Broederlijk Delen ne ...
Burgerparticipatie i ...
Burundese overheid l ...
Business as usual in ...
Business as usual in Hong Kong
Commentaar van Marc Maes
Woensdag 14 december
Het is weer één en al déjà vu hier in de zesde WTO-conferentie:
Ministers van de rijke landen geven persconferenties over hoeveel belang ze toch wel hechten aan ontwikkeling; en hoe belangrijk het is om technische hulp te geven aan ontwikkelingslanden.
Ondertussen vinden ze wel dat het vooral de ontwikkelingslanden zijn die het meest moeten liberaliseren, want zij zelf hebben al zoveel gedaan, en bovendien moet ze toch ook beter worden van deze ronde. Het zijn dus vooral de anderen die zich soepeler moeten opstellen.
Ondertussen houden alle ministers dagenlang één na één lange speeches voor een lege zaal (dat is het namelijk het belangrijkste officiële en formele agendapunt van deze conferentie).
Alle andere vergaderingen zijn informeel: er wordt niets van genoteerd, en je weet ook nooit op voorhand wanneer ze plaats vinden. In het officiële gedeelte van het conferentiecentrum hangen namelijk grote schermen, en daar verschijnt de agenda van de vergaderingen op. Delegaties krijgen die agenda ook niet toegestuurd naar hun hotel. Er moet dus altijd iemand in het centrum blijven om te zien of er niet plots één of andere vergadering is.
Veel interessants wordt er in die vergaderingen trouwens niet gezegd. Ze zijn ook erg kort. De voorzitter van de conferentie (de minister van gastland Hong Kong), heeft namelijk een aantal ministers van andere landen naast zich als zijn medewerkers (“friends” heet men dat hier). Die “friends” ontvangen de hele dag hun collega’s om hen te vragen hoe ze tegen de verschillende onderhandelingsthema’s aankijken. In een eerste vergadering kondigen ze aan dat ze dat gaan doen, en dan is de vergadering afgelopen; in een volgende vergadering een dag later brengen ze dan een vaag verslag uit. Dat klinkt meestal zo: “ik heb zowel individuele als groepsgesprekken gehad; sommigen vonden dat de ontwerptekst te ver gaat, anderen daarentegen dan de tekst niet ver genoeg gaat; ik zal mijn consultaties verder zetten”.
Om vijf uur is er dan een vergadering van alle delegatieleiders (maar iedereen gaat er naar toe), en daar doen al die “friends” nog eens allemaal één voor één die zelfde uitleg; tenminste nadat de voorzitter nog eens heeft benadrukt dat dit een open onderhandelingsproces is waar iedereen aan kan deelnemen, en dat om de grootst mogelijke transparantie te verzekeren, er elke dag om vijf uur op deze manier verslag zal gedaan worden.
Één grote komedie dus: zowel de lange speeches van de ministers (die allemaal in de analen van de WTO opgenomen worden); als de nietszeggende vergaderingen en het geblaat over het “transparante onderhandelingsproces”.
Want ondertussen wéét iedereen dat er druk onderhandeld wordt achter de schermen, in bilaterale ontmoetingen en “green rooms” (exclusieve en informele vergaderingen van de belangrijkste WTO-leden, aangedikt met aantal andere landen waarvan niemand ooit weet wie waarom wel en dan weer niet mag meedoen).
Dus wachten de meeste delegatieleden gewoon af wat er gaat gebeuren, wanneer er uit die Green Rooms plots een resultaat gaat te voorschijn komen. Dikwijls wordt dat trouwens door de friends gebracht die de Green Rooms tegenwoordig voorzitten. Daarom doet iedereen gewoon mee aan die speeches en die “friends”-vergaderingen: dan duurt het wachten niet zo lang en blijft de spanning er ook wat in: wie weet zegt zo een “friend” plots iets wat belangrijk is…
Andere bezigheid is natuurlijk ook roddelen en geruchten verspreiden. Dat gebeurt ook bewust als onderhandelingstactiek: “Brazilië zou gezegd hebben dat…”, “De ACP-landen zouden deze tekst toch al aanvaard hebben”, enz. Zo brengt men landen aan het twijfelen of het nog wel de moeite loont om aan hun standpunt vast te houden.
Een belangrijke andere bezigheid is dus voortdurend vergaderen met de eigen groep om te zien of iedereen nog op dezelfde lijn zit: de Afrikaanse landen; de ACP landen; de G10 (rijke landen die hun landbouw subsidiëren maar niet veel uitvoeren); de G20 (vooral grotere ontwikkelingslanden die blok vormen tegen de subsidies van de rijke landen); de G33 (vooral kleinere ontwikkelingslanden die hun landbouw willen beschermen tegen goedkope importen); de G90 (ACP landen plus Afrikaanse landen plus minstontwikkelde landen); de G90-G33-G20 allemaal samen om er voor te zorgen dat ze door EU en VSA niet tegen elkaar worden opgezet; en tenslotte de G25 (25 van de rijkste landen ter wereld die hun landbouwproducten willen subsidiëren en beschermen, en tegelijk toch ook uitvoeren en die ontwikkelingslanden onder druk zetten om hun markten te openen op meer diensten en industriële te kunnen verkopen, kortom de EU). De EU is permanent in vergadering. De Europese Ministerraad opent in het gastland van de ministerconferentie op de eerste dag een zitting die pas na de afloop van de conferentie gesloten wordt. Elke dag zijn er bovendien nog Europese werkgroepvergaderingen waar de experten van de lidstaten aan deelnemen.
Business as usual dus, behalve dat dit toch één van de eigenaardigste WTO-conferenties die ik al meegemaakt heb. Niemand weet namelijk goed waarover het hier eigenlijk gaat.
Oorspronkelijk was het de bedoeling om hier 2/3 van de weg af te leggen, van de Doharonde dus. Maar die ambitie werd begin november teruggeschroefd. De Algemene Raad van de WTO in Geneve heeft een ontwerptekst naar Hong Kong gestuurd waar niet veel over kan gediscussieerd worden omdat hij vooral veel zinnen bevat à la “we zijn goed bezig en we moeten daar nog mee verder doen”. Er staat met ander woorden te weinig in en zeker te weinig concrete stappen vooruit.
De EU wil nog wel vooruitgang boeken, maar zonder dat er sprake mag zijn van cijfers. En daar gaat het natuurlijk precies over in de WTO: met hoeveel procent zullen invoertarieven en subsidies naar beneden gaan? En tegen wanneer? enz.
Maar geen cijfers dus. De vraag is wat dan wel? De EU spreekt van “halfweg-modaliteiten”, maar niemand weet wat dat wil zeggen. Zeker in de landbouw niet, daar wil iedereen gewoon die einddatum weten van de afschaffing van de Europese exportsubsidies, en in welke mate de EU haar landbouwmarkt zal openen (daarom juist wil de EU van geen cijfers horen; ze wil zich niet laten vastpinnen).
In NAMA (industriële producten) kan je wel min of meer zonder cijfers concretere afspraken maken. Hoewel: het gaat er dan toch weer over, of de formule voor de vermindering van de tarieven, één of twee (pas op: cijfers!!) coëfficiënten zal bevatten (één voor het Noorden, één voor het Zuiden). Maar het gaat ook over de vraag of er naast deze twee coëfficiënten, nog bijkomende flexibiliteit is voor de ontwikkelingslanden of niet (of ze uitzonderingen op de regel krijgen).
In GATS daarentegen kan je een reuzensprong maken zonder één cijfer te noemen. Nu mogen alle WTO-landen zelf beslissen, of ze en, hoe ze, hun diensten liberaliseren. De EU is daar niet gelukkig mee want dat levert te weinig op voor de Europese dienstenindustrie. Dus moet de druk worden opgevoerd om landen er toe aan te zetten wél veel te liberaliseren en dan nog liefst op de manier die de EU het best uitkomt. Zoals ik al eerder uitlegde is dát de echte inzet van Hong Kong: een doorbraak forceren in de GATS-onderhandelingen. Maar dat wil de EU niet gezegd hebben. Ze laat het gerucht circuleren dat ze fameuze “Annex C” (waarin de nieuwe GATS-methode staat) aanvaardt zoals ze is. Maar ontwikkelingslanden vertellen ons dat de EU achter de schermen wél druk uitoefent om de bepalingen van Annex C nog aan te scherpen, vooral op het vlak van investeringen. In ruil zou de EU dan bereid zijn “halfweg modaliteiten” te aanvaarden in de landbouw (maar wel zonder cijfers??).
Dit alles om te zeggen dat het gewoon koffiedik kijken is om te weten wat er hier te gebeuren staan. Zelfs op vlak van het “ontwikkelingspakket” dat de EU graag op de voorgrond schuift is er niet veel duidelijkheid:
- de rijke landen zeggen wel dat ze veel geld gaan besteden aan “Aid for Trade”, maar het is niet duidelijk of het hier gaat over vers geld, of geld dat al een keer beloofd is, of erger nog: geld dat eigenlijk bij andere ontwikkelingsdoelen wordt weggehaald, en dat dan nog eens moeten dienen om er voor te zorgen dat de ontwikkelingslanden hun liberaliseringengagementen goed en snel uitvoeren (zodat de producten van de rijke landen snel naar binnen kunnen) in plaats van te dienen voor de versterking van de productiecapaciteiten van de ontwikkelingslanden.
- De rijke landen en een aantal grotere ontwikkelingslanden zouden hun markten volledig en zonder voorwaarden openstellen voor de minstontwikkelde landen, maar er zijn nog geen concrete engagementen genomen. Misschien willen de rijke landen zich er eerst van vergewissen dat de minstontwikkelde landen niet gaan dwars liggen op één of ander belangrijk onderhandelingsthema.
- Katoen: de Afrikaanse katoenlanden hebben woensdagavond zeer geëmotioneerde speeches gehouden over het trieste lot van hun katoenboeren en de nogmaals geëist dat de VSA hun katoensubsidies zouden afschaffen. De VSA heeft geantwoord dat ze daar mee bezig zijn, maar dat dit de Afrikaanse katoenboeren niet veel zal helpen, en bovendien dat dit vooral binnen de algemene landouwonderhandelingen moet aangepakt worden. De VSA heeft dus op haar beurt anderen opgeroepen om die onderhandelingen te doen vooruitgaan.
- Bananen: Latijns-Amerikaanse landen hebben nadien de EU verweten dat het nieuwe Europese invoertarief voor hun bananen onrechtvaardig hoog ligt; waarop de ACP landen hebben gerepliceerd dat hij niet lager mag zijn, want dat anders hun bananenboeren er aan gaan. Het probleem is dat zonder de Latijns-Amerikaanse bananenlanden de EU geen consensus zal vinden in de WTO om de nieuwe Europese bananentarieven te doen aanvaarden. De EU zal dus verplicht worden om met hen een tarief af te spreken, maar die zal onvermijdelijk te laag zijn om de ACP-bananen te beschermen. De ACP-landen dreigen dus nog maar eens de pineut te worden (ze kregen onlangs al een harde klap te verwerken met de verlaging van de Europese suikerprijs).
Katoen en bananen tonen nog maar eens aan dat de vrije markt voor dit soort producten alleen maar uitdraait op een spiraal van overproductie en neerwaartse prijzen. Het enige wat cacaoboeren, koffieboeren, bananenboeren, katoenboeren kan redden is productiebeheersing en nieuwe grondstoffenakkoorden; maar dat is helaas niet meer van de mode.