Eurodad rapport bevestigt bevindingen 11.11.11 rond BIO

eurodad rapport privateprofitpublicgood

In februari van dit jaar publiceerde 11.11.11 een uitgebreid rapport over de werking van de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (BIO). Vandaag lanceerde Eurodad, een Europees netwerk van ngo's dat werkt rond de financiële aspecten van ontwikkeling, een evaluatie van een aantal mondiale spelers op vlak van steun aan de private sector in het Zuiden die de eerdere bevindingen van 11.11.11 bevestigen.

Uit dat onderzoek bleek dat de maatschappij, die bedrijven in ontwikkelingslanden ondersteunt via leningen en participaties, maar povere resultaten kan voorleggen op vlak van ontwikkelingsrelevantie en goed bestuur.

Vandaag lanceerde Eurodad, een Europees netwerk van ngo's dat werkt rond de financiële aspecten van ontwikkeling, een evaluatie van een aantal mondiale spelers op vlak van steun aan de private sector in het Zuiden.

Eurodad ging na of publieke financiers, zoals de International Finance Corporation van de Wereldbank, de Europese Investeringsbank en een aantal bilaterale 'Development Finance Institutions' (DFI's) waaronder BIO, erin slagen hun doelstellingen op vlak van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding waar te maken.

Eurodad deed een aantal verontrustende vaststellingen op dat vlak die de eerdere bevindingen van 11.11.11 bevestigen. Hieronder vindt u de belangrijkste:

1. Geen duidelijke ontwikkelingsstrategie

Eurodad stelt vast dat DFI's, zoals BIO, veruit de sterkste groeier zijn binnen de ontwikkelingssamenwerking sinds de financiële crisis. Tussen 2006 en 2010 is hun gezamenlijke portfolio toegenomen met 190%. Bovendien worden dergelijke DFI's actief in steeds meer sectoren.

Problematischer is echter dat al dat bijkomende geld niet wordt besteed in lijn met de ontwikkelingsplannen van ontwikkelingslanden. Toch een fundamentele voorwaarde voor een efficiënte besteding van hulp. In haar rapport wees ook 11.11.11 op het gebrek aan samenhang tussen BIO en de andere actoren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, zoals DGD en BTC.

2. Foute keuzes

De investeringen van DFI's komt zeker niet altijd ten goede van kleine, lokale ondernemingen die de grootste moeilijkheden ondervinden om op de markt aan de nodige financiering te geraken.

Eurodad ontdekte dat slechts 25% van de begunstigde bedrijven effectief in een laag inkomensland is gevestigd, bijna de helft van de ondersteunde ondernemingen is gevestigd in rijke OESO-lidstaat of belastingparadijs en 40% van de bedrijven behoort tot grote, beursgenoteerde ondernemingen.

Eurodad versterkt dan ook de kritiek van 11.11.11 dat BIO zich vooral richt op grote, sterke ondernemingen die ook zonder steun van DFI's aan het nodige kapitaal zouden raken.

3. Onvoldoende garanties van vrijblijvende principes

Er is geen geharmoniseerde aanpak tussen DFI's om de impact op vlak van ontwikkeling van hun investeringen te meten. Bovendien wordt die impact pas gemeten nadat een concrete investeringsbeslissing reeds is gemaakt.

Eurodad onderschrijft dus de eis van 11.11.11 om een kwantitatieve en kwalitatieve evaluatie van de ontwikkelingseffecten centraal te plaatsen in de keuze van concrete investeringen, ten koste van het financiële rendement.

4. Transparantie?

Eurodad wijst erop dat de meerderheid van DFI's sterk inzetten op verschillende vrijwillige internationale investeringsovereenkomsten en principes en verklaringen voor 'verantwoord financieren'. Dergelijke vrijblijvende richtlijnen zijn volgens het rapport onvoldoende.

Ook 11.11.11 wees erop dat de richtlijnen en verklaringen die BIO onderschrijft niet kunnen verhinderen dat investeringen met geringe of zelfs nefaste impact op ontwikkeling gebeuren. Net zoals 11.11.11, pleit ook BIO voor meer transparantie voor alle stakeholders.

5. Hefboomcapaciteit onvoldoende aangetoond

Eén van de belangrijkste argumenten die BIO en andere DFI's naar voren schuiven is hun zogenaamde 'hefboomcapaciteit'. Voor elke geïnvesteerde euro belastinggeld, trekken zij een veelvoud aan privékapitaal aan.

Eurodad wijst op een aantal fundamentele tekortkomingen aan die argumentatie. De zoektocht naar zo veel mogelijk bijkomend private kapitaal zorgt ervoor dat het financieel rendement van de investering belangrijker wordt, dat de controle van DFI's in de opvolging van de ondersteunde ondernemingen wordt beperkt en dat minder middelen beschikbaar worden voor broodnodige investeringen in de publieke sector. De 'hefboom' werkt dus absoluut niet voor ontwikkeling.

Eurodad wijst erop dat het cruciaal is deze trend om te draaien en dat de ondersteuning van de private sector geen goedkoop excuus mag zijn voor besparingen in het budget voor ontwikkelingssamenwerking. BIO en andere DFI's moeten zich richten op de meest behoeftige doelgroep en het 'laag hangend fruit' vermijden.


Aan het rapport koppelt Eurodad dan ook een aantal belangrijke aanbevelingen, die ook voor BIO van belang zijn:


  1. De investeringsstrategie van DFI's moet duidelijk gebaseerd zijn op de prioriteiten van het land in kwestie. Daarvoor moet een transparant rapporteringssysteem ontwikkeld worden.

  2. Ontwikkelingsimpact moet het bepalende criterium worden voor de selectie van projecten. Dat kan door het opstellen van duidelijke indicatoren en bindende investeringsnormen.

  3. Lokale bedrijven moeten de doelgroep zijn

  4. DFI's moeten actief werk maken van een beleid tegen belastingontwijking en een bindend kader op basis van rapportage op niveau van elk individueel land

  5. Transparantie moet verhoogd worden.

 

Deel dit artikel