Skip to content
Beeld
Vaste schermresolutie Vloeiende schermresolutie Groter lettertype Kleiner lettertype Standaard grootte lettertype


Een halve eeuw Europese hulp

Aangebracht door 11.11.11 op ma 25 aug 2003

Een halve eeuw Europese hulp

Sinds de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in 1957 drukken de leden gezamelijk hun solidariteit uit met oud-koloniën en overzeese gebieden. In het oprichtingsverdrag van de EEG, de voorloper van de EU, was weliswaar geen specifieke juridische grond voorzien voor ontwikkelingssamenwerking. Het Europese ontwikkelingsbeleid steunde aanvankelijk op een aantal bepalingen rond het gemeenschappelijk handelsbeleid of het sluiten van samenwerkingsakkoorden.

In 1993 werden in het Verdrag van Maastricht voor het eerst de doelstellingen van het Europese ontwikkelingsbeleid neergeschreven: duurzame ontwikkeling van ontwikkelingslanden, de geleidelijke integratie in de wereldeconomie en de strijd tegen armoede.

In 2001 schoof de Europese Commissie voor Ontwikkelingssamenwerking 6 prioriteiten naar voren:

    • de link tussen handel en ontwikkeling
    • de ondersteuning van regionale integratie en samenwerking
    • de steun aan macro-economisch beleid
    • transport
    • voedselzekerheid en duurzame rurale ontwikkeling
    • institutionele capaciteitsopbouw, in het bijzonder op gebied van goed bestuur en rechtspraak

Het Verdrag van Maastricht bevestigde ook opnieuw de bevoorrechte relatie tussen de EU en de zogenaamde ACP-landen, 77 landen uit Afrika en de Caraïben en de Stille Oceaan (Pacific).

Ontwikkelingsprogramma’s van de EU worden in die landen via het Europese Ontwikkelingsfonds (EOF) gefinancierd. Dat fonds heeft momenteel een budget ter beschikking van ongeveer 13,5 miljard euro voor een periode van 5 jaar.

In de opeenvolgende akkoorden tussen de EU en de ACP-landen werden tal van principes ingevoerd met betrekking tot goed bestuur en de strijd tegen corruptie, de inschakeling van de ACP-landen in de wereldeconomie en de participatie van de civiele maatschappij.

De Europese instellingen en andere spelers

De Europese Unie telt 5 instellingen. Ze spelen allemaal een belangrijke rol in het Europese ontwikkelingsbeleid:

De Europese Commissie
bestaat uit een college van EU-commissarissen en een administratie ter ondersteuning van dit college. De portefeuilles voor externe betrekkingen zijn ondermeer verdeeld onder de commissarissen van Handel, Ontwikkelingssamenwerking, Uitbreiding en Externe Relaties. Tal van diensten opereren onder de bevoegdheid van deze commissarissen, maar niet al deze diensten zijn van dichtbij betrokken bij het uittekenen van het Europese ontwikkelingsbeleid. Soms leidt dat tot spanningen tussen de diensten voor ontwikkelingssamenwerking (DG DEV), handel (DG TRADE) en buitenlandse betrekkingen (DG RELEX).

De Raad en het Voorzitterschap
bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en  de Europese Commissie. Ze vormen het belangrijkste besluitvormingsorgaan.
De werkzaamheden van de Raad, die steeds tracht een consensus te bereiken, worden voorbereid door zogenaamde Coreper-werkgroepen. Deze beleidsvoorbereidende werkgroepen met vertegenwoordigers van de lidstaten vormen de belangrijkste doelgroep voor heel wat lobby- en belangengroepen.

De Raad voor Ontwikkelingssamenwerking
is een tweejaarlijkse vergadering van alle Europese ministers voor Ontwikkelingssamenwerking. Deze raad werd afgeschaft in 2002. Sommige analisten vrezen dat hierdoor de plaats van ontwikkelingssamenwerking grondig is gewijzigd en het gewicht  van de ministers van Ontwikkelingssamenwerking sindsdien sterk is verminderd.

Het Europees Parlement
telt 732 europarlementsleden, waaronder 14 Vlamingen. Het beslist samen met de Raad, en op initiatief van de Commissie, over tal van beleidsdomeinen. Verder oefent het parlement ook controle uit op de Raad en de Commissie.

Tal van Europese Parlementsleden zetelen in vergaderingen met collega’s uit ontwikkelingslanden. Op die manier kunnen ze een belangrijke stem zijn voor het Zuiden. Toch weegt het Europese eigenbelang soms te veel door in de besluitvorming. Kan het Europees Parlement haar kritische stem voor de Noord-Zuid solidariteit behouden? Is het in staat om de Commissie kritisch te ondervragen over het gevoerde beleid ?

Het Hof van Justitie en de Europese Rekenkamer
spelen een belangrijke rol in juridisch en wetgevend opzicht. Daarnaast zien ze toe op de uitgave van middelen.

Andere spelers
Niet alleen de officiële instellingen houden zich bezig met ontwikkelingsbeleid. Naast formele overlegorganen spelen ook ngo-netwerken, studiecentra en consultants, politieke partijen, persagentschappen en  bedrijven een steeds belangrijkere rol in ontwikkelingssamenwerking. Vooral op de agenda, de uitvoering en de opvolging van het Europese ontwikkelingsbeleid drukken ze hun stempel. In de praktijk wordt vaak vertrokken van een dialoog met die nieuwe spelers of worden ze ingezet bij de uitvoering van bepaalde projecten, zowel in Europa als in partnerlanden.

Vraagtekens bij de grootste donor ter wereld

De Europese Unie is een belangrijke bron van financiële en technische hulp aan ontwikkelingslanden. In 2002 trok de EU 6,5 miljard euro uit voor EuropeAid, de EU-dienst voor ontwikkelingssamenwerking. Tel daarbij de miljarden die de lidstaten afzonderlijk uitgeven en Europe is de grootste donor voor ontwikkelingshulp ter wereld.

De Europese Unie hanteert tal van instrumenten en methodes om middelen vast te leggen en uit te geven. Critici plaatsen daar heel wat kanttekeningen bij.

Een eerste kritiek is dat het geven van hulp niet vrij is van Europees eigenbelang. Wie de Europese hulp aan de watersector in Rwanda onder de loep neemt, ziet al snel Duitse en Franse bedrijven opduiken in de herstructurering en privatisering van de verschillende waterbedrijven. De Europese steun aan veeboeren in West-Afrika verdwijnt in het niets door de aanwezigheid van uitzonderlijk goedkoop Europees rundvlees op lokale markten.

Bovendien duiken tal van problemen op bij de uitbetaling van de beloofde middelen, de uitvoering van de complexe procedures en de controle en meetbaarheid van de resultaten van de ontwikkelingshulp. Daarom dringt het Europees Parlement er bij de Commissie regelmatig op aan dat de impact van de interventies door de EU op de lokale bevolking en economie beter wordt gemeten.

Verder haalt de EU lang niet de beruchte 0,7 procent-norm voor ontwikkelingssamenwerking en kunnen ook bij de verdeling van de middelen per sector vragen gesteld worden.
Het overgrote deel van de middelen gaat in de praktijk naar de aanleg van wegen, ondanks het feit dat in tal van beleidsverklaringen prioriteit wordt gegeven aan rurale ontwikkeling en sociale domeinen. In de meeste landen zijn de middelen die de Europese Unie vrijmaakt voor wegen tot 10 keer groter dan de middelen die de EU voorziet voor bijvoorbeeld onderwijs. Maar is de aanleg van wegen echt wel een prioriteit voor de lokale bevolking, of is het veeleer een prioriteit voor grote betonboeren en stedelingen?

Ook de hulprelatie met partnerlanden blijft niet gespaard van kritiek: de meetbaarheid van de effectiviteit van de hulp, de controle en het transparante gebruik van de middelen, de capaciteit op het niveau van de vertegenwoordigers van de EU in de partnerlanden, en de ministeries om het programmeerproces en de uitvoering in goede banen te leiden.
Ook de zware procedures voor aanbestedingen en uitvoering en de soms moeizame communicatie tussen de Europese hoofdzetel in Brussel en de delegaties in de partnerlanden leggen een aantal beperkingen op.

bron: Rein Antonissen/11.11.11


Laatste aanpassing op vr 28 aug 2009
Artikel 1706 keer gelezen
Share/Bookmark

Gerelateerde info

Thema's

Steun 11.11.11


Schenk online
of stort op
BE30 0000 0000 1111


Disclaimer | RSS | Bescherming van de persoonsgegevens
Logo Combell