Terug naar Doel
The Five Year Drive ...
Thema-avond: het Rus ...
Thuis is waar mijn s ...
VAKANTIEHERINNERINGEN
Thuis is waar mijn
schildpad hangt
De vakantie zit er alweer op, het echte leven wenkt. Al leert
ieder van ons wel wat over zichzelf en over dat leven tijdens de lange, lome
dagen van de zomer. Om het af te leren, publiceert MO* een vakantieverhaal van
de Amerikaans-Dominicaanse schrijver Junot Diaz, waarin hij het onzalige verhaal
vertelt van een migrant op zoek naar zijn verloren thuisland. Er breekt een en
ander, maar dat staat een happy end niet in de weg.
Die zomer! Elf jaar geleden, en ik herinner me nog elk detail. Ik en het vriendinnetje hadden beslist dat we onze vakantie zouden doorbrengen in Santo Domingo. Dat was een belangrijke mijlpaal voor mij, de grootste wellicht: het was de eerste keer dat ik naar "huis" ging in bijna twintig jaar. (De schuld van bepaalde "onregelmatigheden" in mijn papieren, van mijn armoedige financiën, van mezelf.) De uitstap zou verschillende doelen dienen. Hij zou mijn verbanning beëindigen -wat Salman Rushdie zo schitterend verwoordde als de droom van een triomfantelijke terugkeer. Hij zou mij opnieuw verbinden met die eilandwereld die ik bijna vergeten was, en dus de cirkel sluiten die geopend werd door de emigratie van mijn familie naar New Jersey, toen ik zes was; en hij zou mijn Spaans bijspijkeren. Een beetje zoals in de Tom Waits-song Step Right Up zou deze reis alles zijn en alles helen.
Waren mijn verwachtingen niet zo hoog gespannen, dan had het allemaal misschien beter kunnen lopen. Wie weet? Waar ik zeker van ben, is dat het ongeluk vroeg begon. Twee weken voor de vertrekdatum ontdekte mijn novia dat ik haar een paar maanden eerder bedrogen had. Blijkbaar had mijn ex-sucia via een gemeenschappelijke vriend gehoord over mijn reisplannen en besliste ze in een bui van weerwraak, jaloezie, gerechtigheid, wreedheid, transparantie (schrappen wat niet past) ons een vroeg bon-voyage geschenk te bezorgen: een "anonieme" brief aan mijn novia waarin mijn ontrouw tot in de meest ondraaglijke details onthuld werd (waar halen vrouwen die geheugens toch vandaan?). Ik zal hier de lío niet beschrijven waarin ik en de novia verwikkeld geraakten naar aanleiding van deze brief, noch de kruistocht die ik moest ondernemen om te voorkomen dat ze mij én de trip zou dumpen. Kortom, ik smeekte en beloofde en marchandeerde, en twee weken later landden we op het eiland Hispaniola. Wat herinner ik me daarvan? Dat wij elkaars hand vasthielden terwijl verder iedereen applaudisseerde, en dat de velden buiten La Capital brandden. Hoe voelde ik me? Moeilijk te zeggen, laat me het hierbij houden: als je het moment dat je hart breekt, versmelt met het moment waarop je verliefd wordt, en dat mengsel rechtstreeks in je hersenstam injecteert, dan krijg je een aanvoelen van wat het voor mij betekende terug "thuis" te zijn.
De eerste week liep niet slecht, voor zover het mij en de novia betrof. Een van die bizarre details die je niet zou kunnen verzinnen was dat we ons, voor ons vertrek uit de Verenigde Staten, als vrijwilligers hadden aangediend om een week lang een groep tandartsen te helpen die in de Dominicaanse Republiek op goede-doelen-missie waren. Wij zouden voor hen vertalen, hevels en tangen aanreiken en ons in het algemeen nuttig maken. Zelfs met alle wijsheid die de terugblik biedt, kan ik nog altijd niet bedenken waarom ik het ooit een goed idee vond om hier een thuiskomst mee te starten, maar gedane zaken nemen geen keer. Wij waren jong. Wij hadden idealen.
Onze groep van vijf tandartsen en vijf assistenten behandelden ruwweg
veertienhonderd kinderen uit enkele van de armste barrios van La Romana (en dat
is, ironisch genoeg, de suikerhoofdstad van de D.R.). Wij beoefenden niet het
soort tandheelkunde dat eerstewereldbewoners met een ziekteverzekering kennen.
Wij deden aan rechttoe-rechtaan derdewereldzorg. Geen tijd of materiaal voor
vullingen. Een tand met een gaatje werd verdoofd en getrokken, en dat was dat.
Meer kunnen we niet doen, legde onze chef uit. Die week leerde ik meer over
rotte kiezen, hevels en sondes dan een leek ooit te weten zou moeten komen. Van
onze groep kon alleen van mij en de novia gezegd worden dat we Spaans spraken.
We sorteerden en kalmeerden de kinderen, vertaalden voor iedereen, en toch
hadden we het rustig, vergeleken bij de tandartsen. Die kerels waren echte
beesten; ze werkten zo hard dat je zou denken dat ze in een wedstrijd verwikkeld
waren, maar bij de duizendste patiënt begonnen zelfs hun handen het te begeven.
Onze chef, een onvoorstelbaar barmhartige Chinees-Amerikaan met de voorarmen van
een honkballende shortstop, stootte op de laatste dag op een extractie die hij
niet gedaan kreeg. Hij probeerde alles om een koppige kies uit zijn sokkel te
trekken, maar hij moest er uiteindelijk een andere tandarts bij roepen. Samen
slaagden ze erin een lang, bloedig kromzwaard van een molaar uit de kaak van dat
kind te halen. Geen seconde gedurende de hele beproeving hoorde je de
twaalfjarige patiënt klagen. '¿Te duele?' vroegen we hem om de paar minuten,
maar hij bleef zijn hoofd heftig schudden, alsof de vraag hem verveelde.
'Tu
eres fuerte', zei ik, en wellicht was dat de eerste zin in die hele week die ik
correct vervoegd had.
'No', zei hij, zijn mooie hoofd schuddend, 'no
soy.'
Natuurlijk maakten we ruzie, de novia en ik -ik bedoel, de noden van el pueblo even terzijde, ik was tenslotte pas betrapt op het naaien van een ander meisje- maar dat liep niet uit de hand. Al was het maar omdat we te druk bezig waren met het wrikken aan tanden. Het was pas toen de missie volbracht was, de tandartsen hun spullen gepakt hadden en wij richting de rest van het eiland trokken, dat onze problemen echt begonnen.
Ik weet niet waar mijn gedachten waren. Reizen in de Derde Wereld is op zich al een uitdaging, laat staan als je het doet met een meisje dat pas goed begint te beseffen hoe diep ze gekwetst is en een jongen die zich zo veel zorgen maakt of hij nog wel "thuishoort" in zijn "thuisland" dat hij elk klein incident of elke interactie zift op zoek naar een teken van verwerping of aanvaarding, een jongen ook die zich zo veel zorgen maakt over zijn geschonden Spaans dat hij er nog meer een zooitje van maakt dan normaal. Er was niets waar ik meer naar verlangde dan herkend te worden als de lang verloren zoon die ik was, maar dat zat er niet in. Niet na bijna twintig jaar. Niemand geloofde dat ik een Dominicaan was. 'Jij?' zei een taxichauffeur ongelovig, waarop hij zich omdraaide en in een lach schoot. 'Dat is betwijfelbaar.' In plaats van met open armen verwelkomd te worden, werd ik voor alles de dubbele prijs aangerekend en noemden ze me een americano. Ik werd altijd op de verkeerde bussen gezet. Als ik geld kon verliezen, dan verloor ik het. Als er een bus te halen was, dan miste ik haar. En door een gril van het lot waren al mijn verwanten voor de zomervakantie in de States. Het enige familielid dat we uiteindelijk toch konden lokaliseren, een groottante, lag al sinds 1951 in ruzie met mijn moeder, omdat Mami toen per ongeluk haar enige vaas gebroken had. Mijn aankomst was de start van een nieuwe fase in dat eeuwenoude conflict: elke ochtend serveerde ze mij en de novia opgewekt boterhammen die compleet onder de vuurmieren zaten.
Nu we de tandartsen niet meer hadden om ons tegen te houden, gingen we helemaal de dieperik in. We vochten om alles: waar we zouden eten, welke stad we zouden bezoeken, hoe bepaalde woorden in het Spaans uitgesproken moesten worden. We vochten ons een weg doorheen het land: van La Capital naar San Cristóbal naar Santiago naar Puerto Plata en terug. Het was ellendig. Als een van ons niet wegstoof met de rugzak aan, dan was de andere wel bezig te liften op weg naar de luchthaven. Onze waanzin bereikte zijn hoogtepunt op een nacht in een hotel in Puerto Plata, toen de novia wakker werd en gilde: 'Er is iemand in de kamer!' Als die woorden nog nooit tot in je dromen geschreeuwd werden, dan mag je je gelukkig prijzen. Ik schoot wakker en daar stond hij -de indringer die we allemaal verwachten.
Het is op kruispunten als deze dat je echt wat leert over jezelf. Er was
iemand in de kamer bij ons en ik had tal van dingen kunnen doen. Ik had kunnen
verstijven, ik had om hulp kunnen roepen, ik had kunnen vluchten, maar ik deed
wat mijn militaire vader er bij ons had ingeheid tijdens zijn wekelijkse
spartaanse trainingen: ongeacht wat er voorvalt, altijd aanvallen! Dus viel ik
aan. Ik gooide mezelf brullend op de indringer.
Het was geen mens,
natuurlijk. De indringer was een zeeschildpadschelp die gepoetst en gepolijst
tegen de muur bevestigd was. Kwestie van de nationale eer hoog te houden, kan ik
wel melden dat ik eervol van de strijd ontslagen werd. Ik knalde mijn kop dwars
door de schelp, bonkte tegen de betonnen muur en botste terug op de vloer. En in
plaats van daar te blijven liggen, sprong ik hem opnieuw aan, en het was pas op
dat moment dat ik me realiseerde dat ik het decor aan het toetakelen was.
Dat was het einde. Enkele dagen later keerden we terug naar huis, verslagen, zij naar New Jersey, ik naar upstate New York. Er vond geen miraculeuze verzoening plaats. Gedurende een paar armzalige maanden sleepte de relatie zich voort naar haar onvermijdelijke conclusie, zoals het universum wacht op zijn uitdoving. Tot zij eindelijk, mij helemaal beu, een nieuwe man vond waarvan ze beweerde dat hij meer geld aan haar uitgaf dan ik. 'Jij bent zo goedkoop', verklaarde ze, ook al had ik een reislening genomen en al mijn spaargeld opgebruikt om onze uitstap te betalen. Ze brak mijn hart, dat meisje, maar dat was niet meer dan eerlijk, gezien ik het hare eerst gebroken had. Uiteindelijk deed het er allemaal niet toe. Ook al kreeg ik een stamp onder mijn kont van een zeeschildpad, al werd ik gedumpt door mijn vriendin, al had een familielid me proberen vergiftigen met vuurmieren en al had ik mijn zegevierende terugkeer in mijn thuisland niet gekregen, toch was ik niet helemaal verpletterd. Bleek dat ik alles bij elkaar niet zo makkelijk murw te krijgen was. Voordat het jaar ten einde liep, was ik terug in de D.R., om het opnieuw te proberen. Ik bleef teruggaan, trouwens. Ik was de lucha aangegaan, net zoals ik me in het gevecht met die verdomde zeeschildpad gegooid had.
Tegenwoordig weet ik mijn weg behoorlijk goed in Santo Domingo (Los Tres Brazos? La Pintura? Katanga? Capotillo? Een makkie!) en de meeste mensen willen op z'n minst toegeven dat er toch iets Dominicaans in mij zit. Mijn Spaans is intussen zo goed geworden dat ik het over eender welk onderwerp kan hebben -dieren, planten, mineralen- met niet meer dan een grove fout per zin. Ik ben er zeker van dat, als je me deze toekomst had voorgehouden tijdens die laatste dagen van het reisje met de novia, ik je uitgelachen zou hebben. Al kon je zelfs midden de scherven van die dagen de tekenen zien, zelfs op die laatste dag, op de luchthaven, toen ik wanhopig probeerde mijn stomme zelf weer bij elkaar te rapen. Mijn hoofd bonsde van de schildpadrammeling en mijn neus voelde alsof hij er pas weer was aangenaaid. (Toen ik thuis kwam, flapte mijn kamergenoot -zonder zoveel als gedag te zeggen- eruit: 'Dwaas, wat is jou in godsnaam overkomen?') Ik was verslagen, echt verslagen, en, voor het geval ik het toch nog niet begrepen had, was er ook niets fris te drinken op de luchthaven. Toch weerhield dat alles me er niet van volop deel te nemen aan de discussies die links en rechts aan de gang waren over de recente verkiezingen en Santo Domingo's eeuwige president Balaguer -blind, doof en stom, maar niettemin jodiendo el pueblo. Hij was het geschenk dat de Verenigde Staten voor ons land achterlieten na de laatste militaire bezetting in 1965 -God zegene hen allen! Net voordat onze vlucht inscheepte, vroeg een groepje inheemsen wat ik vond van Balaguer. Meteen schoot ik in scheldversnelling en zei dat hij een moordenaar was, een verkiezingsdief, een genocidegoedprater, en, uiteraard, een VS-marionet van de Hosni Moubarak-soort.
'Zie je wel', verkondigde de krantenverkoper triomfantelijk. 'Zelfs de gringo weet het.'
Dit kortverhaal verscheen oorspronkelijk in The New Yorker
Ontdek MO* op www.mo.be