specifiek voor ngo’s die zich bezighouden met ontwikkelingssamenwerking, geldt dat zij niet opkomen voor hun eigen achterban maar voor mensen in het Zuiden. Hiervoor onderhouden ze een stevige relatie met partners in ontwikkelingslanden. Om zich te onderscheiden van andere organisaties uit het middenveld, hebben ngo’s voor ontwikkelingssamenwerking een aantal gemeenschappelijke ideeën geformuleerd. Ze delen de verontwaardiging over uitbuiting, uitsluiting en onrechtvaardigheid met groepen en mensen in Noord en Zuid. Ze engageren zich in de internationale solidariteit en streven naar verandering in de machtsverhoudingen. Ze leggen de nadruk op respect voor culturele eigenheid en volgen een participatieve benadering ten aanzien van de bevolkingsgroepen met wie ze werken.
Een panorama van meningen en thema's
Vlaamse organisaties die zich bezighouden met ontwikkelingssamenwerking zijn er in alle vormen en maten. Naast ngo’s in de enge zin bestaan er diverse andere kleine en grote verenigingen zoals solidariteitscomités, parochiegroepen, scholen, bedrijven, steuncomités voor Vlamingen in het buitenland, en ga zo maar door. Iedere ngo maakt een eigen analyse van de wereld en ontwikkelt zo een eigen visie en opdracht. In de loop der jaren zijn de visies van ngo’s geëvolueerd en verfijnd, al vertegenwoordigen ngo’s nog steeds een panorama van verschillende meningen. Ze hebben verschillende achtergronden en vertalen hun opdracht via verschillende strategieën in verschillende landen. Vlaamse ngo’s werken rond een grote verscheidenheid aan thema’s: landbouw, economie, justitie en mensenrechten, opleiding en onderwijs, vrouwen en gender, infrastructuur, gezondheid, democratisering en welzijn.De eerste ngo’s in het Noorden zijn ontstaan in de jaren zestig, vaak vanuit missie–organisaties en in een poging om de samenwerking met vroegere kolonies opnieuw op te nemen. De nadruk lag daarbij vooral op hulpverlening en technische bijstand. Naarmate in de komende jaren begrippen als “ontwikkeling” en “Derde Wereld” ingang vonden bij de brede publieke opinie, groeiden deze ngo’s uit tot initiatiefnemers van ontwikkelingsprojecten in het Zuiden. Via grote campagnes werd een beroep gedaan op de vrijgevigheid van de steeds grotere achterban van de ngo’s. Het idee achter de ngo–werking was eenvoudig: het rijke Noorden moest het onderontwikkelde Zuiden helpen.
In de geest van Mei ’68 kwam hiertegen een contestatiebeweging op gang: jongeren verwierpen het caritatieve karakter van de noordelijke ngo’s en begonnen nadruk te leggen op structurele problemen, politieke acties en bewustmakingswerk. Van dan af zouden ngo’s steeds meer aandacht hebben voor de ideeën en de inbreng van partnerorganisaties uit het Zuiden. Vanaf het midden van de jaren tachtig en in de jaren negentig werd ook deze aanpak in vraag gesteld door ngo’s die betwijfelden of politieke analyses wel veel zoden aan de dijk zouden brengen. Deze begonnen zich internationaal te vertakken en ze gingen op een meer pragmatische manier te werk, vaak rond noodhulp. Vanaf de jaren tachtig zijn ook ngo’s ontstaan die zich gingen toeleggen op een specifieke aanpak en thema’s. Enkele voorbeelden zijn Dierenartsen Zonder Grenzen, Platform Handicap en Ontwikkelingssamenwerking (PHOS) en de Balkanactie van de gemeenten.