Dugghal waay!
Duizenden mensen ont ...
Duurzame consumptie ...
Ecologische schuld: ...
Ecologische Schuld: wie staat er in het rood?
Zie ook:
Inleiding: Kiezen tussen Scylla en Charybdis?
Als wereldgemeenschap worden we wat betreft de ecologische crisis1 en de noord-zuidproblematiek geconfronteerd met een onafwendbaar dilemma: de Scylla-Charybdis-impasse. Dit refereert volgens Jones aan “de onmogelijkheid, zolang het huidige bestel in voege blijft, zowel het Scylla-monster (de sociaal-economische dualisering) als het Charybdis-gedrocht (de milieucrisis) te omzeilen: ‘Hoe groter het gedeelte van de wereldbevolking dat in welstand leeft, hoe meer het ecosysteem in gevaar is; hoe meer het ecosysteem gevrijwaard wordt, hoe meer dit gepaard gaat met mateloze ellende’ (Vermeersch, 1988).”2
Het is dus duidelijk dat de huidige onduurzame, vernietigende ontwikkelingsparadigma’s (in noord en zuid!) tekort schieten. Er is nood aan alternatieve paradigma’s en visies. Het concept dat in dergelijke discussies meestal naar voren wordt geschoven, is dat van duurzame ontwikkeling (DO). Maar is dat werkelijk zo alternatief als het op het eerste gezicht lijkt?
Grenzen aan de groei of duurzame ontwikkeling?3
Peter Tom Jones en Roger Jacobs stellen (samen met een groot aantal andere auteurs) in het ecologische discours van de laatste decennia een verschuiving vast. Als gevolg van het rapport van de Club van Rome in 1972 (Limits to Growth) werd voor de eerste keer in de geschiedenis het blinde vooruitgangsgeloof ook vanuit een wetenschappelijke invalshoek radicaal ter discussie gesteld. ‘Limits to growth’ focuste vooral op de dreigende uitputting van de niet-hernieuwbare grondstoffen. Ondertussen is het echter duidelijk dat enerzijds de overbelasting van de opnamecapaciteit voor afval van ’s werelds ecosystemen en anderzijds het beperkte regeneratievermogen van hernieuwbare bronnen als bossen en visbestanden wellicht nóg acutere problemen vormen. De wetenschappelijke literatuur leert dat de totale inwerking van de wereldbevolking op het milieu het ecologisch draagvermogen van de planeet Aarde thans overschrijdt. Men heeft dit ecologisch deficit ruw - maar conservatief - geschat op ongeveer 20%.
We kunnen echter vaststellen dat dit ‘grenzen aan de groei’-idee in politiek-economische kringen plaats heeft moeten ruimen voor de nieuwe ideologie van ‘duurzame ontwikkeling’. Dit idee stamt uit het einde van de jaren ’80. Onder voorzittersschap van de Noorse politicus Brundtland, produceerde de VN-World Commission on Environment and Development in 1987 haar eindrapport ‘Our Common Future’. Hierin werd de volgende definitie van duurzame ontwikkeling opgesteld, die tot op vandaag nog courant gebruikt wordt: ‘een ontwikkeling die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generaties zonder de mogelijkheden van de toekomstige generaties om hetzelfde te doen, in gevaar te brengen.’ In 1992, op de United Nations Conference on Environment and Development in Rio, stond DO centraal. Op deze conferentie probeerde men een oplossing te vinden voor zowel het milieuvraagstuk als voor de roep om mondiale rechtvaardigheid, maar durfde men het niet aan om de netelige kwestie van het verband tussen de twee onder ogen te zien.
Kortom: ‘duurzaamheid’ stond in de jaren ’70 nog als ‘ideaal’ op zich en was nauw verbonden met het concept van de ‘steady state economy’ (als normatief concept: natuurbescherming, inter/intragenerationele solidariteit,…). Sinds het Brundtlandrapport en de Riotop echter wordt het begrip ‘duurzaam’ als bijvoeglijk naamwoord toegevoegd aan het, stilzwijgend belangrijker geachte, zelfstandig naamwoord ‘ontwikkeling’, dat dan weer gelijkgesteld wordt aan ‘economische groei’. Groei wordt zelfs als voorwaarde gezien om van een echte duurzame ontwikkeling werk te kunnen maken. Over het feit dat het noorden vanuit ecologisch oogpunt ‘overontwikkeld’ is, worden al helemaal geen vragen meer gesteld. Nogal paradoxaal heeft de conferentie in Rio dus de notie van economische groei als begerenswaardig nieuw leven ingeblazen, precies datgene wat voorheen zo zwaar bekritiseerd werd in het discours over ‘grenzen aan de groei’.
Uit bovenstaande blijkt dat DO een begrip is waarop volgens Peeters4 makkelijk verschillende, eventueel zelfs tegengestelde opvattingen over ontwikkeling geënt kunnen worden. Hij wijst verder op de Westerse afkomst van het ontwikkelingsbegrip. “Het draagt in zich de idee van de mogelijkheid van een lineair vooruitgangsproces, en is daarin een uiting van het economische groeimodel. … Het is critici dan ook niet ontgaan dat het Westen er opnieuw in geslaagd is om zijn cultureel paradigma als model aan de hele wereld voor te houden. Dat het ecologisch vraagstuk een probleem is voor de aard van de na te streven ontwikkeling wordt echter niet beschouwd als een probleem voor de productie- en levenswijze van het Westen.” Erger nog: de schuld voor de verloedering van het milieu wordt vaak toegeschreven aan de ‘armen’ in het zuiden, die zich schuldig maken aan een ‘buitensporig voortplantingsgedrag’ of niet beschikken over de juiste technologieën om ‘proper’ te produceren. Een ander probleem met de gangbare definitie van DO is volgens Sachs5 dat ecologie in het Westen te eenzijdige wordt bekeken als een rechtvaardigheidskwestie jegens de toekomstige generaties. De onrechtvaardige noord-zuidverhoudingen verdwijnen daarbij naar de achtergrond. M.a.w.: er is misschien wel sprake van intergenerationele solidariteit (tussen verschillende generaties), maar de intragenerationele solidariteit (binnen een generatie, tussen noord en zuid, arm en rijk) krijgt te weinig aandacht. Sachs6 stelt dat op die manier DO vooral een concept van onderdrukking wordt.
Volgens Jones en Jacobs7 verspreidt het mainstream duurzame ontwikkelingsdiscours vooral veel mist rond de hedendaagse sociaal-ecologische problematiek. Om een aanzet te vinden voor structurele oplossingen is er nood aan een tegenhegemonie op het vlak van de taal. Het concept ‘ecologische schuld’ is een dergelijk ‘tegenvertoog’.
Het concept ‘ecologische schuld’ staat voor:
Andrew Simms9 omschrijft het iets eenvoudiger: “If you take more than your fair share of a finite natural resource you run up an ecological debt. If you have a lifestyle that pushes an ecosystem beyond its ability to renew itself, you run up an ecological debt.” Het gaat over zowel de ecologische als de sociale, economische en culturele impact van onder andere;
De term kent zijn oorsprong in het begin van de jaren ’90 als het Chileense Instituto de Ecologica Politica naar analogie van de financiële schuld, de industrielanden oproept om de ecologische schuld op een of andere manier te vergoeden. Een ecologische schuld die het gevolg is van afbraak van natuurlijk kapitaal in het zuiden ten gevolge van industriële activiteiten in het noorden. Vanaf 1997 wordt het onder invloed van NGO’s als Acción Ecologica in Ecuador opgepikt in een aantal internationale campagnes, o.a. van Jubilee South (rond de kwijtschelding van financiële schuld) en van Friends of the Earth International. Op dit moment zijn er een drietal NGO-netwerken10 die rond het thema werken. Interessant is dat de NGO’s uit het zuiden uitdrukkelijk voor een eigen netwerk kiezen (SPEDCA), zonder leden uit het noorden. Op die manier hopen ze hun visie op en eisen over ecologische schuld scherper en onafhankelijker te formuleren, zonder directe inmenging van noordelijke NGO’s die door hun grotere capaciteit en vertrouwdheid met lobbywerk de discussies zouden domineren.
In die zin biedt het concept ook mogelijkheden voor de rol die NGO’s uit het noorden volgens Vandepitte11 moeten opnemen: enerzijds voluit basisbewegingen in het zuiden steunen en anderzijds de publieke opinie hier sensibiliseren en mobiliseren om de overheden onder druk te zetten ten gunste van het zuiden.
Een nieuw perspectiefDe kracht van het concept ‘ecologische schuld’ is dat het, zoals Geert Fremout12 van het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling aangeeft, de noord-zuidverhoudingen in een ander perspectief plaatst.
Een ander ethisch perspectief: het toont op een verpletterende manier de collectieve verantwoordelijkheid van de geïndustrialiseerde wereld voor voorbije en huidige schendingen van het recht op een gezond leefmilieu – in het bijzonder in het zuiden – aan. Vinod Raina13 geeft aan dat de ecologische vernietiging van het zuiden vandaag de dag gewoon een verderzetting is van een ecologische plundering die al vijfhonderd jaar bezig is. De toenemende rijkdom van het noorden is volgens haar gebaseerd op deze plundering, die de mensen in de kolonies (ooit rijke, welvarende landen) verarmd achterlaat. Fremout spreekt zelf ook niet over ‘rijke’ en ‘arme’ landen, maar over ‘verrijkte’ en ‘verarmde’ landen.
Een ander politiek perspectief: het noorden als debiteur; het zuiden als crediteur. Het zuiden bevindt zich niet langer in een afhankelijke positie, maar wordt door de erkenning van de ecologische schuld een volwaardige speler op de internationale scène. Ecologische schuld draagt zo bij tot empowerment van het zuiden. (over de relatie tussen financiële en ecologische schuld, later meer). Ook Paredis en Goeminne14 wijzen erop dat het concept ecologische schuld voor veel van de lokale gemeenschappen die in verzet komen tegen uitwassen van het neolibirale beleid een taal blijkt te bieden waarmee ze hun strijd kunnen omschrijven en hun eisen kunnen formuleren. We moeten deze actiegroepen niet in eerste instantie zien als milieuactivisten, maar als mensen of gemeenschappen die het recht op gebruik van hun eigen grond opeisen, of de toegang tot het water dat door hun rivieren stroomt of in hun ondergrond zit, of het recht op het gebruik van de planten en afgeleide producten die ze al eeuwenlang gebruiken. De strijd van groepen in het zuiden kan makkelijk ondersteund worden door activiteiten in industrielanden die erop gericht zijn multinationals te controleren en voor hun verantwoordelijkheid te stellen.
Een ander economisch perspectief, in het bijzonder op gebied van internationale handel. Ecologische schuld toont aan dat handel lang niet altijd gepaard gaat met wederzijdse voordelen, niet in financiële termen, maar zeker niet in ecologische termen. Voor Raina15 komt de internationale handel er vooral op neer dat landen in het zuiden “are transferring their ecological resources, or degrading their own environments in the process, without much payment. … Instead of the rather undignified manner of taking over political control of countries by colonising them by the use of force, more ‘dignified’ trade and financial rules are continuously being brought in to effectively nullify the political independence of the former colonies.”
Een ander ecologisch perspectief: ecologische schuld is een manier om aan te tonen dat het kopiëren van het ontwikkelingsmodel van het noorden door het zuiden geen alternatief is voor een duurzame wereld op lange termijn. Maar ook de toekomst van het noorden komt hier in het gedrang: een wijziging van de noordelijke levensstijl dringt zich op. De geglobaliseerde consumptiecultuur16 is immers niet te veralgemenen naar de hele wereldbevolking. Integendeel: “om deze overconsumptiepatronen in stand te houden, moeten de negatieve milieueffecten en ecologische schaduwkosten afgewenteld worden op de grote meerderheid van de inwoners uit de arme landen in het zuiden, op de toekomstige generaties en op de andere organismen die op deze planeet vertoeven. … Levend op een aarde die fundamenteel afgebakend is door biofysische grenzen moeten we leren beseffen dat de huidige groeimanie in het Westen en de mimetische strijd van het zuiden om het noorden zo snel mogelijk in te halen niet vol te houden zijn.”17 Dit werd onder andere duidelijk in het laatste rapport van het World Watch Institute dat focust op de (onder andere ecologisch rampzalige) gevolgen van de snelle opmars van India en China18. Fremout stelt dat “net zoals het noorden aan het zuiden de ‘Structural Adjustment Programs (SAP) oplegt, zou het zuiden – in de logica van de ecologische schuld – aan het noorden ‘Sustainability Adjustment Programs’ kunnen opleggen.” Voorwaar een interessante piste…
Een ander juridisch perspectief: de erkenning van de ecologische schuld kan de basis vormen om de noordelijke levensstijl ter verantwoording te roepen. Volgens Simms19 kan dat in de context van klimaatveranderingen (als gevolg van o.a. CO2-uitstoot) zelfs resulteren in rechtszaken. Hij stelt vast dat - paradoxaal genoeg als gevolg van rechtszaken in de VS, vb. de takbaksprocessen - machtige actoren (bedrijven, regeringen,…) steeds meer aangeklaagd worden door burgers voor schade die hen berokkend is. Op een zelfde manier zouden slachtoffers van natuurrampen (zowel in het noorden als in het zuiden) die het gevolg zijn van klimaatveranderingen de voornaamste veroorzakers van die klimaatveranderingen voor de rechter kunnen sleuren.
De verhouding tussen financiële en ecologische schuld: ‘who owes whom?’20Een belangrijke discussie in deze context, is of men ecologische schuld kan/moet kwantificeren en/of uitdrukken in monetaire termen. Raina wijst op een aantal dilemma’s in dit verband. Enerzijds is het niet haalbaar, noch wenselijk om leven (van welke aard ook), gezondheid, een gezonde omgeving,… uit te drukken in monetaire termen of te onderwerpen aan een financiële logica. Het lijkt dan immers alsof er een prijs kan gezet worden op de natuur of dat het recht op vervuilen afgekocht kan worden. Anderzijds spreekt het noorden vooral de taal van het geld en is het wel handig als de grootteorde van de ecologische schuld kan vergeleken worden met andere monetaire gegevens zoals de financiële schuld. Het Centrum voor Duurzame Ontwikkeling van de Universiteit van Gent heeft in ieder geval een poging in deze richting gedaan door de koolstofschuld (de schuld die een land opbouwt door meer CO2 uit te stoten dan het bij een rechtvaardige verdeling van de absorptiecapaciteit van de aarde zou mogen uitstoten) van België te berekenen. Uit het onderzoek21 blijkt dat we, zou België deze schuld effectief moeten betalen, serieus in het rood zouden gaan.
De kwijtschelding van de financiële schuld is echter niet de belangrijkste eis voor de netwerken die campagne rond voeren ‘ecologische schuld’. Volgens Raina22 is het naïef te denken dat “canceling illigitimate financial debt is sufficient to adress the urgent issues of ecological debt. Restoring right relationships with ecological creditors must go hand in hand with preserving the integrity of creation itself and maintaining right relationships with all earth’s inhabitants. To achieve this, there must be radical changes in the current system of production, distribution and consumption in order to restore earth’s capacity to sustain life for all.”
BesluitZoals hierboven al aangegeven, zien we in het concept ‘ecologische schuld’ een tegenvertoog dat kan bijdragen aan de zoektocht naar een uitweg uit de Scylla-Charybdis-impasse (zie inleiding). In vergelijking met het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ slaagt het er veel beter in om de noord-zuidkloof op een consequente manier te koppelen aan de ecologische crisis, zowel in de analyse van de oorzaken als in suggesties om aan beide problematieken te werken. Of zoals Simms23 schrijft: “Thinking in terms of ecological debt it is possible to imagine a great reversal of centuries of expanding use of finite resources and of the growing divergence between rich and poor to one of ‘contraction and convergence’.” Bovendien creëert het concept “een mogelijkheid om een instrumentarium te ontwikkelen met daarin het principe van ‘gezamenlijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid’ als basisgedachte. De verantwoordelijkheid […] is er voor iedereen, maar de industrielanden hebben duidelijk een meer dan proportionele verantwoordelijkheid en mogelijkheid om inspanningen te leveren.”24 Met andere woorden: er is vooral werk aan de winkel hier in het noorden. Tijd om de openstaande rekeningen te vereffenen…
Dit artikel geeft enkel de persoonlijke visie weer van de auteur, niet van UCOS vzw.
1) Voor een bondige schets van de oorzaken van en mogelijke houding t.a.v. de ecologische crisis, zie Jones, P.T., Globalisering, ecologie en duurzaamheid. Op zoek naar een menselijke maat.
3)Deze en de volgende paragraaf is grotendeels gebaseerd op Jones, P.T., Jacobs, R., Duurzame ontwikkeling is een contradictio in terminis. Voor andere commentaren op het begrip ‘duurzame ontwikkeling’, verwijs ik graag door naar het UCOS-forum
4) Peeters, J. Duurzame ontwikkeling. Over contradicties en alternatieven.
5) Sachs, W. (2003) Environment and Human Rights, in Wuppertal Papers, (137), november 2003.
6) Sachs, W. (1999) Planet Dialectics. Explorations in Environment and Development, Zed Books, Londen/New York.
7) Jones, P.T., Jacobs, R., Onze ecologische voetafdruk: de ondraaglijke zwaarte van het westerse bestaan.
8) Voor deze paragraaf heb ik me tenzij anders vermeld gebaseerd op Paredis, E; Goeminne, G. (2005) Ecologische schuld als uitdaging voor het beleid van duurzaamheid. In: OIKOS 33 (2), p. 27-28.
9) Simms, A. (2005) Ecological Debt. The Health of the Planet & the Wealth of Nations. Pluto Books, London, p. viii. Verder in de UCOS-nieuwsbrief vind je een bespreking van dit boek.
10) SPEDCA (Southern Peoples’ Ecological Debt Creditors Alliance; een netwerk van NGO’s uit het zuiden en dus crediteuren), ENRED (European Network for the Recognition of the Ecological Debt, een netwerk van Europese NGO’s en individuen en dus debiteuren) en JADES (Justicia Ambiental, Deudo Ecologica y Sustentabilidad, een overleg- en discussiegroep tussen beide netwerken). Vanuit Vlaanderen is VODO, het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling actief in ENRED en JADES.11) Vandepitte, M. (2004) De kloof en de uitweg. Een dwarse kijk op ontwikkelingssamenwerking. EPO, Antwerpen, 136 p.
12) Fremout, G. Ecologische Schuld : het onderzoek. In: Zacht Geritsel.
13) Raina, V. (2004) Ecological Debt. An enormous debt the North owes the South. Paper gepresenteerd op de conferentie ‘The Concept of Ecological Debt: its Meaning and Applicability in International Policy.’, 18-05-2004, p. 2-3.
14) Paredis, E; Goeminne, G., op. cit., p. 29-30.
15) Raina, V. (2004), op. cit., p. 4.
16) De consumptiecultuur leeft niet alleen in het noorden. Rijke elites in arme landen uit het zuiden nemen deze maar al te graag over. Zie hierover ook een discussie op het UCOS-forum.
17) Jones, P.T., Jacobs, R., Onze ecologische voetafdruk: de ondraaglijke zwaarte van het westerse bestaan.
18) Voor commentaren op dit rapport, zie enkele bijdragen op het UCOS-forum.
19) Simms, A. (2005), op. cit., p. 141-153.
20) Deze paragraaf is voornamelijk gebaseerd op Fremout, G. en Raina, V.
21) In dit onderzoek wordt het concept verder ook uitgeklaard en werd de relevantie en toepasbaarheid ervan in het Belgische en internationale beleid bestudeerd. Een soortgelijke manier om zicht te krijgen op een opbouw van ecologische schuld zit vervat in de ecologische voetafdruk die al wat meer bekend is.
23) Simms, A., op. cit., p. 10
24) VODO, Inleiding tot het memorandum.