Vormingsmomenten in ...
VPK, CODIP en ATTAC ...
Vragen & antwoorden ...
Vrede, conflict, vei ...
Oorlog en onveiligheid zijn van alle tijden, maar conflicten lijken meer dan ooit uit te monden in geweld. Doorgedreven wapenproductie en wijdverbreide legale en illegale wapenhandel zorgen ervoor dat conflicten vlugger gewelddadig van aard worden en dat ze alsmaar langer aanslepen. Sommige conflicten duren decennialang en verrotten en verzieken geleidelijk aan hele regio’s.
Na twee vernietigende wereldoorlogen was de oprichting van de Verenigde Naties op 26 juni 1945 een belangrijke internationale poging om wereldvrede voor de toekomstige generaties te verzekeren. Artikel 1.1 van het Handvest van de Verenigde Naties stelt letterlijk dat zijn doelstellingen uit het volgende bestaan: “…de internationale vrede en veiligheid handhaven en, met het oog daarop: doeltreffende gezamenlijke maatregelen te nemen ter voorkoming en opheffing van bedreigingen van de vrede en ter onderdrukking van daden van agressie of andere vormen van verbreking van de vrede…”. Om dit streven naar vrede en het behoud ervan te bewerkstelligen, beschikt de Verenigde Naties over verschillende deelorganen. Door middel van allerlei resoluties en verdragen werd het internationale recht op vrede en het verbod op oorlog in de loop der jaren concreter ingevuld. Een belangrijke vaststelling hierbij is dat de voornaamste zelfopgelegde regels uitgaan van conflicten tussen verschillende soevereine staten terwijl de meeste post 1945-conflicten (naast de dekolonisatieoorlogen) interne conflicten zijn. Deze conflicten vertonen meestal geen duidelijk begin en einde. Ze vormen eerder een element in een groter proces van turbulente sociale-, economische- en culturele verandering, en ze zijn het resultaat van een combinatie van overlappende factoren. Bijna zonder uitzondering zijn gewelddadige conflicten gekweekt op een voedingsbodem van armoede, achterstand of onderdrukking en vaak zijn ze gekoppeld aan een bepaald identiteitsgevoel. Nationalistische en etnisch-religieuze conflicten flakkeren bijvoorbeeld overal op.
Dagelijks worden we via de moderne media geconfronteerd met allerlei gewelddadige conflicten. Het reeds lang aanslepende Palestijns-Israëlische conflict, het verzet in de Tsjetsjeense republiek, conflictescalatie in Colombia en Nepal, de wreedheden in Centraal-Afrika,…Kortom, conflicten en slachtoffers bij de vleet. Volgens SIPRI waren er in 2002, 25 grote gewapende interne conflicten in de wereld. Conflicten tussen staten onderling zijn eerder uitzonderlijk geworden. Het gevoel van onveiligheid dat voortvloeit uit deze voortdurende confrontatie met conflicten wordt des te meer versterkt door de snelheid waarmee onze wereld lijkt te evolueren en te veranderen. Eind jaren tachtig dacht men dat het wegvallen van de bipolaire wereld, die geleid had tot een gigantische bewapeningswedloop, zou uitmonden in een meer vreedzame aardbol. Naïef optimisme, zo bleek. De jaren negentig en de eerste jaren van het nieuwe millennium werden net gekenmerkt door een stijgende politieke instabiliteit en onrust. Sinds de ineenstorting van het Oostblok werden de voormalige communistische landen en ontwikkelingslanden, elk met hun eigen referentiekader, geconfronteerd met de enige overgebleven samenlevingsvorm, het liberaal-kapitalistisch model. Dit model werd ingepast in een Nieuwe Wereldorde die prioritair functioneert vanuit een geglobaliseerde economie en die gedomineerd wordt door de enige overgebleven supermacht, de Verenigde Staten. Vermits de Nieuwe Wereldorde oorlog en conflict niet heeft uitgeroeid, streeft de Verenigde Naties vandaag nog altijd naar wereldvrede. Het hanteert hiervoor verschillende strategieën en ondervindt een aantal belangrijke obstakels.
Wapens
De enorme verspreiding van wapens verlengt oorlogen aanzienlijk. Wapens veroorzaken instabiliteit, houden onderdrukking in stand en werken een geweldcultuur in de hand. De internationale wapenhandel en de machtige bedrijven die erachter zitten ondermijnen dus de inspanningen die gemaakt worden om vreedzame oplossingen te vinden voor bestaande problemen. De wetgeving op wapenhandel is globaal genomen veel te laks. De enorme bedragen die met deze handel gemoeid zijn, wegen blijkbaar zwaarder door dan het recht op vrede dat men via een strengere regelgeving en controle zou kunnen afdwingen. Ironisch genoeg zijn het net de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad (Verenigde Staten , Verenigd Koninkrijk, Rusland, China en Frankrijk) die de topexporteurs zijn van wapens in de wereld. Ontwikkelingslanden zijn hun belangrijkste handelspartners.
Naast het invloedrijke militair-industriële complex dat officieel wapens ontwikkeld en verkoopt bestaat er een al even uitgebreid netwerk van illegale wapenhandel. Sinds de implosie van het Oostblok kan Rusland met moeite zijn immense leger in stand houden, laat staan dat het erin slaagt om de oude wapensystemen waarover het beschikt nauwgezet te controleren en te onderhouden. Soldaten vulden de voorbije jaren hun karige loon aan met de verkoop van het vergeten en verwaarloosde wapenarsenaal. Nog nooit waren er zoveel Kalashnikovs in omloop op de illegale wapenmarkt als vandaag. Ook uranium en andere onderdelen om atoomwapens te produceren circuleren vrijelijk op dezelfde zwarte markt. De onveiligheid die hieruit voortvloeit is natuurlijk enorm.
Kleinere conventionele wapens zoals lichte artillerie, handwapens, lichte mobiele eenheden en mijnen, zijn verantwoordelijk voor de meeste doden en gewonden in gewelddadige conflicten. Het laatste decennium van de 20ste eeuw waren ruim 90% van de oorlogsdoden slachtoffers van zulke lichte wapens. Overal kan men plaatselijk wapens aanvoeren en conflicten een gewelddadig karakter geven. Wapenbeheersingsverdragen zouden dan ook een belangrijk diplomatiek middel kunnen zijn om een meer vreedzame wereld te bekomen. In 1997 werd in Ottawa een akkoord bereikt over het verbod op het vervaardigen en plaatsen van anti-persoonsmijnen. Een eerste poging om kleinere conventionele wapens te beperken. Ondanks het feit dat 150 staten het verdrag ondertekenden, ontbreken de handtekeningen van grootmachten China, Rusland en de Verenigde Staten. Andere bestaande wapenbeheersingsverdragen richten zich eerder op het zwaardere geschut gezien de meer tot de verbeelding sprekende gevolgen van massavernietigingswapens. In 1968 werd de ‘Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons’ (NPT) ondertekend. Ondertussen hebben 189 staten zich aangesloten bij dit verdrag, dat de verspreiding van nucleaire wapens moet tegengaan. De belangrijkste niet-ondertekenaars zijn India, Pakistan en Israël, tevens de enige 3 officieuze kernmachten in de wereld. De landen die officieel over nucleaire massavernietigingswapens beschikken zijn: De Verenigde Staten (als absolute koploper), Rusland, Groot-Brittannië, Frankrijk en China. In 1957 werd het internationaal Atoomagentschap (IAEA) opgericht, dat momenteel instaat voor de controle op de non-proliferatie van nucleaire wapens. Het verbod op het gebruik van biologische wapens werd in 1972 bekrachtigd en in 1993 volgde het verbod op chemische wapens. Het Anti-Ballistic Missile Verdrag (ABM) ging van kracht in 1972. De ondertekenaars verbonden zich ertoe geen systemen te ontwikkelen die hun hele grondgebied zou kunnen beschermen tegen ballistische raketten. De redenering luidt immers dat iemand die zichzelf volledig kan beveiligen, rapper geneigd is om een aanval in te zetten. In december 2001 liet Bush weten dat de Verenigde Staten het ABM verdrag niet meer onderschrijft. Volgens de Amerikaanse president “belemmert het ABM-verdrag de mogelijkheid van de regering om de bevolking te beschermen tegen toekomstige raketaanvallen van terroristen of schurkenstaten”. Het plan dat al aan het rijpen was sinds de legislatuur van Ronald Reagan om een anti-rakettenschild te construeren, botste van bij het begin namelijk met de bepalingen van het verdrag. De aanslagen van 11 september waren de ultieme aanleiding om zich van het ABM-verdrag te ontdoen en voluit voor het defensieschild te gaan.
Het internationaal recht
Naast wapenbeheersingsverdragen is het duidelijk formuleren en afdwingen van het internationale recht ook een middel om wereldvrede te bewerkstelligen. Zo zijn er een aantal criteria vastgelegd waarmee een oorlog te rechtvaardigen is. Als een soevereine staat bijvoorbeeld aangevallen wordt door een andere staat heeft de eerste het recht zich met geweld te verdedigen. Er zijn ook regels vastgelegd die betrekking hebben op het voeren van oorlogen zelf. Het internationale humanitaire recht probeert de verschrikkingen van het oorlogsgeweld wat te milderen door een aantal internationale gedragscodes in te voeren. Het zogenaamde ‘recht van Den Haag’ regelt de gevechten, de methoden van oorlogsvoering en de keuze van de wapens. Het recht van Genève regelt dan weer de hulp aan slachtoffers, de behandeling van de krijgsgevangenen en de bescherming van de burgerbevolking. Anders dan het oorlogsrecht zijn de regels van Genève zowel toepasbaar op conflicten tussen staten, als op bevrijdingsoorlogen en interne gewapende conflicten.
De implementatie van het internationale regelgeving kon lange tijd niet afgedwongen worden. Na de ervaringen met verschillende ad hoc oorlogstribunalen werd in juli 2002 het eerste permanente Internationaal gerechtshof opgericht in Den Haag. Misdaden tegen de menselijkheid, genocide en oorlogsmisdaden behoren tot de jurisdictie van deze internationale rechtbank die boven de internationale politiek zou moeten staan. Het hoogste gerechtelijke orgaan van de Verenigde Naties wordt door de meeste Arabische landen, China, Israël en de Verenigde Staten niet erkend. De Amerikaanse regering stelt zelfs alles in het werk om de bevoegdheden van de rechtbank structureel uit te hollen. Er wordt bijvoorbeeld bij zoveel mogelijk landen een bilateraal akkoord afgedwongen waarin gesteld wordt dat de landen in kwestie geen Amerikaanse burgers zullen uitleveren aan het Internationaal gerechtshof. Op 6 mei 2002 aanvaarde de Bush-regering de ‘Invasion of the Hague Act’. Een wet die het mogelijk maakt om eventuele Amerikaanse gevangenen gewapenderhand uit Den Haag te gaan bevrijden. Door het feit dat de belangrijkste macht in de wereld deze rechtbank verwerpt, verliest het internationaal hof natuurlijk heel wat van haar prestige en haar slagkracht. Er rijzen trouwens ook terechte vragen bij de onpartijdigheid van het Internationaal Gerechtshof.
De politieke wil en de door de VN ter beschikking gestelde middelen zijn onvoldoende om alle obstakels voor internationale veiligheid aan te pakken. De keuze om bij bepaalde conflicten in te grijpen is onvermijdelijk selectief en onderworpen aan de prioriteiten van de vijf permanente leden van de VN-veiligheidsraad. Zij beslissen ook welke zaken ze liever niet aan de internationale jurisdictie willen onderwerpen
Het internationale terrorisme
Het communistische vijandbeeld dat de tweede helft van de 20ste eeuw beheerste is verdwenen, maar de wereld wordt nu geconfronteerd met een andere dreiging, het internationale terrorisme. De aanslagen van 11 september 2001 in New York maakten dit op een pijnlijke manier duidelijk. 11 september toonde eveneens aan dat nationalistische en/of etnisch-religieuze groeperingen hun actieterrein, rekruteringsveld en doelwitten geïnternationaliseerd hebben. Het gevoel dat iedereen eender waar en op gelijk welk ogenblik het slachtoffer kan worden van een gewelddadige actie of aanslag, draagt bij tot een groeiende sfeer van achterdocht, angst en onveiligheid.
Het inzetten van blind geweld tegen burgers is zonder twijfel een enorme bedreiging voor de vrede en de veiligheid in de wereld. Maar de reactie van de Verenigde Staten op de terroristische aanslagen is zo mogelijk nog een grotere bedreiging voor de globale vrede en veiligheid. Zowel de oorlog in Afghanistan als de oorlog in Irak waren het rechtstreekse resultaat van de Amerikaanse strijd tegen het terrorisme.
Het invoeren van het concept ‘preventieve oorlog’, de nieuwe oorlogsdoctrine van de Verenigde Staten, zet de inspanningen uit de tweede helft van de 20ste eeuw om oorlogen tussen staten in te dijken, onder controle te krijgen en te vermijden, op de helling. De aanslag op de Twin Towers was de rechtstreekse aanleiding voor de machtshebbers in de VS om zich niet langer te storen aan de procedures waaraan de internationale gemeenschap zich probeert te houden binnen de context van de Verenigde Naties. De vredeskansen gingen er drastisch op achteruit nu de VN, het internationale forum waarin landen met elkaar in politiek en diplomatiek overleg treden, selectief wordt genegeerd door de dominante wereldnatie.
Sinds 11/9 vinden de leiders van de Verenigde Staten dat zij eigenmachtig het recht hebben om de oorlog te verklaren aan die staten waarvan ze het onbewezen vermoeden hebben dat ze een bedreiging kunnen vormen. Zelfs al ontbreekt hen de steun van zowel de internationale gemeenschap als de VN. De preventieve oorlog in Irak is een zeer gevaarlijk precedent.
Volgens het Londense ‘International Institute for Strategic Studies’ heeft de oorlog in Irak trouwens een contraproductief effect op terrorismebestrijding. Dit betekent concreet een verhoogd risico voor willekeurige en bloederige aanslagen overal ter wereld. Ironisch genoeg willen de Verenigde Staten onvoorwaardelijk kunnen rekenen op de internationale solidariteit in hun huidige strijd tegen het wereldwijde terrorisme.
De dominante positie van de Verenigde Staten in de wereld stelt haar leiders in staat om het diplomatieke en politieke overleg, nodig om conflicten en oorlogen te vermijden, als omslachtig en overbodig te beschouwen. Nochtans zijn multilaterale actie en internationale akkoorden te verkiezen boven bilaterale akkoorden. Die laatste zijn immers beperkt en preferentieel, en werken met lagere veiligheidsmarges, wat een verhoogd risico op conflicten en onzekere vredessituaties tot gevolg heeft.
Het internationale kader van de Verenigde Naties wordt door de Verenigde staten wel volop gebruikt om bijvoorbeeld bondgenoot Israël principieel te beschermen. De Verenigde Staten hebben in het verleden altijd al ongeremd gebruik gemaakt van hun vetorecht als de uitkomst van het internationale overleg niet strookte met de Amerikaanse visie. Deze eenzijdige houding kan resulteren in een grotere onveiligheid, in een toename van conflicten en in nieuwe bedreigingen voor de vrede. De herhaalde vraag van de Palestijnen om een vredesmacht naar het conflictgebied te sturen om de routemap een kans tot slagen te bieden, wordt bijvoorbeeld systematisch door de Amerikanen afgewezen. Onder het mom van terrorismebestrijding (het uitschakelen van terroristische Palestijnse organisaties) wordt het staatsterrorisme waar Israël zich aan bezondigd in stand gehouden. De Verenigde Staten onderhouden op die manier een explosieve en zeer onveilige leefsituatie.
Terrorismebestrijding heeft ook intern tot een grotere onveiligheid geleid. De aanpak van de terroristische dreiging werd door de Verenigde Staten, maar ook door een hele reeks andere naties, gebruikt om het internationaal recht te ondermijnen en de mensenrechten in eigen land uit te hollen via een strenge veiligheidswetgeving (zie o.a. het jaarrapport 2004 van Amnesty International). Regeringen eigenen zich bijvoorbeeld het recht toe om verdachten zonder enige vorm van proces van hun vrijheid te beroven, vaak op basis van geheim bewijsmateriaal. Wereldwijd hebben regeringen miljoenen uitgegeven aan een veiligheidsbeleid in plaats van te investeren in duurzame oplossingen voor het groeiende probleem van het terrorisme.
Structurele onveiligheid
Tot slot dient te worden opgemerkt dat leven in een regio waar vrede heerst niet noodzakelijk betekent dat er in veiligheid geleefd wordt. Veiligheid heeft immers ook te maken met ontwikkeling. Het structurele geweld van armoede en honger, van uitbuiting en onderdrukking kan mensen en volkeren beletten zich te ontwikkelen. In een omgeving waar aan elementaire behoeften zoals genoeg voeding, zuiver drinkwater, basisgezondheidszorg, beschutting, enzovoort, niet voldaan wordt, kan niet in veiligheid geleefd worden. De levensstandaard in de 49 armste landen van de wereld was in 2003, volgens de Verenigde Naties, lager dan 30 jaar geleden. Er is dus globaal een groeiende polariteit tussen de armen en de rijken. Vermits er een link te leggen valt tussen achterstelling, conflict en terrorisme voorspelt dit niet veel goeds.
In de strijd om meer vrede en veiligheid in de wereld zal het dus niet voldoende zijn om aan symptoombestrijding te doen. Het is absoluut noodzakelijk dat ook de structurele oorzaken aangepakt worden die aan de basis liggen van conflicten en verzet. Alle achtergestelde gebieden zijn per definitie potentiële conflictgebieden. Conflictpreventie is uiterst belangrijk.
Op plaatsen waar er reeds conflicten aan de gang zijn, moet onmiddellijk gezocht worden naar de geschikte overlegstructuren waarin de verschillende partijen tot ieders voldoening tot praten in plaats van vechten komen. Conflictbeheersing zou voorop moeten staan.
Internationaal overleg, allerlei internationale rechtsregels en ontwapeningsverdragen zullen geen effect ressorteren zonder een meer fundamentele aanpak.
Ook in de recente strijd tegen het wereldwijde terrorisme zullen geen resultaten geboekt worden met de huidige agressieve en repressieve strategie, integendeel. Vrede kan er alleen maar komen als ingezien wordt dat een spiraal van geweld niet kan doorbroken worden door het inzetten van nog meer geweld.
Bron: Vrede