Israël vergroot greep op Westoever

Israëlische bedrijven mogen van de rechter stenen en ertsen blijven delven op de bezette Westelijke Jordaanoever. De beslissing zet de deur open voor de ontginning van andere Palestijnse grondstoffen zoals water, vrezen activisten.

"Door het nieuwe vonnis mag de bezetter (bij een langdurige bezetting) eindeloos gebruik maken van de voorwerpen die worden gevonden in bezet gebied", verklaart de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din. "Dat betekent watervoorraden oppompen, archeologische overblijfselen afvoeren, en bijvoorbeeld delen van het bezette gebied als stortplaats gebruiken of openbaar vastgoed verkopen."

Langdurige bezetting

Eind december verwierp het Israëlische Hooggerechtshof een petitie van Yesh Din waarin de wettelijkheid van de Israëlische mijnbouwactiviteiten in de bezette Westelijke Jordaanoever werd betwist. Het hof argumenteerde dat de wetten van bezetting veranderen als het over langdurige bezetting gaat. Anders gezegd: de macht van de bezetter kan toenemen bij een langdurige bezetting.

Bovendien had de Palestijnse Autoriteit volgens het hof ingestemd met de mijnbouw, aangezien het Israëlisch-Palestijnse interimakkoord (dat moest aflopen in 1999) de steengroeves onder volledige Israëlische controle liet in Gebied C op de Westoever.

Water voor kolonisten

Het vonnis doet de Palestijnen vrezen dat Israëls illegale ontginning van andere grondstoffen zoals water in de Westelijke Jordaanoever nu wettelijk zal worden beschouwd. "Het is een gevaarlijke wet. We spreken over water, een van de belangrijkste humanitaire noden. Niemand heeft het recht om dat te stelen", vindt Fathy Khdirat, coördinator van Jordan Valley Solidarity.

Israël controleert de meeste waterbronnen in de Jordaanvallei, voor nagenoeg exclusief gebruik door de 9400 Joodse kolonisten die hier leven. Die kolonisten verbruiken jaarlijks gemiddeld 6,6 keer zoveel water per persoon als de 56.000 Palestijnse inwoners van de Jordaanvallei.

"Slechts een tiental Palestijnse gemeenschappen mogen een beperkte hoeveelheid water kopen van het Israëlische bedrijf Mekorot. Bovendien confisqueert Israël watertanks die met tractors worden aangerukt van buiten de Jordaanvallei", zegt Khdirat. "De Palestijnen horen het water stromen in de buizen, maar mogen er niet van drinken."

Palestijnen verjagen

Yesh Din vindt de uitspraak van de rechter een schending van het internationale recht, en vreest ook voor een "vrijgeleide tot plunderen" in de bezette Palestijnse gebieden. Daarom heeft de organisatie in januari een nieuwe zitting in het Hooggerechtshof gevraagd, voor een grotere groep rechters.

Volgens een rapport van het Palestijnse ministerie van Economie en het Applied Research Institute in Jeruzalem kostte de Israëlische bezetting 5,2 miljard euro aan de Palestijnse economie in 2010. Dat is ongeveer 85 procent van het totale Palestijnse bruto binnenlands product.

"De meeste van deze kosten hebben niets te maken met veiligheid, maar wel met de zware beperking voor Palestijnen op de toegang tot hun eigen grondstoffen. Israël ontgint veel zelf, waaronder water, ertsen, zout, stenen en land", staat te lezen in het rapport.

Deze rem op de Palestijnse economie heeft volgens Fathy Khdirat een duidelijk doel: de Palestijnen van hun gronden verjagen. "De economie verwoesten en armoede creëren zet mensen aan om te vertrekken. Maar ondanks dit soort wetten, ondanks alle druk zijn we nog altijd hier. We hebben gewoon geen andere keuze."



BRON:
IPS
IPS DOOR:

Deel dit artikel

Facebook Twitter Google+ Share