Polygon opent zijn d ...
Praag, een sprookjes ...
Presidenten komen me ...
Pro's en contra's va ...
In vraaggesprek met Annabel Vanroose:
door Eric Baert (Ucos vzw)
Ucos: Dag Annabel. Je bent nu al een tijdje in Boston voor je onderzoek rond microfinanciering, daarvoor had je een project in India. Op het thuisfront verliezen we een beetje de draad waar je nu precies mee bezig bent. Kun je om te beginnen eens kort uitleggen waar microfinanciering voor staat?
Annabel: In feite is microfinanciering een hele brede term. Microfinanciering is het aanbieden van kleinschalige financiële diensten aan de armere delen van een bevolking. Het bevat dus het traditionele krediet, maar ook spaarmogelijkheden en recent ook toegang tot verzekeringen. De armere delen van de bevolking worden meestal uit het formele, commerciële systeem gesloten. Ze worden als te risicovol beschouwd, omdat ze geen activa bezitten en vaak ook niet winstgevend genoeg zijn door hun kleine en volatiele spaarbedragen. Op die manier hebben ze geen toegang tot lenen of sparen. De idee achter microkrediet is dat het verlenen van een klein krediet de mensen de mogelijkheid kan geven om te investeren in een kleine onderneming. Sparen kan dan weer dienen als een middel om een volatiel inkomen te beheren.
Ucos: En waar ben jij precies mee bezig?
Annabel: De laatste decennia hebben we een enorme groei gehad van microfinancieringsinstellingen. Dit is deels te verklaren als het gevolg van het succes dat de Grameen Bank kende in Bangladesh. Daarenboven zijn ook de grote donorinstellingen geïnteresseerd geraakt en het bedrag aan subsidies is enorm toegenomen. De ontwikkeling is echter ongelijk gebeurd. In sommige landen is microfinanciering zeer sterk aanwezig, in andere veel minder. In het kader van mijn doctoraat in co-promotorschap tussen de VUB en de ULB, ben ik bezig met het onderzoeken van de redenen achter het ongelijke succes van microfinanciering. De concrete vraag is: Waarom is microfinanciering zo aanwezig in sommige landen en waarom is dat niet zo in andere? Ik vermoed dat er naast enkele economische redenen, ook een politiek verhaal aanwezig is. Het is in het kader van dit onderzoek dat ik nu in Boston zit. Hier in Harvard werkt Beatriz Armendariz, een specialiste ter zake die me drie maanden begeleidt met mijn onderzoek. Vorig academiejaar heb ik het European Microfinance Programme (EMP) gevolgd aan Solvay, ULB. In deze context ben ik deze zomer naar India getrokken. In India heb ik kennis gemaakt heb met microfinanciering in de praktijk. Ik heb er interviews gehad met vrouwen die microkrediet ontvangen en met mensen die in de sector werken. Dit was een heel leerrijke ervaring. Het is altijd goed om kennis te maken met de praktijk als je ergens theoretisch over bezig bent.
Ucos: Microfinanciering is een term die veel mensen pas recent leerden kennen, toen de Nobelprijs voor de Vrede werd toegekend aan Muhammad Yunus en de Grameen Bank in Bangladesh. Denk je dat het concept nu in populariteit zal toenemen?
Annabel: Microfinanciering heeft de laatste 5 à 10 jaar reeds sterk aan populariteit gewonnen. Yunus startte met zijn Grameen Bank in de jaren ’70. Sinds dan is het model gerepliceerd in verschillende landen. 2005 werd door de VN tot het Jaar van het Microkrediet uitgeroepen. De Bretton Woods instellingen steunen microfinancieringsinitiatieven ook al een hele tijd. Sinds kort zijn ook de commerciële banken geïnteresseerd in microfinanciering. Dit komt voornamelijk doordat microfinancieringsinstellingen (MFIs) hoge terugbetalingpercentages kennen. Deze zijn vaak hoger dan in het commerciële systeem. De combinatie met een hoge interest, maakt het winstgevend om de in sector te investeren. Daarenboven is er een toenemende druk op niet-gouvernementele MFIs om te commercialiseren en op die manier onafhankelijk te worden van donorsubsidies. De belofte van microfinanciering houdt in dat er aan ontwikkelingssamenwerking en dus aan armoedebestrijding kan gedaan worden op een ‘winstgevende’ manier. Ik denk dan ook dat de sector in de nabije toekomst zal blijven groeien.
Ucos: We zien inderdaad op internationaal vlak een verschuiving in de microfinancieringssector van meer kleinschalige, onafhankelijke initiatieven naar meer mondiale strategieën en een vermarkting van de sector. Kun je hier strikt genomen spreken van een liberalisering van de microfinanciering?
Annabel: Ik zou eerder de term commercialisering gebruiken. Precies, zoals gezegd interesseren de commerciële spelers zich meer en meer in microfinanciering. Er zijn de commerciële banken zoals Dexia of ICICI in India, maar ook de sociale investeringsfondsen zien het als de ideale combinatie om sociale verantwoordelijkheid te combineren met winstgevendheid. De filantropisten beschouwen microfinanciering als een nieuwe en originele wijze om hun geld te besteden. Denken we maar aan de recente oprichting van een investeringsfond voor microfinancieringsinitiatieven (100 miljoen dollar) door één van de stichters van eBay, of aan de Gates Foundation die tientallen miljoen euro in microfinanciering wil investeren. Deze tendensen tonen duidelijk aan dat microfinanciering niet enkel meer een zaak van de non-profit organisaties is maar ook van de commerciële en marktgerichte spelers.
Ucos: Hoe sta je tegenover die ontwikkeling?
Annabel: De ontwikkeling houdt bepaalde voordelen in, maar ook niet te miskennen risico’s. De commerciële investment funds en banken hebben een zeker winstmarge nodig om de investeringen aantrekkelijk te maken. Ze zijn echter beter in staat om micro-diensten goedkoper aan te bieden door de schaalvoordelen die ze bezitten. De voorstanders van commercialisering claimen dat commercialisering de sector meer competitief zal maken. Hierdoor zullen de interestvoeten dalen (deze zijn, in tegenstelling tot wat velen denken, hoger dan in het commerciële systeem), wat dan weer ten goede komt aan de armen. Toch kan in sommige gevallen competitie ook leiden tot een onverantwoord uitlenen van fondsen. De armen kunnen hierdoor in een schuldenspiraal terechtkomen. In sommige regio’s van India en Bolivia is dit bijvoorbeeld gebeurd. Bovendien kan de commercialisering een verschuiving van focus stimuleren. Namelijk door de druk om hogere winsten te maken, zullen microfinancieringsinstellingen zich focussen op de minder arme delen van de bevolking. De armste worden minder aantrekkelijk en zo bestaat het gevaar dat er andermaal een uitsluiting wordt gecreëerd.
Ucos: Veel internationale instellingen, zoals Wereldbank en het Internationaal Monetair fonds, ondersteunen microkredieten of nemen het op als instrument om armoede te bestrijden. Hoe past dit in hun beleid? Zeker door de andersglobalisten worden die instellingen zwaar op de korrel genomen.
Annabel: Wel, het is voornamelijk de Wereldbank (die op micro-niveau werkt) die de mogelijkheid heeft om microfinancieringsprogramma's te promoten. Ze stelt bijvoorbeeld bijkomende fondsen en/of leningen ter beschikking aan landen die microfinanciering favoriseren. Tegenwoordig bevatten ook veel Armoedebstrijdingsplannen (Poverty Action Plans) een deel microfinanciering. Op die manier wordt de groei van de sector enorm gestimuleerd. Microfinanciering heeft verschillende positieve effecten, maar het brengt ook verschillende gevaren met zich mee. Zo houdt het concept toch een individualistische benadering van ontwikkelingssamenwerking in: iedereen leent (niet krijgt!) geld om zichzelf uit de armoede te werken. De “werkers” slagen er in, de andere niet. De arme wordt op die manier zelf verantwoordelijk voor zijn ‘arm zijn’. De critici argumenteren bovendien dat microfinanciering gebruikt wordt om het sociale protest te counteren. In Bolivia, bijvoorbeeld, werd er bij de liberaliseringgolf van 1985 een social investmunt fund opgericht. Eén van de vier peilers was microfinanciering. De liberalisering ging gepaard met een enorme stijging van de werkloosheidscijfers, maar door het bestaan van microfinanciering konden de werklozen dus zelf beginnen voorzien in hun inkomen.
Ucos: Gezien het groeiend belang van de commerciële spelers en de context van liberalisering zijn er dus naast armoedebestrijding heel wat factoren in het spel die ons uitnodigen tot alertheid.
Annabel: Het is inderdaad een middel dat met voorzichtigheid dient benaderd te worden. Microfinanciering is waardevol daar het sommige mensen een mogelijkheid en een toegang verschaft tot diensten waarvan ze anders uitgesloten zouden zijn. Impactstudies tonen aan dat dit de zelfwaardering verhoogt en een ‘empowerend’ effect heeft op vrouwen. Dit heb ik zelf waargenomen in India tijdens de interviews die ik gehad heb. Het geeft sommigen ook de vrijheid om te doen wat ze reeds lang wilden doen: een eigen zaakje opstarten. Niet iedereen is echter een ondernemer. De link tussen microfinanciering en armoedebestrijding is bovendien veel minder evident en nog niet wetenschappelijk bewezen. Het is echter die link die de grote instellingen verkopen. Rekening houdend met dit alles zou het volgens mij dan ook verkeerd om bij ontwikkelingssamenwerking uitsluitend te focussen op microfinanciering.
Ucos: Is er veel wisselwerking tussen microfinanciering en alternatieve denkpistes en bewegingen rond ontwikkeling, zoals ecologie, duurzame ontwikkeling, andersglobalisme, feminisme, etc, of blijft het eerder een geïsoleerde strategie om armoede te bestrijden?
Annabel: Microfinanciering focust zich in de meeste ontwikkelingslanden voornamelijk op vrouwen. Het argument is dat vrouwen betere terugbetalers zijn dan mannen. Ze spenderen overigens een groter deel van het inkomen aan educatieve en gezondheidsgerelateerde diensten. Microfinanciering wordt dan ook aanzien als een zeer sterk ‘empowerment tool’. Vrouwen worden onafhankelijker van hun echtgenoten door zelf een inkomen te verdienen en verkrijgen zo een sterkere positie binnen het gezin. Vaak gebeurt microfinanciering in groep en dat stimuleert ook het gemeenschapsleven. In mijn onderzoek in India heb ik verschillende gesprekken gehad met vrouwen die deel uitmaakten van een self-help group. Een self-help group is een groep van een 10à20tal vrouwen die eerst gezamenlijk sparen en daarna een lening krijgen van een bank. Tijdens de gesprekken voel je de sterkte die uit zo’n groep voortkomt en de solidariteit die er heerst. Maar tot nu toe wordt microfinanciering eigenlijk te weinig geïntegreerd in andere sociale projecten. De shift naar een meer commerciële benadering intensifieert die isolering. Niettemin heb je organisaties die naast krediet ook educatieve diensten aanbieden. Er zijn er ook die het milieu in rekening brengen, maar men zou verder kunnen gaan. Denken we maar aan de mogelijkheid het uitlenen van krediet te relateren aan het opstarten of financieren van eerlijke handelszaakjes of biologische producenten, of de voorwaarde om de winsten van microfinancieringsinstellingen te investeren in gemeenschapsprojecten.
Ucos: als je terug in Belgie hopen we dat je een avondje vrij hebt om dit alles met ons in levende lijve te bediscussieren. Veel succes nog!
Brussel/Boston, 7 november 2006.
*Annabel Vanroose is assistente aan de VUB, Vakgroep Economisch, Financieel en Monetair Beleid (faculteit ESP) en doctoraatsstudente aan VUB/ULB