Niger: voedselcrisis ...
Nog meer inspanninge ...
Nog twee straffe MO* ...
Noodhulp - Inleidend ...
Noodhulp - humanitaire hulp: Professionalisering: de nieuwe uitdaging
Hoewel haar wortels in de middeleeuwen liggen, is de moderne humanitaire hulpverlening pas ontstaan in de 18de eeuw. Na een duizelingwekkende groei rond 1980, is ‘professionalisering’ vandaag dé uitdaging voor de sector.
Bij de definiëring van humanitaire hulpverlening spelen drie factoren een belangrijke rol: de werkwijze (dringend),de context (noodsituatie) en de algemene doelstelling (onmiddellijk extreem lijden aanpakken).
Toch kan humanitaire hulpverlening niet worden herleid tot haar dimensie van hoogdringendheid. Haar definitie is verbreed en omvat nu ook preventie, rehabilitatie, heropbouw, vredesopbouw en democratisering.
In tegenstelling tot ontwikkelingshulp, formuleert humanitaire hulpverlening haar doelstellingen niet met het oog op sociale verandering noch maatschappijontwikkeling. Haar objectieven zijn beperkter en bescheidener: tijdelijk soelaas bieden aan de getroffen bevolking en gaten dichten, zodat de gevolgen van een ramp niet uitdeinen.
Omdat moderne crisissen zo ingewikkeld zijn, is de rol van de humanitaire hulpverlening alsmaar belangrijker geworden. Men kan zelfs stellen dat ze momenteel een cruciaal strategisch wapen (diplomatisch of militair) vormt.
Geschiedenis
Humanitaire hulpverlening is geen nieuw verschijnsel. Europa heeft een rijke traditie waarvan de wortels in de christelijke liefdadigheid liggen. De miserie in eigen land overwinnen was de eerste prioriteit. Vanaf de middeleeuwen bloeit de aalmoezenierszorg en verzorgen kloosters de zieken. In de 11de eeuw gaat Europa op veroveringstocht in de toenmalig bekende wereld. Tijdens de kruistochten ontstaat de Orde van de Tempelridders van Jeruzalem, die zowel het zwaard, het kruis als de medische kennis van die tijd hanteert. De Tempelridders van Jeruzalem vestigen zich achtereenvolgens in Cyprus, Rhodos, en Malta. In 1530 veranderen ze hun naam in ‘Ridders van de Orde van Malta’.
Tijdens de grote ontdekkingsreizen en de daaropvolgende kolonisaties, ontstaan vooral nieuwe medische technieken: het verzorgen van oorlogsslachtoffers, het tussenbeide komen in verre landen en het bestrijden van epidemieën. Typisch voor de koloniale periode is het verschuiven van de actieradius naar sectoren die verband houden met de economische ontwikkeling.
De moderne humanitaire hulpverlening is ruim twee eeuwen geleden geboren. Een opstand van zwarte slaven in Santo Domingo verjaagt in 1793 tal van families, vooral planters en reders. Deze moeten asiel vragen in Florida, waar ze goed worden opgevangen en verzorgd. Het jonge Amerikaanse congres stemt vliegensvlug de broodnodige hulpbudgetten. Het is de eerste keer dat de overheid ontredderde mensen helpt.
In de geschiedenis van de humanitaire hulpverlening zijn er nog andere belangrijke mijlpalen. Tijdens de Krimoorlog (1854-1855) mobiliseert de pers de publieke opinie omdat de oorlogsgewonden geen enkele verzorging krijgen. Dat leidt tot de oprichting van de eerste mobiele oorlogshospitalen, een initiatief van een jonge Engelse verpleegster, Florence Nightingale.
De moordende veldslag van Solferino (1859) is een grote shock voor de Zwitser Henri Dunant, die het Rode Kruis opricht, een permanente organisatie die niet afhangt van afzonderlijke landen. Dunant is van oordeel dat vechtende soldaten en de burgerbevolking van conflictgebieden recht hebben op directe hulp, en dat er bovendien een officieel oorlogsrecht moet komen (later het humanitair recht). In 1864 wordt de eerste conventie van Genève ondertekend waarin staat dat iedereen op het slagveld recht heeft op een humanitaire ruimte. Maar het neutraliteitsbeginsel, dé basis van het morele gezag van het Rode Kruis, beperkt voor velen ook zijn werkterrein.
Tijdens de tweede wereldoorlog ontstaan een aantal privé-organisaties (vandaag spreken wij over NGO’s of niet-gouvernementele organisaties) die vooral oorlogsslachtoffers helpen. Na de oorlog wordt de Verenigde Naties (VN) opgericht met eigen beslissingsorganen en specifieke instellingen (WFP, UNDP, UNICEF en later het UNHCR).
In 1967 zorgt de oorlog in Biafra voor een nieuw keerpunt. Ondanks de hongersnood geraakt niemand tot bij de slachtoffers, ook niet het Rode Kruis. Enkele jonge Franse artsen stichten in 1971 ‘Artsen Zonder Grenzen’, een organisatie die - in tegenstelling tot het discrete Rode Kruis – het aanklagen van mistoestanden hoog in zijn vaandel draagt. Vanaf nu vormen aanklachten en getuigenis een morele opdracht, die even belangrijk is als de hulpverlening zelf.
Deze gewijzigde aanpak roept nieuwe ethische kwesties op: de (soms extreme) mediatisering van crisissen en van de humanitaire hulpverlening; ten alle prijzen de slachtoffers willen helpen, ook zonder instemming van de plaatselijke overheid en soms zelfs in de totale illegaliteit, wat het debat aanwakkert over het recht op humanitaire inmenging, die soms tot politieke inmenging leidt.
Vanaf 1985 komt de dubbelzinnige en gespannen verhouding tussen humanitaire hulp en politiek scherp tot uiting. Tijdens de Ethiopië crisis blijkt duidelijk dat humanitaire acties ook gemanipuleerd kunnen worden. De regering van Mengistu gebruikt namelijk de voedingscentra -die zijn opgericht met giften van sensibiliseringscampagnes - om bevolkingsgroepen te deporteren naar gebieden die het leger controleert. De humanitaire organisaties staan voor een vreselijk dilemma: weggaan en de slachtoffers gewoon aan hun lot overlaten, of blijven en medeplichtig worden aan het repressieve beleid vanuit de hoofdstad Addis Abeba?
De jaren negentig zijn die van de institutionalisering. Regeringen eigenen zich het humanitair taalgebruik toe, en dat schept spraakverwarring. Ze gebruiken deze retoriek nu eens als diplomatiek wapen, dan weer als alibi om niet tussenbeide te komen in bepaalde crisissen (Bosnië, Rwanda) of om juist wél in te grijpen (Koerdistan, Afghanistan, Irak). Twintig jaar geleden was de humanitaire hulpverlening nog een ambacht, vandaag is het een volwassen economische en politieke sector.