WTO-dossier: WTO Min ...
WTO Hong Kong: de ba ...
WTO Hong Kong: te w ...
WTO - Inleidende tek ...
De Wereldhandelsorganisatie (WTO) bestaat nog maar sinds 1 januari 1995, maar heeft in haar korte bestaan als zeer veel controverse uitgelokt. De WTO ontstond natuurlijk niet zomaar uit het niets. Voor de WTO was er GATT, het General Agreement on Tariffs and Trade of het Algemeen Akkoord over Douanetarieven en Handel.
GATT
GATT is een vrijhandelsakkoord dat in 1947 voor het eerst werd afgesloten. De bedoeling van GATT was er voor te zorgen dat landen zich niet zouden opsluiten in zichzelf en hun grenzen zouden open houden voor onderlinge handel. Tussen beide wereldoorlogen was namelijk het tegenovergestelde gebeurd. Omdat het economisch slecht ging, riepen veel regeringen hun burgers op zoveel mogelijk “eigen producten” te kopen. Hoe meer landen dit deden, hoe minder er internationaal verhandeld werd, hoe meer de economie kromp, hoe slechter het ging, hoe slechter ook de verstandhouding tussen de landen werd.
Met het GATT-akkoord beloofden landen dus om hun grenzen zoveel mogelijk open te. Dat gebeurde telkens in onderhandelingsrondes die soms enkel jaren konden aanslepen. De laatste grote GATT-onderhandelingsronde werd gelanceerd in Punta del Este in Uruguay in1986. De Uruguay Ronde duurde bijna acht jaar en leidde tot de ondertekening van een hele reeks nieuwe akkoorden, waaronder het akkoord over de oprichting van de WTO.
WTO
De WTO zou een permanente instelling worden om de liberalisering van de vrijhandel te bevorderen en te bewaken. Bovendien kwamen er nu ook akkoorden bij over de vrijmaking van de handel in landbouwproducten, en van de handel in diensten (GATS). GATT had zich immers in hoofdzaak beperkt tot de handel in industriële producten.
Andere nieuwigheid was een akkoord (TRIPS) over de bescherming van de intellectuele eigendomsrechten (octrooien of patenten). De WTO zou toezien op de uitvoering van al deze akkoorden (die nu ook gewoon als de “WTO-akkoorden” worden aangeduid) en tegelijk ook het forum zijn voor nieuwe onderhandelingen over de verdere vrijmaking van de wereldeconomie.
Om haar bewakingsfunctie kracht bij te zetten kreeg de WTO een bijzonder instrument ter beschikking: een geschillenregelingsorgaan dat bindende uitspraken zou kunnen doen, en sancties zou kunnen opleggen. In het internationale recht is dat zeer bijzonder en het maakte van de WTO meteen één van de machtigste instellingen ter wereld.
WTO Identikit
Adres: Geneve, Zwitserland
Oprichting: 1 januari 1995
Opgericht door: Uruguay Ronde (1986-94)
Lidmaatschap: 147 landen (sinds 23 April 2004)
Budget: 104 miljoen euro in 2004
Aantal personeelsleden: 601
Hoofd: Supachai Panitchpakdi (directeur-generaal)
Functie:
Uitvoering WTO akoorden opvolgen
Forum voor handelsbepsrekingen
Behandelen van handelsgeschillen
Opvolgen van nationaal handelsbeleid
Technische bijstand en training voor ontwikkelingslanden
Samenwerking met andere internationale organisaties
Tussen de ministerconferenties heeft de Algemene Raad het voor het zeggen. De Raad is samengesteld uit de ambassadeurs van de lidstaten in Genève, waar de WTO gevestigd is. Onder het gezag van de Raad functioneren een hele reeks thematische raden en werkgroepen. Dat resulteert in een groot aantal vergaderingen, vaak tientallen per week.
En daar schuilt meteen een eerste punt van kritiek op de WTO. Voor heel wat ontwikkelingslanden is het moeilijk om dit vergaderritme te volgen. Zij hebben in Genève maar een kleine ambassade en die moet bovendien de vele internationale instellingen die er gevestigd zijn opvolgen. Een paar dozijn ontwikkelingslanden hebben zelfs géén ambassade in Genève. Rijke landen daarentegen beschikken over goed uitgeruste veelkoppige vertegenwoordigingen en laten bovendien experts overvliegen als er belangrijke beslissingen op de agenda staan.
Dezelfde ongelijkheid van middelen doet zich voor bij ministerconferenties. De VS en de EU nemen er aan deel met 300- tot 600-koppige delegaties, kleine ontwikkelingslanden komen met twee à drie mensen. Bovendien speelt een groot deel van de WTO-besluitvorming zich af in exclusieve informele vergaderingen, en blijven er klachten opduiken over ongeoorloofde druk die rijke landen zouden uitoefenen om ontwikkelingslanden tot toegevingen aan te zetten (dreigen met het inhouden van ontwikkelingshulp bijvoorbeeld). Het mag dan wel op papier staan dat de WTO beslissingen neemt bij consensus, zodat elke lidstaat in principe een veto heeft, in de praktijk zou de machts- en middelenongelijkheid leiden tot onevenwichtige beslissingen in het voordeel van de rijke landen.
Handel en ontwikkeling
Tweede punt van kritiek is dan ook dat de belangen van de ontwikkelingslanden in de WTO onvoldoende aanbod komen. Deze kritiek heeft niet alleen te maken met de besluitvorming, maar ook met de uitgangspunten van de WTO. Hoofddoelstelling is immers de vrijmaking van de wereldhandel, maar rijke landen en arme landen zijn economisch heel verschillend. Kunnen zij zomaar maar hun markten voor elkaar openstellen zonder dat dit schade toebrengt aan de zwakkere economie. En verstoren rijke landen de wereldmarkt niet door de steun en subsidies die zij geven aan hun bedrijven? Toen GATT in 1947 voor het eerst ondertekend werd was het vooral een club van rijke landen, met de dekolonisatie is het aantal ontwikkelingslanden in de GATT en nadien in de WTO almaar toegenomen. Zij maken nu de meerderheid uit, maar economisch staan ze zwak. Sinds 1979 is dan ook het principe aanvaard dat ontwikkelingslanden, en zeker de minst-ontwikkelde landen recht hebben op een bijzondere behandeling: zij mogen hun grenzen langer afschermen, moeten hun invoertarieven met kleinere percentages verminderen, krijgen gemakkelijker toegang tot de markten van de rijke landen, enz. Ondanks de aanvaarding van het principe blijft de uitvoering ervan voor conflicten zorgen. Dikwijls is de “bijzondere behandeling” voor de ontwikkelingslanden in de WTO-akkoorden vaag geformuleerd zodat de uitvoering uit blijft. Bovendien veranderen langere uitvoeringsperiodes weinig aan de beslissingen zelf. Het feit dat ontwikkelingslanden bijvoorbeeld meer tijd krijgen om het TRIPS-akkoord uit te voeren, doet niet af van hun verplichting om hun wetgeving aan te passen, internationale patenten te erkennen en namaak op te sporen en te vernietigen. De aanvaarding van het TRIPS-akkoord door de ontwikkelingslanden is voor hen een kostelijke zaak: patenten maken technologie duur. In de afgelopen jaren heeft dit geleid tot een pijnlijke controverse over de betaalbaarheid van levensnoodzakelijke geneesmiddelen zoals AIDS-remmers. Ondertussen maken patenten het mogelijk voor westerse bedrijven om aanspraken te maken op geneeskrachtige kruiden uit het Zuiden of op traditionele kennis.
Waarom ontwikkelingslanden TRIPS dan aanvaard hebben? Omdat er aan het einde van de Uruguay Ronde een soort evenwicht was tot stand gebracht tussen het landbouwakkoord en textielakkoord aan de ene kant, het patenten akkoord en het dienstenakkoord aan de andere kant. Ontwikkelingslanden waren namelijk vragende partij om meer toegang te krijgen tot de markten van het Noorden voor hun landbouw- en textielproducten; rijke landen wilden meer toegang voor hun dienstenbedrijven en een bescherming voor hun patenten. Maar ook dit “evenwicht” staat ter discussie, vooral omdat het landbouw en het textielakkoord ontwikkelingslanden in de praktijk niet de markttoegang hebben opgeleverd die ze er van verwacht hadden.
Ondertussen is er trouwens een verandering opgetreden in de houding van de rijke landen. Daar waar ze vroeger het principe erkende dat ontwikkelingslanden het recht hebben om hun economie langer te beschermen, zeggen ze nu meer en meer dat handelsliberalisering zelf de belangrijkste bijdrage is tot ontwikkeling en zijn ze minder geneigd om ontwikkelingslanden nog uitzonderingen toe te staan. Dit is een fundamentele discussie: leidt liberalisering tot ontwikkeling, of is een zeker niveau van ontwikkeling vereist vooral men tot liberalisering kan overgaan? Historisch gezien hebben de rijke landen alleszins zelf decennialang de laatste weg bewandeld (en doen ze het nog altijd, vooral wat hun landbouw betreft). “Waarom mogen ontwikkelingslanden dat dan niet meer?”, vragen zijzelf en vele ontwikkelingsorganisaties zich af.
Handel, milieu en sociale gevolgen
Een derde punt van kritiek gaat over de relatie tussen de vrijhandelsakkoorden van de WTO en sociale en milieubekommernissen. Deze relatie gaat in twee richtingen: wat zijn de sociale en de milieugevolgen van de meer vrijhandel, enerzijds, en aan welke sociale en milieunormen moeten landen voldoen om handel te mogen drijven?
Om met de gevolgen te beginnen: is het wel zo een goede zaak dat appelen uit Chili vrij mogen ingevoerd worden in Europa? Appelen gedijen goed in het Noorden, waarom dan zoveel fossiele brandstoffen verspillen om ze met het vliegtuig of het vrachtschip te laten overkomen vanuit de andere kant van de wereld? Goedkope textielproducten uit Nicaragua drukken Belgisch textiel uit de markt. Wie zorgt er voor de mensen die daardoor hun job verliezen? Of omgekeerd, vanuit het standpunt van de normen: mogen derde landen groenten uitvoeren naar Europa die geteeld zijn met pesticiden die hier verboden zijn? Mogen textielproducten worden ingevoerd uit landen die geen vakbonden toelaten?
Het probleem lijkt dus te zijn dat er wel vrijhandelsakkoorden bestaan die afdwingbaar zijn, maar geen internationale sociale en milieu-akkoorden die de zelfde kracht hebben, en dat er bij de WTO-onderhandelingen te weinig rekening gehouden wordt met andere bekommernissen dan de commerciële of economische.
GATS
Uiteindelijk zijn we daarmee gekomen aan de kern van het huidige debat over de rol van de WTO. In de Wereldhandelsorganisatie gaat het allang niet meer over handel alleen. Handel kan niet los gezien worden van de rest van de maatschappij. De regels van de WTO raken ook aan milieu en aan mensenrechten, en hebben sociale gevolgen. Bovendien beperkt de WTO zich niet meer tot de handel in goederen, maar stelt ze ook regels op voor de handel in diensten, met name via haar General Agreement on Trade in Services (GATS). Hieronder vallen niet alleen commerciële diensten zoals boekhouding, reclame of onderhoud, maar ook alle nutsvoorzieningen (gas, water, elektriciteit) en essentiële diensten zoals onderwijs en gezondheidszorg. Met GATS raakt de WTO aan de fundamenten van de samenleving. Wordt er voortaan beslist over de levering en toegang tot deze diensten op basis van winstverwachtingen en koopkracht, of blijft de overheid garant staan voor een betaalbare toegang?
Naarmate de WTO meer impact heeft op de samenleving, is het nodig dat alle geledingen van de samenleving zich meer moeien met de WTO.
Bron: Uittreksel uit 'Feiten over ontwikkelingssamenwerking', uitgegeven door 11.11.11