De VN bereikt in Doh ...
VN-klimaatpanel voor ...
VN-top Minst Ontwikk ...
Voedselzekerheid - I ...
Voedselzekerheid
Je zou kunnen zeggen dat voedselzekerheid een toestand is die tegengesteld is aan honger. Als iemand honger heeft, beschikt hij niet over genoeg gezond voedsel, inclusief zuiver drinkwater. Dat wil zeggen, voldoende calorieën om de dagtaak uit te voeren die hij dient uit te voeren (een boer of havenarbeider heeft meer nodig dan een kantoorbediende), genoeg proteïnen, vitaminen, mineralen en genoeg zuiver drinkwater en dit alles in min of meer de juiste balans.
Op dit moment zijn er nog zo’n slordige 840 miljoen mensen die chronisch honger hebben, die dus met andere woorden dagelijks met honger gaan slapen. Het is een structureel probleem. Het aantal is gedaald de laatste decennia, maar de daling is vooral toe te schrijven aan de daling van hongerenden in China en India. In Subsahariaans Afrika verergert de toestand zelfs. Voedselzekerheid is dan ook de structurele TOEGANG tot voldoende en gezond voedsel en drinkwater.
Dé grote vraag is natuurlijk hoe je die toegang kan verbeteren, hoe je dat structureel probleem kan en moet oplossen.
Een recht
Eén beginpunt daarbij is dat voldoende voedsel een recht is van elke mens. Het is de basisbehoefte bij uitstek en daarom is het maar meer dan normaal dat het ook een mensenrecht is. Het is ruim 50 jaar geleden opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het staat ook in de Conventie over Sociale, Economische en Culturele Rechten.
Een gevolg van de rechtenbenadering is dat de (nationale) staten en het internationale recht een verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat dit recht geëerbiedigd wordt. De visie dat het recht op voedsel een mensenrecht is, gaat er vanuit dat de staat inderdaad dit recht kán doen eerbiedigen, dat ze de mogelijkheid heeft om elke inwoner van haar land te voorzien van voldoende en gezonde voeding. Met andere woorden : het probleem van honger is geen gegeven, vaststaand in de geschiedenis, in hoe de wereld nu eenmaal is, maar is oplosbaar. De vraag is dan natuurlijk waarom het niet opgelost wordt. Als het kan opgelost wordt, is het ofwel door onwil, ofwel omdat we de juiste oplossing nog niet gezien hebben. Vele ngo’s zullen stellen dat er sprake is van politieke onwil. Zo pleiten een aantal ngo’s al jaren voor vrijwilliger richtlijnen van de FAO (de VN organisatie verantwoordelijk voor voedsel- en landbouwpolitiek) zodat ze staten kunnen verantwoordelijk stellen voor een schending van het recht op voedsel als een mensenrechtenschending.
Ook hier blijft de vraag HOE de staat dat moet oplossen dé vraag bij uitstek.
Demografie en verdeling
Is honger een onoverkomelijk probleem? Kan onze aarde heel haar bevolking voeden? In deze vraag zitten twee elementen. Het is immers geen statisch gegeven, daar zowel de bevolking groeit als ook de landbouwproductiviteit toeneemt. De laats-te decennia is de landbouwproductiviteit sneller toegenomen dan de bevolking. Er is met andere woorden meer voedsel beschikbaar per hoofd van de bevolking, ondanks dat de bevolking is toegenomen. Hoewel er dissidente stemmen zijn, wordt algemeen aangenomen dat er op dit moment genoeg voedsel is om iedereen te voeden. Het probleem is echter dat het niet (op tijd) bij de juiste mensen geraakt. Honger is dus een verdelingsprobleem, geen productieprobleem. Dat werd heel schrijnend duidelijk gemaakt door Amartya Sen met de hongersnood in Bangladesh in 1973. Op het mo-ment dat er in het ene deel van het land een hongersnood uitbrak, lagen de graan-schuren in het ander deel van het land vol voorraad. De mensen stierven dus van de honger, gewoon omdat het voedsel niet tijdig naar de getroffen zone en mensen ge-bracht (kon) worden. Verschillende hongersnoden die daarop volgden, toonden hetzelfde patroon. Het probleem volgens Sen was dus niet de beschikbare hoeveelheid voedsel, maar wel de ‘entitlement’ of aanspraak die mensen hadden om aan het voedsel te komen. Het begrip ‘entitlement’ omvat zowel juridische als economische mogelijkheden. Stel dat een bepaalde etnie of klasse uitgesloten wordt en bijvoor-beeld niet het recht heeft om land te bezitten, dan kan dat een reden zijn waarom ze geen voldoende toegang tot voedsel heeft. Ze zouden dan het recht moeten opeisen en krijgen om zoals iedereen land te bewerken, zodat ze aan hun situatie van voedselzekerheid kunnen werken. Maar het kan ook gewoon zijn dat bv. nomaden in een bepaalde streek hun vee niet op de markt verkocht krijgen zodat ze geen geld hebben om granen te kopen. Dan hebben ze gewoon geen toegang tot de markt en daardoor geen inkomen en dus geen toegang tot voedsel. Om mensen voedselze-kerder te maken, volgens Sen, moet je niet gewoon het voedsel beter verdelen, maar moet je mensen ook in hun aanspraakmogelijkheden versterken, door hen de nodige capaciteiten te laten ontwikkelen (bv. Door scholing, zodat ze betere inkomenskansen hebben, maar ook door ze meer te laten participeren in het beleid).
Of honger altijd een verdeelprobleem zal blijven, is een vraag waarover de meningen verdeeld zijn. Sommige wetenschappers beweren dat de landbouw- of voedselproductiviteit zal moeten blijven toenemen om de groeiende bevolking het hoofd te kun-nen bieden en dat we daarom moeten inzetten op de technische vooruitgang in de landbouw, o.a. door het verspreiden van genetisch gemodificeerde gewassen. An-deren benadrukken meer het belang aan verdeling en stellen dat het probleem ook ligt bij de overconsumptie in het Noorden. Bovendien kan de landbouwproductiviteit ook verbeterd worden door gebruik te maken van lokale kennis en middelen in de ontwikkelingslanden in plaats van in te zetten op de verspreiding van door multinatio-nale ondernemingen ontwikkelde technologie die toch enkel zou uit zijn op winst voor de ondernemingen ipv op voedselzekerheid. In die zin hangt voedselzekerheid af van de verspreiding van laagdrempelige technologieverspreiding. Immers bijna een mil-jard arme boeren hebben niet eens een trekdier om hun land te bewerken en moeten het stellen met handwerktuigen. Bij deze arme bevolkingslaag kan je niet verwachten dat ze kunnen investeren in tractoren, meststoffen, zaaigoed. Het komt er daarom bij hen op aan om te investeren in techniek die quasi kosteloos is op basis van agrofo-restry, leguminozen, groenbemesting, teeltechnieken zoals wisselbouw en intercrop-ping, lokale technieken ter bewaring van geoogste producten, ter bestrijding van erosie enz. Deze “low external input sustainable agriculture” of “lage export input duurzame landbouw” heeft ook voordelen voor de ecologie (zuinig omspringen met schaarse goederen).
Hoe moet voedselzekerheid voor alle mensen bereikt worden?
De eerste vraag die je je zou kunnen stellen is of mensen in de eerste plaats meer fysieke toegang toe voedsel moeten hebben (doordat ze het op hun eigen veld hebben staan) of gewoon een groter inkomen moeten hebben om voedsel te kunnen kopen. Immers, quasi niemand in de westerse wereld kweekt eigenhandig al zijn voedsel. Iedereen heeft een inkomen waardoor zijn toegang tot voedsel verzekerd is. De cijfers versterken dit vermoeden nog; 70 % van de 1.2 miljard armen en 800 miljoen hongerenden is plattelandsbewoner waarvan de meerderheid inderdaad nog landbouwer is ook. Met andere woorden : die mensen zitten gevangen in een situatie waarbij ze hun gewassen en producten op de markt verkopen en er niet genoeg geld voor terug krijgen om zichzelf deftig genoeg te kunnen voeden en in hun andere ba-sisnoden te voorzien. Hoewel voedsel de basisbehoefte bij uitstek is, zijn er natuurlijk ook nog andere basisbehoeften : huisvesting, kledij, materiaal om aan landbouw te doen, dokterskosten en meer en meer schoolkosten. Honger is een armoedeprobleem, geen probleem van voedseltekort alleen. We moeten daarom niet dromen van land-bouwers die autarkisch zijn en alles zelf produceren zodat ze van niemand afhankelijk zijn. We moeten ervoor zorgen dat de verkoop van hun producten op de markt hen een onafhankelijkheid garandeert ipv hun afhankelijkheid te veregroten. De vraag is dan in welk systeem hun onafhankelijkheid van de markt het grootste is. Sommigen zullen een marktdenken voorstaan en vrijhandel promoten, anderen zullen een inter-ventionistischer beleid verdedigen.
Waar voor- en tegenstanders van meer vrijhandel het in elk geval over eens zijn, is dat het westerse handelsbeleid op dit moment nadelig is voor de ontwikkeling van de lokale markten en daarom voor de armoedeverlichting in de ontwikkelingslanden. Onze producten worden op een te goedkope manier gedumpt op de markten van de ontwikkelingslanden, zodat lokale voedselprijzen in elkaar stuiken. Hun overheden importeren soms al te graag goedkoop voedsel voor hun electoraat dat zich vooral in de steden bevindt. Geen van die overheden bekommert zich blijkbaar om de lokale verkoop van plattelandsproducten. Er zou net meer in het landbouwbeleid van die lan-den moeten geïnvesteerd worden, meer diensten aangeboden moeten worden waaronder krediet, technische landbouwvoorlichting, prijsinformatie, wegen- en andere infrastructuur. Een ander punt waarover voor- en tegenstanders van een markt-denken het eens zijn, is dat de Westerse wereld moet stoppen met zijn markten af te schermen van producten uit de ontwikkelingslanden. De WTO of wereldhandelsorga-nisatie heeft nog veel werk voor de boeg om de scheve wereldhandelsverhoudingen recht te trekken.
Voedselsoevereiniteit
Een discussie die fel belicht wordt vanuit de ngo’s is de strijd voor voedselsoevereiniteit. Veel ngo’s en landbouworganisaties willen niet gewoon een pleidooi houden voor voedselzekerheid omdat dat een te clean begrip is, dat ook via een liberaal markt-denken kan worden bereikt, maar willen het hebben over voedselsoevereiniteit. Het heeft te maken met autonomie en een grotere stem voor de landbouwers. Elk land, of eventueel elke regio (cluster van landen) moet het recht hebben om zijn eigen voed-sel- en landbouwbeleid te bepalen. Vaak wordt onder deze visie ook verstaan dat kleine boeren het recht moeten hebben om toegang te hebben tot land, water en zaden, dus om hun landbouwpraktijk verder te zetten in menselijke waardigheid. Dat heeft meestal tot gevolg dat niet enkel dumping een halt moet worden toegeroepen, maar ook dat ontwikkelingslanden de kans moeten krijgen om hun markten af te schermen tegen gewone import uit het Noorden zodat de lokale markt beter kan ont-wikkeld worden. Bovendien moet er volgens hen een vorm van productiebeheersing komen in de landbouwgrondstoffenmarkten. Voorstanders van vrijhandel zullen bear-gumenteren dat productiebeheersing door overheden nog minder efficiënt is en dat het verleden heeft bewezen dat dat niet werkt, dat je politiek niet tot de juiste afspra-ken kan komen en zullen over het algemeen stellen dat de meest efficiënte producent het voedsel moet voorzien, van waar die producent ook komt en dat de lokale markt dus geen enkele voorrang dient te krijgen op de internationale markt. Ze verwijzen daarbij vaak naar de successen van Oost- en Zuid-Oost-Azië (met de Aziatische tijgers en China op kop) die hun armoede en honger succesvol hebben teruggedrongen door zich te integreren in de wereldeconomie. Tegenstanders van een al te snelle vrij-handel zullen stellen dat ook die succesverhalen begonnen zijn met een periode van afscherming van de nationale markt tov de wereldmarkt om pas na een grondige overheidsinvestering in plattelandsontwikkeling en/of nationale industrialisering hun land open te stellen voor de ontwikkelde markten. Het is bovendien hetgeen de EU, de VS en Japan ook zelf hebben gedaan om tot zo’n goede ontwikkeling te komen. Die tegenstanders van verdere snelle vrijhandel zullen ook betogen dat vrijhandel on-gelijkheid en daarom structurele armoede en honger bij een deel van de bevolking in de hand werkt. De condities waaronder vrijhandel zou werken (bv; volledige informa-tie, mobiliteit van arbeid) zijn trouwens niet vervuld om vrijhandel te doen werken.
Conclusie
Honger is een probleem van scheve verdeling van voedsel. De nationale en internationale overheden zouden een grotere verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen om het recht op voedsel te waarborgen. De grote vraag is hoe het komt dat dit voedsel scheef verdeeld is en hoe we het kunnen rechttrekken. De verschillende antwoorden vertrekken van een verschillende visie op armoedebestrijding die voorkomt uit een ideologisch verschil, nl. het al dan niet geloven in de werking van de vrije markt. Behalve dit verschil in geloof in de marktwerking, staan er ook twee modellen van landbouw tegenover elkaar. Sommigen zullen voor een duurzaam model van vaak kleinschalige landbouw zijn, waarbij de kleine boeren beschermd worden. Anderen zullen voedselzekerheid onafhankelijk van de vorm van de landbouw maken en daardoor de facto de heersende grootschalige kapitaalsintensieve landbouw promoten. De laatsten zien voedsel als een product zoals een ander, de eerstgenoemden stellen dat voedsel om socio-culturele, klimatologische en daardoor economische redenen een ander product is en dat je het uit het marktdenken moet houden. Zoals vaak in heikele thema’s is het probleem door iedereen erkend als belangrijk en essentieel, maar in de oplossingen staan de beleidsmakers en actoren (mno’s, ngo’s, midden-veld, overheden van verschillend niveau, internationale instellingen) soms diametraal tegenover elkaar en heerst er enkel een inconsequent beleid waarvan de uitkomsten bedroevend zijn.
Op de World Food Summit van 1996 nam de wereldwijde gemeenschap zich voor om de honger tegen 2015 te halveren, hetgeen toen een haalbaar voorstel genoemd werd. Aan het huidige tempo, is iedereen het er over eens dat we die halvering pas in de tweede helft van deze of zelfs pas tegen de tweede helft van de volgende eeuw zullen halen. Zoveel is alvast duidelijk: betrokkenen hebben nog veel werk om hun visie op een gelijkaardige lijn te krijgen en effectief de juiste acties te ondernemen om mensen zonder honger te laten leven.
bron: Vredeseilanden