Schrijf Cambodjaans ...
Schrijf je uit op de ...
De schuld van Haïti ...
Schuldenlast - Inlei ...
Een van de grootste problemen van ontwikkelingslanden is de afbetaling van torenhoge schulden. Landen in Sub-Sahara-Afrika bijvoorbeeld moeten jaarlijks maar liefst tien miljard dollar afbetalen aan buitenlandse schuldeisers. Dat is vier keer zoveel als het budget dat ze aan onderwijs en gezondheidszorg spenderen.
Hoe is het zo ver kunnen komen?
Door stijgende olieprijzen krijgen olie-exporterende landen in de jaren zeventig grote hoeveelheden geld in handen. Deze zogenaamde petrodollars brengen ze onder bij westerse banken. Die staan goedkope leningen toe aan regeringen van ontwikkelingslanden, die hiermee grote ontwikkelingsprojecten kunnen opzetten. “Zolang de economische groei groter blijft dan de oplopende interesten, kunnen we de leningen zonder probleem terugbetalen”, is de onderliggende filosofie. Maar zo eenvoudig gaat het niet.
Door een aantal externe en interne factoren explodeert de schuld van ontwikkelingslanden tot torenhoge proporties. Dalende grondstoffenprijzen, stijgende olie-uitgaven van ontwikkelingslanden door olieprijsschokken in de jaren zeventig, de stijging van de internationale rentevoet en de waarde van de dollar, en stijgende invoerrekeningen uit westerse landen door hoge inflatie en protectionisme in het Westen, zijn factoren die de schuld enorm de hoogte in jagen, buiten de macht en wil van de ontwikkelingslanden om.
Daarnaast dragen ook interne factoren bij tot de betalingsbalansmoeilijkheden van ontwikkelingslanden: corruptie, wanbeleid, de stijging van militaire uitgaven en de financiering van zinloze prestigeprojecten. Helemaal vrijuit gaan de betrokken regeringen dus niet.
Het jaar 1982: Mexico trekt aan de alarmbel
In 1982 laat Mexico weten dat het zijn schulden niet meer kan terugbetalen. Andere ontwikkelingslanden kampen met hetzelfde probleem. De schuldeisers worden samengebracht in twee organisaties: de Club van Parijs groepeert landen die leningen hebben toegestaan, de Club van Londen groepeert privé-schuldeisers zoals banken en financiële instellingen. In nauwe samenwerking met het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, die een aantal schulden van de schuldeisers overnemen, treffen de Club van Parijs en de Club van Londen maatregelen over schuldverlichting of schuldherschikking.
Ontwikkelingslanden die kampen met een grote schuldenlast kunnen aankloppen bij Het internationaal Muntfonds en de Wereldbank voor schuldverlichting. In ruil daarvoor moeten de landen werk maken van economische hervormingen.
Opgelegde Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP’s) geven hiervoor de richting aan. “Ontwikkelingslanden met schulden moeten minder uitgeven en meer verdienen”, dat is het logische uitgangspunt. De SAP’s schrijven voor hoe dat moet. Ten eerste moet de exportgerichte productie stijgen want dat brengt harde deviezen op. Ten tweede mag de overheid niet langer tussenkomen in de economie. Heel wat bedrijven worden geprivatiseerd. Ten derde moeten de staatsuitgaven drastisch naar omlaag. Dat kan bijvoorbeeld door te besparen op onderwijs, gezondheidszorg, administratie, subsidies voor basisgoederen, enzovoort. De gevolgen van een dergelijk SAP-beleid zijn rampzalig voor de gewone bevolking. Wanneer de staat minder uitgeeft, zijn het meestal de zwaksten die hiervan als eersten de nadelen ondervinden. Ook voor lokale bedrijven zijn de opgelegde maatregelen nefast. Zonder bescherming van de binnenlandse markt kunnen zij niet op tegen de buitenlandse concurrentie. Hierin spelen vanaf de jaren tachtig multinationals een controversiële rol.
Het jaar 1996: schuldverlichting
Een belangrijke stap in de discussie over de schuldenproblematiek volgt in 1996, wanneer het IMF en de Wereldbank een schuldverlichting voorstellen aan de 41 armste schuldenlanden (Heavily Indebted Poor Countries, HIPC). In 1999 worden de structurele aanpassingsprogramma’s vervangen door Poverty Reduction Strategy Papers (PRSP’s). Deze houden meer rekening met de reële behoeften van de betrokken landen. In plaats van een visie waarin economische groei centraal staat, komt er nu meer aandacht voor armoedebestrijding. De ontwikkelingslanden krijgen de opdracht om zelf een beleid uit te stippelen om armoede tegen te gaan. De PRSP’s voorzien een belangrijke rol voor het maatschappelijke middenveld, dat in dialoog met de regering oplossingen moet zoeken voor het armoedeprobleem. Dat is een belangrijke verschuiving in de goede richting, al worden de programma’s in de praktijk nog sterk gestuurd door het IMF en de Wereldbank.
De schuldenlast, de wereldhandel en de grondstoffencrisis zijn internationale factoren die de kloof tussen Noord en Zuid in stand houden.
Bron: Uit 'Feiten over Ontwikkelingssamenwerking' , verschijnt in 2004 bij 11.11.11.