Arme mensen kunnen m ...
Armen betalen drie k ...
Armen met microkredi ...
Armoedebestrijding - ...
Wie vandaag in megagrote steden als Manila, Mexico City, Nairobi of Sao Paolo rondloopt, wordt geconfronteerd met wantoestanden die de herinnering oproepen aan onze 19de eeuwse industriële revolutie. Sloppenwijken met totaal vervuilde straten, ondervoede kinderen, gebrekkige sanitaire voorzieningen, gevaarlijke en ongezonde werkomstandigheden, kinderarbeid, prostitutie.. Bittere armoede in al haar troosteloze facetten. Maar ook in de geïndustrialiseerde wereld zijn armoede en sociale ongelijkheid lang niet verdwenen.
Zou er sinds de industriële revolutie in het Westen dan eigenlijk niets ten gronde veranderd zijn? Moet men besluiten dat armoede gewoon van alle tijden is? Dat er zoiets als een continue en onuitroeibare vorm van armoede bestaat? Armoede als een onveranderlijk fenomeen over de grenzen van tijd en ruimte heen?
Het antwoord op deze vraag is negatief. Ook al lijkt armoede vroeger en hier heel sterk op armoede nu en daar, toch is er een fundamenteel verschil. Armoede kan vandaag namelijk niet langer gedefinieerd worden als het resultaat van schaarste of van ontoereikendheid van goederen. In onze moderne, geglobaliseerde samenleving vloeit armoede rechtstreeks en volledig voort uit de prioriteiten die de rijken aan deze wereld opleggen. De kloof tussen arm en rijk is geen speling van het lot, geen toeval maar een op de spits gedreven toestand van permanente sociale onrechtvaardigheid met historisch duidelijk aanwijsbare oorzaken.
De kloof, geen speling van het lot
Aan cijfermatige gegevens over armoede in de wereld is er geen gebrek. Jaarlijks rollen er tientallen rapporten van gespecialiseerde instituten en bureaus van de pers met een stortvloed aan statistieken die een objectief beeld schetsen van arm en rijk. Maar welke fundamentele boodschap spreekt uit al die cijfers?
In de huidige wereldorde gaan de ontwikkeling en de welvaart van de enen ten koste van de anderen. Dat is de onvermijdelijke conclusie waartoe je komt als je de kloof tussen arm en rijk analyseert. Nog nooit immers heeft de wereldeconomie een grotere omzet gehaald dan tijdens het voorbije decennium. Tegen het eind van de jaren ‘90 van de vorige eeuw liep de wereldproductie- en consumptie op tot de recordhoogte van zo’n 30 triljoen dollar per jaar. Maar de wereldwijde armoede is er verhoudingsgewijs niet minder om geworden. Integendeel: de kloof tussen arm en rijk wordt alleen maar groter. Meer dan wat ook maakt deze paradox duidelijk dat de ontwikkelingskloof niets anders is dan een totaal ongelijke verdeling van de rijkdommen van de planeet aarde.
Wereldwijde inkomensongelijkheid
Volgens cijfers van de Wereldbank zou bij een gelijke inkomensverdeling van de totale wereldloonmassa voor iedereen 15 euro per dag beschikbaar zijn. Omgerekend naar een herkenbaar familiepatroon betekent dit voor elk gezin met 3 kinderen ter wereld een gemiddeld inkomen van zo’n 2.250 euro per maand.
Dat de realiteit anders is hoeft nauwelijks gezegd. Bijna de helft van de wereldbevolking moet met minder dan 2 euro per dag rondkomen. Een vijfde van de wereldbevolking moet het zelfs met minder dan 1 euro per dag doen. En dat terwijl:
De ongelijke inkomensstructuur is noodzakelijkerwijs sterk bepalend voor het wereldwijde consumptiepatroon. Zo komt het dat de 12 procent van de wereldbevolking die in Noord-Amerika en West-Europa leeft meer dan 60 procent van de wereldwijde consumptie voor zijn rekening neemt. Daar tegenover staat de Zuid-Aziatische regio, goed voor 22 procent van de wereldbevolking, met een aandeel van 2 procent in de wereldconsumptie.
Een hogere consumptie betekent echter ook een grotere ecologische last, niet alleen op het vlak van de benodigde grondstoffen om die consumptiegoederen te produceren, maar ook op het vlak van vervuiling. Ook hier bestaat er een ontzaglijke kloof tussen Noord en Zuid.
De totale geëxporteerde biomassa van ontwikkelings- naar geïndustrialiseerde landen is vandaag ongeveer tien keer zo groot als tijdens het koloniale tijdperk;
Bij een eerlijke verdeling van de ecologisch productieve oppervlakte over de 6 miljard mensen die de planeet telt, is er gemiddeld 1,7 hectare beschikbaar. De gemiddelde Belg heeft echter 6,7 hectare nodig om zijn of haar consumptiepatroon vol te houden, de gemiddelde Amerikaan zelfs 9,7 hectare. Ter vergelijking: de gemiddelde Indiër komt met 0,8 hectare toe... Mocht iedereen leven zoals wij, dan hebben we 3 extra planeten nodig;
Volgens het World Disaster Report 2000 dragen de rijke landen een klimaatschuld met zich mee die vijf keer zo groot is als de derde wereldschuld;
Cijfers van het Human Development Report 2003 tonen dat de 25 OESO-landen samen verantwoordelijk zijn voor meer dan de helft van de wereldwijde koolstofdioxide-uitstoot. Daarvan nemen de VS in hun eentje bijna de helft voor hun rekening (23,2 procent). Het aandeel van regio’s zoals Latijns-Amerika of Afrika ten zuiden van de Sahara beloopt daarentegen resp. 5,4 en 2 procent.
Financiële middelen en consumptie-aandeel mogen dan wel een objectieve maat van armoede en ongelijkheid zijn, de kloof tussen Noord en Zuid gaat om meer dan alleen maar geld. Voedselzekerheid, toegang tot gezondheidszorg en onderwijs zijn op zijn minst even belangrijke parameters om armoede te meten.
Honger versus voedselveiligheid
Eeuwenlang is honger en ondervoeding als een regelmatig terugkerende plaag over de wereld getrokken. Maar alle verbeteringen op het gebied van landbouwtechnieken, gewassenveredeling en voedseldistributie ten spijt blijft ondervoeding ook in onze 21ste eeuw ontelbaar veel slachtoffers maken. Volgens cijfers van de Voedsel en Landbouworganisatie van de VN (FAO) lijden zo’n 800.000 miljoen mensen op onze planeet aan ondervoeding. Elke dag sterven 25.000 onder hen aan de gevolgen van dat -in veel gevallen chronisch- voedseltekort. Kinderen maken daar een onevenredig grote meerderheid van uit: om de 7 seconden sterft ergens ter wereld een kind jonger dan vijf van de honger. Sinds de jaren ‘80 is deze trieste balans nauwelijks veranderd.
Heel concreet betekent ondervoedig een tekort aan calorieën. In de meeste derde wereldlanden ligt het gemiddelde dagelijkse calorieverbruik per persoon dan ook zo’n 10 procent onder het door voedingsspecialisten vastgelegde minimum van 2.500 calorieën. Azië en Afrika blijven de zwaarst getroffen continenten met gemiddelde tekorten van 500 calorieën per dag. In tientallen Afrikaanse en Aziatische landen is bovendien meer dan een derde van de kinderen ondervoed. Tot ondervoeding kan echter ook het tekort aan bepaalde levensnoodzakelijke stoffen als vitaminen en mineralen gerekend worden. Die tekorten zijn de oorzaak van typische ondervoedingsziekten als bloedarmoede (ijzertekort), blindheid (vitamine A-tekort) of keelgezwellen (jodiumtekort).
Gezondheid en levensverwachting
Ook op het vlak van gezondheid en levensverwachting gaapt er een immense kloof tussen Noord en Zuid. Een Belgisch meisje dat in 2003 geboren werd, keek tegen een levensverwachting van 81,9 jaar aan en had maar 6 kansen op 1000 om voor haar 5de levensjaar te sterven. Met die cijfers behoort België tot een van de welvarendste en meest ontwikkelde landen ter wereld. Maar wie het ongeluk had niet in België of in een ander welvarend land geboren te worden -en die kans was nogal groot gezien in 2003 nog niet 1 op de 13 nieuwgeboren baby’s in een ontwikkeld land ter wereld kwam-, die moest zich niet al te veel illusies maken. In landen als India, Haïti of Ivoorkust bedroegen de gemiddelde levensverwachtingen voor vrouwen resp. 64,6, 50 en 41,2 jaar. En de kindersterfte in de groep tot 5 jaar liep er op tot 93, 123 en 176 kinderen per duizend.
Zoveel kinderen hebben als ze wil is voor de meeste vrouwen in India, Haïti of Ivoorkust een onbereikbare wensdroom. De mogelijkheden tot familieplanning zijn er al te vaak onbestaande, en vrouwen huwen (of worden uitgehuwelijkt) er doorgaans op jongere leeftijd. Bovendien zijn het de kinderen die in landen zonder pensioenstelsel de oude dag van hun ouders moeten garanderen. Het gevolg van dit alles? Niet alleen veel hogere geboortecijfers, maar ook een onevenredige verhoging van de risico’s voor moeder en kind. Waar in België 10 vrouwen sterven per 100.000 levende geboorten, daar loopt de mortaliteitsratio voor moeders in Ivoorkust op tot 459, in India tot 540, en in Haïti zelfs tot 661. En waar in België 4 op 1000 kinderen hun eerste levensjaar niet overleven, daar liggen ook die cijfers 10 tot 25 keer hoger in de drie vernoemde landen (36 voor Haïti, 64 voor India en 101 voor Ivoorkust). Tenslotte is ook het aantal geboorten in totale afwezigheid van geschoold medisch personeel er bijzonder hoog: 53 procent in Ivoorkust, 58 procent in India en 37 procent in Haïti...
Maar in een wereld waar 80 procent van al het geld dat beschikbaar is voor gezondheidszorg besteed wordt in landen waar samen nog geen 20 procent van de wereldbevolking leeft, moeten deze dramatische statistieken uiteindelijk geen verwondering wekken.
Onderwijs
Ondanks de vele en herhaalde inspanningen op het vlak van alfabetisering en scholingsgraad en -beleid blijft ook hier de kloof tussen arm en rijk heel tastbaar. Waar in de geïndustrialiseerde wereld de alfabetiseringsgraad de 100 procent benadert voor zowel mannen als vrouwen, daar ligt dat percentage in de ontwikkelingslanden op 81 voor mannen en 67 voor vrouwen. In de groep van minst ontwikkelde landen zakt dat percentage tot resp. 62 en 42.
Een gelijkaardig beeld levert de scholingsgraad op lager onderwijsniveau op: tegenover de 98 procent in landen met hoge menselijke ontwikkeling staan de landen met middelmatige tot lage ontwikkeling met resp. 88 procent en 59 procent. Voor de scholingsgraad op het niveau van middelbaar en hoger onderwijs liggen de zaken al een stuk moeilijker want -symptomatisch- voor heel veel ontwikkelingslanden zijn geen cijfers voor handen. Niettemin geven de weinige beschikbare cijfers een zeer duidelijke neerwaartse tendens naarmate men het klassement afloopt. Scholingspercentages (middelbaar onderwijs) onder de 20 zijn er helemaal geen uitzondering, met landen als Mozambique (9 procent), Tsjaad (8 procent) of Niger (5 procent) als pijnlijke dieptepunten.
Ook het aantal leerlingen per leerkracht in het lager onderwijs verschilt sterk van land tot land. Zo zitten in de groep hoge inkomenslanden gemiddeld 16 leerlingen in een klas tegenover 50 in de lage inkomenslanden.
En wie helemaal niet of maar af en toe naar school gaat is in de meeste gevallen aan het werk. Kinderarbeid is inderdaad de wereld nog lang niet uit. In de ontwikkelingslanden zijn naar schatting meer dan 250 miljoen kinderen tussen 5 en 14 jaar aan het werk.
Onderwijs blijft nochtans een van de beste garanties op een menswaardig bestaan. Ongeletterden en laaggeschoolden blijven immers veel meer kans maken om in armoede te vervallen (of veel minder kans om aan de armoede te ontsnappen als ze arm geboren zijn) alleen al omdat ze makkelijker werkloos, chronisch ziek, dakloos of ondervoed kunnen worden.
Maar ook hier volgen de cijfers logischerwijs uit de prioriteiten die landen moeten leggen op het vlak van hun openbare uitgaven. Waar de OESO-landen gemiddeld budgetten van om en bij 5 procent van hun bnp kunnen vrijmaken voor onderwijs en gezondheidszorg, daar zakt dat percentage in de lage-inkomenslanden tot gemiddel 1 procent. Want voor het gros van die landen komt er een extra betalingspost bij: de afbetaling van de schulden. In veel gevallen is het percentage van het bnp dat naar schuldaflossing gaat een veelvoud van de budgetten voor onderwijs en gezondheid, wat de budgettaire ruimte voor openbare dienstverlening ernstig ondermijnt.
Gender
Opmerkelijk is dat de wereldwijde kloof tussen arm en rijk niet iedereen op gelijke wijze treft. Armoede en ongelijkheid treft inderdaad één groep in het bijzonder, en dat zijn de vrouwen. Ondanks tal van positieve signalen en reële vooruitgang blijft de positie van de vrouw wereldwijd onder grote druk staan. Het is geen overdrijving te stellen dat in geen enkel land ter wereld de levenskwaliteit van de vrouw zelfs maar gelijk is aan die van de man. Enkele cijfers volstaan om dit aan te tonen:
Vrouwen zijn de armsten onder de armen: van de 1,3 miljard mensen die in absolute armoede leven is 70 procent vrouw;
Twee derde van de 860 miljoen analfabete volwassenen zijn vrouwen;
Voor hetzelfde werk verdienen vrouwen wereldwijd gemiddeld meer dan 25 procent minder dan hun mannelijke collega’s. Met slechts 29 procent minder staat Denemarken op kop. In Groot-Brittannië loopt dat gemiddelde al op tot 37 procent. En in Ierland zelfs tot 60 procent. Hekkensluiter zijn de Verenigde Arabische Emiraten met 79 procent. Voor de meeste Afrikaanse landen zijn evenwel geen cijfers beschikbaar;
Geweld tegen vrouwen is endemisch geworden: van huiselijk geweld, over verkrachting tot eremoorden en bruidschatmoorden, jaarlijks zijn honderdduizenden vrouwen slachtoffer van diverse vormen van mannelijk geweld. En dit alles in een klimaat van relatieve straffeloosheid voor de daders;
Op het vlak van gezondheidszorg, en in het bijzonder waar het op reproductieve gezondheidszorg aankomt, zijn vrouwen kwestbaarder dan mannen. Maar in veel te weinig landen wordt specifiek rekening gehouden met de risico’s verbonden aan de zwangerschap. Jaarlijks sterven niet minder dan 525.000 vrouwen aan verwikkelingen tijdens hun zwangerschap of tijdens de geboorte. Met minimale inspanningen zouden bijna al deze vrouwen gered kunnen worden.
Het welvarende Noorden?
Armoede en ongelijkheid mogen dan wel het hardst de derde wereldbevolking treffen, ook in het ontwikkelde Noorden vallen steeds meer mensen uit de welvaartsboot. In Europa en de VS leven bijna honderd miljoen mensen onder de armoedegrens. En nog eens vele tientallen miljoenen werklozen, migranten, laaggeschoolden, ontheemden... voeren een dagelijks gevecht tegen armoede, honger, dakloosheid en sociale uitsluiting. Alleen al de cijfers voor België spreken boekdelen:
Meer dan 13 procent van de Belgen leven onder de armoedegrens (vastgesteld op 60 procent van het gemiddelde inkomen);
Zo’n 6 procent van de Belgische bevolking leeft in een woning met minimaal twee van de volgende gebreken: lekkend dak, schimmel en vocht, rottende ramen en deuren, geen adequate verwarming.
In een tiende van de Belgische huishoudens moet medische verzorging omwille van financiële problemen worden uitgesteld;
In de periode 1992-2002 is het aantal begunstigden van de Belgische voedselbanken meer dan verdubbeld. De ingezamelde hoeveelheden zijn zelfs verdrievoudigd. In 2002 werd niet minder dan 6.620 ton voedsel verdeeld onder 97.000 mensen;
Anno 2003 was één op de zeven Belgen laaggeletterd. Dit houdt in dat deze mensen onvoldoende kunnen lezen en schrijven om mee te zijn in een kennismaatschappij die steeds hogere schriftelijke vaardigheden eist.
Dankzij zijn welvaartssysteem met sociaal vangnet, blijft de kloof tussen arm en rijk in België weliswaar relatief klein. De zgn. Gini-index, de indicator die de inkomens- en consumptieongelijkheid binnen een land weergeeft, bedraagt voor België 25, en dat is zowat de laagst mogelijke waarde. En daarmee ontsnapt België tot nader order aan de wereldwijde tendens waarbij de ongelijkheid tussen armen en rijken binnen landen steeds sterker wordt.
In het merendeel van de OESO-landen (op de Scandinavische landen en Japan na) worden immers Gini-waarden boven de 30 opgetekend. In de VS is dat zelfs 40,8. In de meeste ontwikkelingslanden liggen de Gini-waarden boven de 45. Met absolute uitblinkers in Centraal- en Latijns-Amerika: Colombia (57,1), Chili (57,5), Paraguay (57,7), Honduras (59,0), Brazilië (60,7). In die landen bezitten de 10 procent rijksten ongeveer de helft van rijkdom, terwijl de 10 procent armsten het dikwijls met minder dan 1 procent van de rijkdom moeten stellen.
Bron: uittrekstel uit 'Feiten en Ontwikkelingssamenwerking', verschijnt binnenkort bij 11.11.11.