Skip to content
Beeld
Vaste schermresolutie Vloeiende schermresolutie Groter lettertype Kleiner lettertype Standaard grootte lettertype


Belgische Ontwikkelingssamenwerking

Aangebracht door 11.11.11 op vr 14 mei 2004

1. De federale ontwikkelingssamenwerking

De Belgische ontwikkelingssamenwerking heeft het voorbije decennium grondige wijzigingen ondergaan. Het begon allemaal met een aantal schandalen die in 1995 aan het licht kwamen. Een artikelenreeks in de krant De Morgen nam allerlei volstrekt nutteloze projecten, de zogenaamde witte olifanten waarvan de ontwikkelingsrelevantie ver te zoeken was, op de korrel. Eén ding hadden de projecten gemeen: vooral bedrijven in het Noorden werden er beter van, de partnerlanden hadden er niets aan of ondervonden zelfs schade. De schandalen deden de Belgische ontwikkelingssamenwerking op haar grondvesten daveren en leidden tot een hele reeks hervormingen, zowel inhoudelijk als institutioneel.

De Wet op de Internationale Samenwerking
In 1999 werden de prioriteiten en basisprincipes van de Belgische ontwikkelingssamenwerking in een wet vastgelegd, waarmee België zijn internationaal samenwerkingsbeleid een duidelijk wettelijk kader verleende. De wet werd op 25 mei 1999 door de Kamer van Volksvertegenwoordigers goedgekeurd en verscheen in het Belgisch Staatsblad van 1 juli 1999.

Enkele belangrijke elementen van deze wet:

  • Het doel van de internationale samenwerking wordt gedefinieerd door begrippen als armoedebestrijding, duurzame menselijke ontwikkeling, partnerschap en ontwikkelingsrelevantie.
  • Om de ontwikkelingsrelevantie te definiëren, steunt de wet op de criteria die werden gedefinieerd door het Comité voor Ontwikkelingshulp (DAC) van de OESO: relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie, impact en leefbaarheid.
  • De wet geeft gestalte aan geografische concentratie: de wet beperkt de bilaterale samenwerking tot maximum 25 landen (of regionale organisaties van landen), geselecteerd op basis van zeven criteria die de wet voorschrijft. Voor elk van deze landen wordt een strategienota uitgewerkt. In 2004 werd het aantal partnerlanden bij koninklijk besluit verder beperkt tot 18 partnerlanden. Als gevolg van deze concentratiepolitiek heeft België zich intussen als donor uit een aantal landen teruggetrokken, maar de aangegane bilaterale akkoorden worden wel nageleefd en afgerond. Momenteel werkt België samen met volgende partnerlanden: Algerije, Benin, Bolivia, Burundi, DR Congo, Ecuador, Mali, Niger, Palestijnse gebieden, Peru, Rwanda, Marokko, Mozambique, Senegal, Tanzania, Uganda, Vietnam en Zuid-Afrika.
  • De wet definieert een sectorale en thematische concentratie. De bilaterale samenwerking is nu beperkt tot vijf sectoren: basisgezondheidszorg, vorming en onderwijs, landbouw en voedselveiligheid, basisinfrastructuur en maatschappijopbouw (onder meer door conflictpreventie). Daarnaast worden 4 transversale thema's benoemd waarmee doorheen alle sectoren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking rekening gehouden moet worden: gelijke kansen en rechten voor mannen en vrouwen (gender), zorg voor het leefmilieu, de promotie van sociale economie en kinderrechten. De actualiteit zorgt er ook voor dat er nog andere thema's prominent op de agenda van de Belgische ontwikkelingssamenwerking terecht komen. De Millenniumdoelstellingen (Millennium Development Goals of MDG's), bijvoorbeeld, zijn pas aangenomen in 2000, na de wet dus ende discussie over migratie en ontwikkeling duikt steeds weer op.
  • Ook de multilaterale samenwerking en de samenwerking via niet-gouvernementele partners worden gedefinieerd in de wet.

 

Momenteel wordt de wet betreffende de Belgische ontwikkelingssamenwerking herzien. Enerzijds wordt de wet geactualiseerd omdat het internationale denken over ontwikkelingssamenwerking sinds 1999 is gewijzigd. Anderzijds worden een aantal lacunes in de wet ingevuld. Zo wordt bijvoorbeeld in de huidige wet niet gesproken over humanitaire samenwerking.

 

Institutionele structuur: DGOS en BTC
Institutioneel leidden de hervormingen ook tot een aanpassing van de Belgische instellingen voor ontwikkelingssamenwerking, namelijk tot een opsplitsing van het vroegere Algemeen Bestuur voor
Ontwikkelingssamenwerking (ABOS) in de beleidsvoorbereidende Directie-Generaal voor Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) en in de Belgische Technische Coöperatie (BTC) die instaat voor de uitvoering van de programma's. Zo werden het beleid en de uitvoering van elkaar gescheiden. DGOS werd bovendien geïntegreerd in de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, maar valt rechtstreeks onder de bevoegdheid van de minister van Ontwikkelingssamenwerking. De huidige minister van Ontwikkelingssamenwerking is Charles Michel (MR).

Het budget voor ontwikkelingssamenwerking: België en de 0,7%
De Belgische ngo-sector eist reeds decennialang dat België de internationale verplichting om 0,7% van het BNI te besteden aan ontwikkelingssamenwerking nakomt. Sinds 2002 is het Belgische engagement om de 0,7%-norm te halen wettelijk verankerd in een programmawet. Die stelt dat de regering via een jaarlijks volgehouden stijging de 0,7%-norm vanaf 2010 moet bereiken. Hoe ze dat zal doen, moet ze jaarlijks uitleggen in een solidariteitsnota bij de begroting.
In 2008 bedroeg de Belgische officiële ontwikkelingssamenwerking (ODA) ongeveer 1,650 miljard euro ofwel 0,48% van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI). ODA verwijst naar de som van alle uitgaven die volgens de ODA-criteria van het Comité voor Ontwikkelingshulp (DAC) van de OESO beschouwd mogen worden als ontwikkelingssamenwerking. Voor 2009 ziet het er voorlopig naar uit dat 0,56% gehaald zal worden. Dit betekent een mooie stijging die grotendeels gerealiseerd wordt via een effectieve stijging van de budgetten voor DGOS, maar het blijft minder dan de 0,6% die voor dat jaar vooropgesteld werd.

De ngo-sector was tevreden om in het najaar van 2009 te vernemen dat de regering in de begroting voor 2010 voldoende middelen voorziet om de 0,7%-doelstelling te kunnen halen. Er moet echter gewaarschuwd worden voor het grote aandeel van schuldkwijtscheldingen waarop gerekend wordt om dit cijfer te halen. Schuldkwijtschelding is een goede zaak, maar het is belangrijk om weten dat een dergelijke operatie een vertekend beeld geeft van de Belgische geldstromen naar het Zuiden. Ze kosten de Belgische overheid niets en leveren de betrokken landen veel minder op dan de cijfers doen vermoeden. Bovendien kan in 2011 niet langer gebruik gemaakt worden van deze schuldkwijtscheldingen, waardoor het een nog grotere uitdaging wordt om ook in de jaren na 2010 de 0,7% vast te kunnen houden.


2. De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking
Ontwikkelingssamenwerking: een Vlaamse bevoegdheid?
Sinds de Sint-Michielsakkoorden van 1993 zijn de gemeenschappen en gewesten ook bevoegd voor de buitenlandse aspecten van hun bevoegdheidsdomeinen, volgens het principe "in foro interno, in foro externo". De Raad van State oordeelde eind 2002 dat dit wel degelijk ook slaat op ontwikkelingssamenwerking, voor zover het over sectoren en thema's gaat die binnen de binnenlandse bevoegdheidsdomeinen vallen. Deze zijn echter heel ruim en bevatten heel wat voor ontwikkeling relevante sectoren. De federale overheid behoudt echter een omvattende bevoegdheid voor ontwikkelingssamenwerking, omdat ontwikkelingssamenwerking niet enkel een sectoraal of thematisch opgedeelde bevoegdheid is, maar ook een bevoegdheid op zich. Gelukkig lijken de federale overheid en de Vlaamse overheid elkaars bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking op dit moment veel meer te aanvaarden en te respecteren.

Partnerschappen tussen gelijkwaardige overheden kunnen ertoe bijdragen dat regio's, provincies of districten in het Zuiden beter hun opdrachten van dienstverlening en ontwikkelingsbeleid kunnen waarmaken. Hierbij moet wel voorkomen worden dat een reeds heel divers donorlandschap nog verder versnipperd. Ook decentrale overheden die zich op het pad van de ontwikkelingssamenwerking wagen moeten zich dus inschrijven in de wereldwijde afspraken om tot meer doeltreffende ontwikkelingssamenwerking te komen. Op Belgisch niveau betekent dit onder meer dat er overleg georganiseerd wordt tussen de federatie enerzijds en de gemeenschappen en gewesten anderzijds en dat er een aantal bindende afspraken gemaakt worden, vooral wat betreft ontwikkelingslanden waar beiden actief zijn.

Institutionele structuur: DiV en VAIS
Net als bij de federale ontwikkelingssamenwerking is er ook op Vlaams niveau een opdeling van de planning en de evaluatie van het beleid enerzijds en de uitvoering van het beleid anderzijds. Het Departement internationaal Vlaanderen (DiV) is, samen met de minister, verantwoordelijk voor de beleidsvoorbereiding en voor de evaluatie. Voor de beleidsuitvoering werd in 2006 het Vlaams Agentschap voor Internationale Samenwerking (VAIS) opgericht. Dit agentschap staat niet enkel in voor de uitvoering van het beleid in het Zuiden, maar ook voor de activiteiten in Vlaanderen zelf.

Partnerschappen en sectoren
De realisatie van de Millenniumdoelstellingen vormt een leidraad doorheen het Vlaamse ontwikkelingsbeleid. De Vlaamse bijdrage of ODA (Official Development Assistance) concentreert zich op extreme armoede en honger (MDG 1), gezondheidszorg (MDG 4-6) Ecologische duurzaamheid (MDG 7) en het partnerschap voor ontwikkeling (MDG 8).

In de Verklaring van Parijs (2005) en de Accra Actie Agenda (2008) gingen donoren een engagement aan om de hulp beter af te stemmen op de ontwikkelingsplannen en administratieve procedures van de ontvangende landen. Een arbeidsdeling onder donoren dient de transactiekosten te verminderen en de hulpinspanningen evenwichtiger te spreiden en te coördineren. Vlaanderen verbindt zich ertoe deze internationale afspraken aangaande de effectiviteit van de hulp na te leven.

Om versnippering tegen te gaan en een maximale efficiëntie na te streven, is het noodzakelijk om de inspanningen zorgvuldig te concentreren. Deze concentratie kreeg de voorbije jaren gestalte door af te stappen van kleinschalige projectfinanciering, aanwezig te zijn in een beperkt aantal landen en binnen een beperkt aantal sectoren samen te werken.

Geografisch ligt de nadruk op zuidelijk Afrika, met Mozambique, Malawi en Zuid-Afrika als bilaterale partners. Daarnaast werkt de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking samen met een aantal multilaterale partners (o.a. Unicef, UNAIDS, WHO). Vlaanderen focust zich sectoraal op Landbouw, Voedselzekerheid, Gezondheidszorg, Ondernemerschap & Tewerkstelling en Handel & Ontwikkeling. Bovendien engageert de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking zich voor vijf transversale thema's: kinderrechten, goed bestuur, duurzame ontwikkeling, gender en hiv/aids.

Er zijn twee manieren om aan de Noord-Zuidproblematiek te werken. Enerzijds door in te zetten op veranderingen in het Zuiden, anderzijds door zaken te veranderen in het Noorden. De link tussen wat er in het Zuiden en in het Noorden moet gebeuren, is geïntegreeerd in de millenniumdoelstellingen. De eerste zeven millenniumdoelstellingen zijn gericht op het doorvoeren van structurele veranderingen in het Zuiden, de laatste millenniumdoelstelling heeft betrekking op het Noorden.

Werken aan draagvlakversterking in Vlaanderen
De Vlaamse overheid streeft ernaar om die vermaatschappelijking van internationale samenwerking verder aan te moedigen en zo het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking te verbreden. Daarnaast wil ze het goede voorbeeld geven door initiatieven rond duurzame handel voluit te ondersteunen.

VAIS steunt de media die de burger kunnen informeren over de Noord-Zuidproblematiek. Vrijwilligers die zich inzetten voor een project in het Zuiden, de 4de pijlers, wil VAIS via een steunpunt met elkaar in contact brengen. Zo kunnen ze van elkaar leren. Het 4depijlersteunpunt verleent bovendien advies en informatie.

Een lokaal bestuur is goed geplaatst om zijn inwoners te laten kennismaken met Noord-Zuidthema's. Bovendien is de gemeente een ontmoetingsplaats voor verschillende lokale spelers, zoals 4depijlerorganisaties, ngo's en geëngageerde burgers. Gemeenten van hier en gemeenten in het Zuiden kunnen ook op het vlak van goed bestuur van elkaar leren. Daarom steunt VAIS gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking.

VAIS verleent steun aan diverse organisaties die educatieve Noord-Zuidprojecten oprichten. Ontwikkelingseducatie wil bijdragen tot een beter begrip van de wereld om ons heen, met bijzondere aandacht voor de Noord-Zuidverhoudingen. Vernieuwende projecten rond actuele thema's (zoals klimaat) krijgen specifieke aandacht.

De middelen
In het Pact 2020 (Vlaanderen in Actie) engageert Vlaanderen zich om tegen 2020, samen met alle decentrale besturen, minstens 7% van de totale Belgische hulpinspanning te leveren. Dit veronderstelt een verdriedubbeling van de Vlaamse ODA-uitgaven.


3. De provinciale ontwikkelingssamenwerking

De 5 Vlaamse provincies leveren ook elk op hun manier een aantal inspanningen voor ontwikkelingssamenwerking. Zo werden er in de meeste provincies middelen voorzien om ontwikkelingsprojecten in het Zuiden te ondersteunen, maar de bedragen die daarvoor beschikbaar zijn, lopen sterk uiteen. Daarnaast besteden de meeste provincies ook aandacht aan hun eigen voorbeeldrol naar de bevolking toe. Ze doen dit bijvoorbeeld door aandacht te hebben voor de duurzaamheid van de producten die ze aankopen. Tenslotte ondersteunen de provincies heel wat initiatieven om het draagvlak voor ontwikkelingsamenwerking en de kennis bij de bevolking over de oorzaken van armoede en onderontwikkeling te vergroten.


4. De gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking

Net zoals goed werkende nationale besturen cruciaal zijn om tot duurzame ontwikkeling te komen, is dit ook zo voor lokale overheden. Gemeenten staan het dichtst bij de bevolking en zijn dus goed geplaatst om een samenwerkingsverband aan te gaan met degenen die zich in de gemeente inzetten rond ontwikkelingssamenwerking. Het behoort tot de opdracht van lokale besturen om internationale thema's te duiden en te vertalen naar de bevolking en voor rechtvaardige wereldverhoudingen en democratie op te komen. Via informatie en educatie moet de gemeente haar burgers bewustmaken en sensibiliseren. 11.11.11 vraagt dat gemeenten het goede voorbeeld geven door te kiezen voor een duurzaam beleid dat getuigt van solidariteit met het Zuiden. Zowel de federale als de Vlaamse overheid hebben een programma waarbij gemeenten ondersteund worden om hun ontwikkelingssamenwerking uit te bouwen. Beide programma's leggen sterk de nadruk op bestuurlijke samenwerking en uitwisseling, maar toch zijn er een aantal belangrijke verschillen tussen beide programma's.

Het Vlaamse programma
Het Vlaamse programma vertrekt van convenants gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking. Daarbinnen is zowel plaats voor de uitbouw van een directe samenwerking met een zuidelijke partnergemeente als voor sensibilisatie én capaciteitsopbouw. De directe samenwerking met een gemeente in het zuiden is geen must om een convenant te kunnen afsluiten met de Vlaamse overheid. De voorbije jaren werd voor de convenants tellkens ongeveer 1,5 miljoen euro uitgetrokken. In april 2004 werd het decreet "convenants gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking" goedgekeurd. Dit zorgt voor een duidelijker kader. Gemeenten moeten een schepen en een aparte begrotingspost voor ontwikkelingssamenwerking hebben en een duidelijk actiepan opstellen alvorens ze een convenant kunnen afsluiten. Verder moeten ze de gemeentelijke Noord-Zuidraad bij hun beleid betrekken en wordt een regelmatige evaluatie opgelegd. De gemeenten moeten ook bereid zijn om een percentage van de te maken kosten te dragen uit eigen middelen.

Het federale programma
Binnen het federale programma wordt enkel de directe samenwerking tussen de gemeenten in Noord en Zuid ondersteund en niet het geheel van het gemeentelijke Noord-Zuidbeleid (wat wel het geval is in het Vlaamse programma). Er wordt geen eigen bijdrage van de gemeenten verwacht. Ook hier ligt het accent sterk op de bestuurlijke samenwerking. Vertrekkend vanuit de specifieke expertise die de Vlaamse gemeenten in huis hebben, wordt met de partnergemeente gestreefd naar een verhoogde toegankelijkheid van de publieke dienstverlening op lokaal niveau, betere participatiemogelijkheden voor de lokale bevolking, en het creëren van kansen voor een duurzame lokale economische ontwikkeling. De gemeenten die instappen in dit programma concentreren zich op de thema's jeugd, milieu en lokale economie.


Laatste aanpassing op wo 15 sep 2010
Artikel 6902 keer gelezen
Share/Bookmark

Gerelateerde info

Thema's

Steun 11.11.11


Schenk online
of stort op
BE30 0000 0000 1111


Disclaimer | RSS | Bescherming van de persoonsgegevens
Logo Combell