OP 11 november werd ...
15.000 handtekeninge ...
167.269 handtekening ...
Wat is het Cotonou-a ...
Het Akkoord van Cotonou legtde samenwerking tussen de Europese Unie en de ACP-landen vast. Het is het belangrijkste Europese instrument voor ontwikkelingssamenwerking. Het omvat hulppakketten en regelt de handels- en politieke relaties tussen de EU en haar partnerlanden. Het Akkoord van Cotonou is de opvolger van de Akkoorden van Lomé en Yaounde.
Het grootste deel van de middelen voor Europese ontwikkelingssamenwerking gaat naar de ACP-landen. In het kader van Cotonou wordt hulp geprogrammeerd voor een periode van vijf jaar. Dat gebeurt via een dialoog tussen de EU en het partnerland, in principe met inbreng van niet-statelijke actoren zoals vakbonden en boerenbewegingen. Het grootste deel van de Europese hulp aan de ACP-landen gaat naar de aanleg van wegen en wordt uitgegeven in de vorm van budgetondersteuning of programmasteun. Steeds minder wordt er gewerkt in de vorm van projecten.
Door de ondertekening van het Akkoord van Cotonou is de link tussen handel en ontwikkelingssamenwerking belangrijker geworden en zijn de voorwaarden en eisen, die de EU aan partnerlanden oplegt, toegenomen.
Daarnaast is ook het principe van niet-wederkerigheid, dat aanvankelijk de handelsrelatie tussen de EU en de ACP-landen regelde, opgeheven. Het gevolg is dat de ACP-landen geleidelijk aan hun markten moeten openstellen voor producten uit de EU. Tegelijk wil de Europese Unie vrijhandelszones oprichten via bestaande of nieuwe regionale configuraties. Via deze Economische Partnerschapsakkoorden maakt de EU met deze vrijhandelszones afspraken rond markttoegang, tariefwijzigingen, niet-tarifaire belemmeringen en de hervorming van lokale industrieën en diensten.
De visie van de Ngo's
NGO’s vrezen dat de Economische Partnerschapsakkoorden nefaste gevolgen kunnen hebben voor lokale economieën, met name door toenemende concurrentie van Europese producten op de lokale markten. Het middenveld is bezorgd omdat de onderhandelingen zullen gevoerd worden tussen partijen met een groot verschil in politieke en economische macht. De meeste ACP-landen hebben een zwakkere onderhandelingsmacht dan de EU. Hun mogelijkheid om een strakke onderhandelingspositie te handhaven, wordt ondermijnd door de afhankelijkheid van EU-hulp. De haast waarmee de EU deze onderhandelingen probeert te laten voortgaan, is verontrustend. Wij zijn er tevens bezorgd over dat de Economische Partnerschapsovereenkomsten de regionale integratieprocessen, die nu volop bezig zijn in de ACP-regio’s, zullen ondermijnen. Dat is vooral het geval in Oostelijk en Zuidelijk Afrika.
Europa mag de ACP-staten niet verzwakken en moet haar engagementen uit het akkoord van Cotonou blijven onderschrijven
Het akkoord van Cotonou (dat sinds 2003 door alle lidstaten werd geratificeerd) voorziet voor sommige waarnemers in een aantal vrij innoverende elementen wat betreft de relatie tussen de Europese Unie en 77 landen uit Afrika, de Caraïben en de Stille Zuidzee (ACP):
Het geeft opmaak en uitvoering van de beleidsprioriteiten in handen van de ACP (in samenwerking met de EU delegatie in het betrokken land), biedt deze staten meer en meer autonomie om de eigen prioriteiten uit te voeren en betrekt meer en meer andere spelers (zoals ngo’s, vakbonden en lokale besturen) in het ontwikkelingsdebat.
Prioritair zijn de strijd tegen armoede en voor duurzame ontwikkeling, het verzet tegen mensenrechtenschendingen en de integratie in de wereldeconomie.
Tot zover de theorie. In de praktijk is de Europese Commissie sinds een aantal maanden bezig met het heronderhandelen van dit akkoord. Die heronderhandelingen zijn op zichzelf al een bizarre kwestie, want op dit moment kan men nauwelijks nog evalueren wat de impact van de aangegane engagementen is geweest. Het lijkt er dan ook op dat de Europese Unie tijdens de onderhandelingen andere prioriteiten nastreeft. Misschien wil ze vooral haar eigen agenda op het voorplan plaatsen ?
Welke eisen legt de Europese Unie zoal ter tafel en waar moeten de ACP-staten aan tegemoetkomen ?
1. De EU wil in de eerste plaats een duidelijke referentie en engagement van de ACP-staten inzake de strijd tegen terrorisme en tegen de verspreiding van massavernietigingswapens.
Dit past in een nieuwe bredere Europese strategie om terrorismebestrijding op de politieke agenda te houden. Het is niet echt opvallend dat de ACP-staten zich tegen de opname van dergelijke “essentiële elementen” in een gewijzigd akkoord verzetten. Bij overtreding van de “essentiële elementen” kan de Europese hulp immers worden opgeschort.
2. Belangrijker nog is de eis van de EU om de rol van de lokale overheid in de ACP-staten te herdefiniëren.
Eén van de – althans in theorie – innovatieve elementen uit het Cotonou-akkoord is juist de versterking van de plannings- en implementatiecapaciteit van de lokale overheden. In het verleden werd de EU verdacht van een top-down-benadering inzake ontwikkeling. Met de ondertekening van het akkoord van Cotonou zou daarin verandering komen. Vandaag wordt op een aantal van die aspecten al teruggekomen.
In de nieuwe onderhandelingen stelt de Europese Unie echter voor dat de Europese Commissie in “bijzondere gevallen” kan beslissen om de bevoegdheden van de National Authorising Officer (meestal het Ministerie van Financiën van het ACP partnerland) terug te schroeven en de programmering door “andere publieke diensten” te laten uitvoeren. Deze eis wordt al langer ondersteund door consultants, uitvoeringsbureau’s bij de Europese lidstaten en grote Europese bedrijven. De vraag kan gesteld worden of het niet beter zou zijn de engagementen die de EU hierrond heeft aangegaan eerst te meten op hun impact en resultaatgerichtheid.
Zal een herdefiniëring van de rol van de ACP-staten hun keuzevrijheid beperken om vorm te geven aan hun eigen ontwikkeling? En worden ze – door de huidige EU-eisen – niet verder ondermijnd in hun plannings- en uitvoeringscapaciteit ?
3. Last, but not least pleit de EU voor de ondersteuning van de zgn. “globale initiatieven”.
Zo zouden ongebruikte middelen worden “gepooled” of “geheralloceerd” (uit de zgn. ‘B’ enveloppes), en vervolgens aan meer “horizontale” initiatieven worden besteed. Niet alleen dreigen de ACP-staten hiermee opnieuw een stuk van hun autonome beslissingsmacht bij in te schieten, men kan zich bovendien afvragen in hoeverre de middelen efficiënter worden besteed en hoe de controle hierop verloopt.
| Lees ook: |