Internationale dag t ...
Internationale Dag v ...
Internationale Finan ...
Handel en ontwikkeli ...
Internationale handel is een oeverloos onderwerp. Ze dekt een waslijst van landen en bedrijven, een karrenvracht aan producten. Ze heeft impact op alle niveaus, van de wereld tot het gezin. Ze is nauw verbonden met andere aspecten van de wereldeconomie, zoals productie en investeringen.
Handel is ook een hete aardappel, voorwerp van een niet altijd makkelijk uit te klaren liefde-haatrelatie vanuit, onder andere, de Noord-Zuidbeweging. Die bepleit sinds 30-40 jaar een betere toegang tot de koopkrachtige markten van het Noorden voor producten uit het Zuiden. Ze beklemtoont ook al sinds lang dat handel als inkomstenbron belangrijker en gezonder is dan hulp.
Tegelijk luidt de alarmklok. Luid en vaak. Want handel houdt niet altijd van mensen. De klachten kwamen van partners in het Zuiden. Veehouders in de Sahel stonden te morren rond hun runderen. Geen markt meer, geen klanten, want weggeconcurreerd door zwaar gesubsidieerd buitenlands rundvlees. Er was de onrust in de vrijhandelszones in Indonesië. Grote multinationale ondernemingen manoeuvreren zich in een geprivilegieerde positie. Ze bedingen gunstige vestigingsvoorwaarden, ontsnappen aan belastingen en teren op goedkope lokale arbeidskracht. Het loon en de arbeidsomstandigheden zijn ver van paradijselijk.
Handel is ook niet altijd een godsgeschenk voor de armste landen. Technologisch en organisatorisch gehandicapt, raken ze steeds verder achter bij de rest van het peloton. Hun export blijft grotendeels beperkt tot het verschepen van grondstoffen zoals koffie, thee, katoen of koper. De grondstoffenhandel is voor deze landen de jongste jaren een strop. De koffieprijzen zijn op de wereldmarkt diep gezakt, voor sommige landen tot onder de productieprijs. Boeren sloven zich uit, om uiteindelijk met verlies te verkopen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het probleem is sinds jaren gekend. Waarom is de grondstoffenpolitiek dan helemaal van de internationale agenda verdwenen? Waarom kan of wil men geen beleid uittekenen, om dit soort van rampenscenario's voor de allerarmsten te voorkomen?
Het zijn duidelijk anderen die de agenda van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bepalen. De WTO ontpopte zich in enkele jaren tot een machtige organisatie, met dwangmiddelen om naleven van akkoorden af te dwingen. Ze werd ook zondebok bij uitstek voor de 'anders globaliseren-beweging'. De ergernis is vaak terecht. De WTO zou in theorie een regelgeving kunnen uittekenen, die handel mooi laat aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van landen en mensen. In de praktijk wordt ze door velen beschouwd als een breekijzer voor een verdergaande, dwingende deregulering van de wereldeconomie. De Westerse landen noemen de nieuwe handelsonderhandelingen sinds Doha een 'ontwikkelingsronde'. Het blijven jammer genoeg holle woorden. Door de band genomen speelt de WTO nog steeds de kaart van westerse handelsmogendheden en bedrijven.
Open markten voor het Zuiden?
Wij zullen onze verplichtingen inzake de vrijmaking van de wereldhandel volledig nakomen, en ons verzetten tegen protectionisme in al zijn vormen. Dit refrein werd gezongen op de top van de zeven rijkste landen (de G7) in 1995 en nadien nog vele malen herhaald. Handel is inderdaad veel belangrijker dan financiële hulp aan het Zuiden. Elke stijging van de uitvoer van het Zuiden met 0,7 procent, levert evenveel inkomen op als zij jaarlijks aan ontwikkelingshulp ontvangen. Maar daarvoor moeten die markten wel toegankelijk zijn.
Sinds het midden van de jaren 1980 hebben vele landen uit het Zuiden hun invoertarieven gehalveerd. De industrielanden hebben van hun macht in het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank gebruikt gemaakt om van handelsliberalisatie een voorwaarde te maken voor het bekomen van financiële hulp. Een recente studie van het IMF kwam tot het besluit dat in 23 overeenkomsten met landen, niet minder dan 186 keer een relatie tussen handel en kredietverlening gelegd werd.
Het Zuiden heeft dus de toon aangegeven inzake liberalisering. De rijke landen hebben daarop geantwoord met het behoud van aanzienlijke handelsbelemmeringen. Die kosten het Zuiden ongeveer 100 miljard dollar per jaar, dubbel zoveel als de totale publieke ontwikkelingshulp. De industrielanden handhaven volgende discriminaties t.a.v. het Zuiden:
De economische hervormingen in het Zuiden hebben niet het verhoopte resultaat opgeleverd, omdat de overeenkomstige hervormingen in het handelsbeleid van de rijke landen uitgebleven zijn. Eenzijdige liberalisering komt neer op het aan het Zuiden ontzeggen van de voordelen van de globalisering.
Minder bescherming van de eigen landbouw?
De uitvoer van landbouwproducten is van levensbelang voor de bestrijding van de armoede in het Zuiden. Ongeveer driekwart van de bevolking in de armste landen leeft van de landbouw. Hun inkomen wordt beïnvloed door de mogelijkheden om hun producten uit te voeren, en hier stuiten zij op handelsbeperkingen in het Noorden. Op hun thuismarkt hebben ze te kampen met de concurrentie van goedkope ingevoerde landbouwproducten. In Mexico worden maïsboeren geruïneerd door de invoer van goedkope gesubsidieerde maïs uit de Verenigde Staten. In Haïti gebeurt hetzelfde met rijstboeren, in hoofdzaak vrouwen. De uitvoersubsidies van de Europese Unie veroorzaken hetzelfde nefaste effect in zwart Afrika.
In de WTO werd afgesproken om zowel de invoertarieven als de uitvoersubsidies met ongeveer 36 procent te verminderen. In werkelijkheid is er zo goed als niets gebeurd. Door als referentieperiode de jaren 1986-1988 te kiezen, jaren met lage prijzen op de wereldmarkt, en door jaren met zeer hoge subsidies als vertrekjaren te nemen, zijn de regeringen van het Noorden erin geslaagd om elke betekenisvolle actie te vermijden. Er is geen echte vermindering van het protectionisme in de handel in landbouwproducten geweest.
Er wordt wel verwezen naar beperkingen van de subsidies, maar die komen neer op het 'herdopen' van de maatregelen. Betalingen aan de boeren heten nu 'inkomenssteun' en niet langer subsidies aan de producenten. Hulp aan boeren in noodsituaties is door het verdrag van de WTO toegestaan. Hun aantal is niet toevallig in de Verenigde Staten sterk gestegen. Het resultaat is een schijnbare vermindering van de subsidies:
Deze handelsbeperkingen veroorzaken grote verliezen in het Zuiden: het jaarlijkse verlies aan inkomsten wordt geraamd op 20 miljard dollar. Het voortduren van het subsidieren van de uitvoer heeft vergelijkbare schadelijke gevolgen. De landbouw is de enige sector onder de WTO-regels waar dumping - dit is het verkopen van producten beneden de werkelijke kostprijs - een normale praktijk blijft. Er zijn 25 landen die de WTO gemeld hebben dat zij uitvoersubsidies willen blijven toepassen. Daarvan liggen er 23 in het Noorden.
Open markten voor textiel en kleding
Er werd tijdens de vorige onderhandelingsronde afgesproken het Multivezel-akkoord tegen het jaar 2005 geleidelijk af te schaffen. Dit akkoord regelt de bescherming van deze sectoren in het Noorden, en wordt beschouwd als een van de meest schadelijke voorbeelden van protectionisme in het Noorden. De geïndustrialiseerde landen hebben ook hier wegen gevonden om de letter van het akkoord te respecteren, maar tegelijk de geest ervan te verkrachten. Het Zuiden kampt nog steeds met overdreven beperkingen in de handel in textiel- en kledingproducten:
Textiel en kleding behoren tot de belangrijkste uitvoersectoren in het Zuiden; ze vertegenwoordigen ongeveer 10 procent van de totale uitvoer. De handelsbeperkingen in het Noorden kosten de landen van Zuid-Azië jaarlijks 2 miljard dollar. Gesloten afzetmarkten betekenen lagere lonen en tewerkstellingsverlies in het Zuiden, waar vooral vrouwen in textiel en kleding werken. Het protectionisme in het Noorden vertraagt de verbetering van de arbeidsvoorwaarden in het Zuiden.
Een voorkeursbehandeling voor de Minst Ontwikkelde Landen
Het Noorden heeft tot nu toe elke kans gemist om werk te maken van een actieprogramma om de Minst Ontwikkelde Landen effectief te laten genieten van de voordelen van een open wereldhandelssysteem. De helft van de bevolking (ongeveer 300 miljoen mensen) leeft in deze landen onder de armoedegrens. Hun aandeel in de totale wereldhandel is minder dan één procent. Nochtans moeten deze landen blijven vechten tegen handelsbeperkingen in het Noorden:
De bescherming van de eigen economie kost het Noorden soms meer dan de bedragen die aan ontwikkelingssamenwerking besteed worden. Er is geen beter voorbeeld denkbaar van het ondermijnen van ontwikkelingsinspanningen door slecht handelsbeleid. De afschaffing van alle invoerrechten en quota zou de MOL een extra uitvoeropbrengst van 2,5 miljard dollar opleveren. Dat zou honderdduizenden arbeidsplaatsen opleveren.
Een voorstel van de Europese Commissie werd door de regeringen afgezwakt. 'Alles behalve Wapens' (Everything but arms) voorzag de opheffing van alle tarieven en quota. De landbouwlobby slaagde erin om belangrijke producten zoals rijst en suiker uit het voorstel te verwijderen. Het zijn juist deze producten die voor de MOL van levensbelang zijn.
Een speciale inspanning voor Afrika
Afrika staat voor enorme uitdagingen. Het telt 12 procent van de wereldbevolking, maar zijn aandeel in de wereldhandel ligt beneden de één procent. In 1970 bedroeg dat aandeel nog 4 procent. Afrika is de enige regio in de wereld waar de armoede in de jaren 1990 toegenomen is. Afrika profiteert het minst van de voordelen van de globalisering.
Het Noorden is talloze beloften niet nagekomen. Het New Global Partnership for Development van de G7-top van 1996, is retoriek gebleven. Vrije toegang tot de markten van de industrielanden voor alle producten behalve petroleum, zou Afrika 2,5 miljard dollar bijkomende inkomsten opleveren.
Maar Afrika heeft nog andere problemen. Lage grondstoffenprijzen liggen aan de basis van de economische crisis en van de stijging van de armoede. Koffieboeren in Tanzania houden hun kinderen van school weg, omdat de koffieprijzen de voorbije drie jaar met 50 procent gedaald zijn.
Driekwart van de uivoer van Afrika bestaat uit grondstoffen. De lage prijzen worden veroorzaakt door een chronisch overaanbod. Zonder een gecoördineerde internationale actie zal Afrika niet uit het moeras geraken. Er is reeds tientallen jaren lang sprake van 'het verzekeren van grondstoffenprijzen die aanvaardbaar zijn voor de verbruikers, en de producenten een billijk inkomen verzekeren'. Deze beloften moeten nog altijd nagekomen worden. Het probleem van de grondstoffenprijzen krijgt in de WTO geen aandacht meer, in tegenstelling tot thema's die voor de industrielanden wel van belang zijn. Investeringen en intellectueel eigendom zijn twee voorbeelden van dit onevenwicht in de politieke aandacht.
Regels voor de bescherming van intellectueel eigendom die de volksgezondheid in het Zuiden niet gevaar brengen
Het akkoord over de handelsgebonden aspecten van het intellectueel eigendomsrecht, het zogenaamde Tripsakkoord, blijft één van de meest controversiële delen van de WTO-overeenkomsten. De beschikbaarheid van levensbelangrijke medicijnen voor mensen met lage inkomens in het Zuiden, is nog steeds een knelpunt. De WTO bepaalt wel dat regeringen de nodige maatregelen kunnen nemen ter bescherming van de volksgezondheid. Maar zij moeten dat doen op een manier die geen afbreuk doet aan het geheel van de internationale overeenkomst over het intellectueel eigendomsrecht.
Belangrijke landen zoals Brazilië en Zuid-Afrika geraakten verwikkeld in juridische procedures over de toepassing van de overeenkomst. Landen uit het Zuiden die gebruik willen maken van de mogelijkheden van het Tripsverdrag om over goedkope medicijnen te beschikken, worden openlijk of stilzwijgend bedreigd met gerechtelijke vervolging of met handelssancties. De industrielanden hanteren ook een dubbele moraal: geconfronteerd met de dreiging van 'bio-terreur', werd onmiddellijk gesproken over het tijdelijk buiten werking stellen van de patentbescherming voor geneesmiddelen die bescherming moesten bieden.
Hulp en technische bijstand voor het Zuiden
Op het einde van de Uruguay-onderhandelingsronde werd aan de ontwikkelingslanden technische bijstand en financiële steun toegezegd. De toepassing van de akkoorden van de WTO heeft een hoge kostprijs, zowel in geld als in menselijke middelen. Tanzania zou 10 miljoen dollar moeten uitgeven om zijn douanediensten te moderniseren. Bangladesh zou elk jaar 1 miljoen dollar moeten uitgeven om het Tripsverdrag toe te passen. Vergelijk dit met het totale budget van de WTO voor technische bijstand: 500.000 dollar per jaar, nauwelijks voldoende voor één vijfde van alle vragen om bijstand.
De MOL zouden speciale bijstand krijgen om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. Tot nu toe zijn er geen concrete toezeggingen van fondsen gebeurd. Die tekortkomingen van het Noorden veroorzaken grote verschillen in beheersmogelijkheden en onderhandelingscapaciteit:
Financiële en technische bijstand moet het Zuiden helpen voordeel te halen uit internationale handel. Een verhoging van de ontwikkelingshulp zou hierbij kunnen helpen. Maar tussen 1990 en 2000 heeft het Noorden zijn hulpbudgetten verminderd: er wordt nu 0.19 procent van het nationaal inkomen aan publieke ontwikkelingshulp besteed, ver onder de 0.7 procent-norm van de Verenigde Naties.
De WTO zal bijdragen tot duurzame economische groei en vermindering van de armoede uit het Zuiden
De industrielanden blijven volhouden dat geen enkele bepaling in de verdragen van de WTO de ontwikkelingslanden belet hun aandeel in de internationale handel te vergroten en zo hun ontwikkeling te verzekeren. Dat is onjuist.
Heel wat maatregelen die hebben bijgedragen tot het commercieële succes van Zuid-Oost-Azië, zijn op grond van de recente akkoorden onmogelijk geworden. Voorbeelden hiervan zijn selectieve bescherming van nationale industrieën, gerichte subsidies voor bedrijven, beperkingen op buitenlandse investeringen, het nabootsen van beschermde technologie en de verplichting voor buitenlandse bedrijven om met nationale bedrijven samen te werken.
Het Tripsverdrag geeft veel kopzorgen. De voordelen ervan zullen vooral naar multinationale ondernemingen in het Noorden gaan. De Verenigde Staten zijn de grootste belanghebbende: het totale bedrag aan ontvangen patentrechten steeg van 6,7 miljard dollar in 1980-1982 tot 23 miljard dollar in 1998.
Het Tripsverdrag draagt ook niet bij tot de overdracht van technologie naar de ontwikkelingslanden. Geen enkel van de succesvolle Aziatische landen had gedurende de eerste decennia van zijn economische ontwikkeling te maken met strenge bepalingen voor het intellectueel eigendomsrecht. Het Tripsverdrag schept een monopoliesituatie, en beperkt innovatie en de snelle verspreiding van nieuwe technologie.
Het Tripsverdrag over de handelsgebonden investeringsmaatregelen veroorzaakt gelijkaardige problemen. Het beperkt het recht van regeringen om buitenlandse bedrijven te verplichten tot het gebruik van lokale toeleveringsproducten. Het succes van Zuid-Korea en Taiwan is juist te danken aan het gebruik van deze mogelijkheid om banden te creëren tussen nationale bedrijven en de uitvoersector. Het heeft deze landen toegelaten nieuwe markten te veroveren, op basis van technologische innovatie door nationale bedrijven. Vandaag verzekeren deze twee landen een derde van de uitvoer van half- en hoogtechnologische producten uit de ontwikkelingslanden.
Het akkoord over de dienstensector geeft ook redenen tot bezorgdheid. Het gaat hierbij niet alleen over financiële en andere commerciële diensten, maar ook over publieke dienstverlening zoals de energie- en watervoorziening en het onderwijs. Tot op vandaag is er op het terrein nog niet veel gebeurd, maar machtige lobbygroepen ijveren achter de schermen voor verregaande liberalisering op dit terrein.
In sommige gevallen kunnen de ontwikkelingslanden voordeel halen uit de liberalisering van de handel in sommige diensten. Dat geldt o.a. voor de software en de bouw. Maar de bedrijven in de ontwikkelingslanden zijn slecht gewapend om de concurrentie aan te gaan met dienstverlenende bedrijven uit de financiële sectoren. En er zijn goede redenen om de vrije marktprincipes af te wijzen voor publieke diensten zoals de gezondheidszorg en het onderwijs. Een beperking van de vrijheid van regeringen om deze sectoren te beschermen, zal negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling.
Er is een groot gevaar dat de akkoorden van de WTO de ondergeschikte en afhankelijke positie van de ontwikkelingslanden zullen bevestigen en versterken. Het zal hen onmogelijk gemaakt worden omhoog te klimmen op de ladder van de technologische ontwikkeling. Er zal geen herhaling komen van het 'Zuidoost-Aziatisch mirakel'. De WTO bevordert integendeel een 'Mexicaans model' van afhankelijkheid van buitenlandse bedrijven, zwakke banden tussen nationale bedrijven en de uitvoersector, en lage lonen.
Algemeen besluit
De geïndustrialiseerde landen zijn de beloften die gedaan werden in het kader van de Uruguayronde van de WTO niet nagekomen. De wereldhandel blijft daardoor gekenmerkt door uitzonderingen en dubbele normen in het voordeel van de rijke landen.
De houding van de rijke landen wordt gekenmerkt door hypocrisie en een dubbele moraal. Dat ondermijnt de inspanningen van de arme landen om de handel ten dienste van de ontwikkeling te stellen, en het ondermijnt de geloofwaardigheid van het wereldhandelssysteem. De lidstaten van de WTO moeten eindelijk komaf maken met het breken van beloften en het missen van kansen. Zij moeten nu de grondslagen leggen voor een rechtvaardiger en stabieler wereldhandelssysteem.
Bron: 'Tijd om te handelen', NoordZuid cahier, mei 2002.