WTO-minimin in Genè ...
WTO ministerconferen ...
WTO moet anders: Voe ...
WTO: Ontwikkelingsla ...
Door Marc Maes, Studiedienst 11.11.11
27 juli 2007
Traditioneel valt het zomerreces van de WTO in augustus. Net voordien, in de laatste week van juli komt in Genève de Algemene Raad van de WTO samen. De Algemene Raad heeft de bevoegdheid om belangrijke beslissingen te nemen. Elk jaar opnieuw wordt deze zitting aangegrepen om een doorbraak te forceren in de kwakkelende Doharonde. In 2004 is dat gelukt, sindsdien niet meer. Ook dit jaar niet. Velen vragen zich ondertussen af of de Doharonde nog wel zin heeft. Anderen zeggen dat het in september erop of eronder gaat worden.
Dit is het tweede van drie artikels over de stand van zaken in de Doharonde
Bij de gewone WTO-leden heerst al lang frustratie over het verloop van de Doharonde: zowel over het feit dat de G4/G6 (EU, VS, India, Brazilië; soms uitgebreid met Australië en Japan) het laken voortdurend naar zich toetrekken en ondertussen iedereen op zich laten wachten; als over de verenging van de Doharonde, die een “ontwikkelingsronde” zou moeten zijn, tot een discussie over tarieven en subsidies in landbouw en “NAMA”.
(NAMA staat voor Non-Agricultural Market Access, of markttoegang voor niet-landbouwproducten, dwz producten van de industrie, de visserij, de mijnbouw en de bosbouw).
Ontwikkelingslanden missen vooral de nodige aandacht en begrip voor hun thema’s zoals de grondstoffenproblematiek, de voedselzekerheid en de specifieke noden die samenhangen met hun verschillende ontwikkelingsniveaus.
Tijdens de jongste exclusieve G4-top in Potsdam midden juni, stuurden de G90 (de Minstontwikkelde, Afrikaanse en ACP-landen) samen met Venezuela en Bolivia een krachtige verklaring de wereld in waarin ze benadrukten dat transparantie en participatie van alle leden in het onderhandelingsproces cruciaal is en dat de ontwikkelingsthematiek de kern moet uitmaken van elk WTO-akkoord. De verklaring onderstreepte dat verscheidene studies (onder andere van UNCTAD) hebben uitgewezen dat de G90 weinig te winnen maar veel te verliezen hebben bij deze Ronde. De verklaring bevatte ook een 30-tal voorstellen van de G90 over de verschillende onderhandelingsthema's, waarbij ze zich er over beklaagden dat een groot deel daarvan niet aanbod komen in de G4-discussies.
De G90 vreest vooral dat ze op een bepaald ogenblik in een positie gedwongen worden waarbij ze een akkoord dat bereikt wordt tussen de G4, moeten aanvaarden zonder dat de eigen thema’s daar in opgenomen zijn, en dat die nadien ook niet meer aan bod zullen komen omdat de G4 hun belangrijkste eisen al op zak hebben.
(In hun verklaring verwijzen de G90 naar de volgende prioriteiten (met excuses voor al het WTO-jargon): bijzondere en aangepaste behandeling voor ontwikkelingslanden; oplossingen voor de problemen met de uitvoering van de bestaande WTO-akkoorden; effectieve inperking van de handelsverstorende landbouwsubsidies; grondstoffen; preferentie-erosie; katoen; tariefescalatie; disciplines voor zogenaamde niet-handelsverstorende landbouwsubsidies; extra markttoegang voor de minstontwikkelde landen; bijzondere behandeling voor de kleine en kwetsbare ontwikkelingslanden; speciale producten; speciale vrijwaringsmaatregelen; minder dan volledige wederkerigheid; adequate flexibiliteiten, enz.)
Ook deze week was het weer prijs in Genève. Op 17 juli hadden de voorzitters van de landbouw- en NAMA-onderhandelingswerkgroepen, de Nieuw-Zeelander Falconer en de Canadees Stephenson, hun lang aangekondigde onderhandelingsvoorstellen aan de WTO-leden voorgelegd. Deze week mochten de WTO-leden daarop reageren. Het initiatief van de twee voorzitters was een reactie op het exclusieve G4-gedoe en een poging om de uiteenlopende standpunten over deze twee cruciale onderhandelingsthema’s korter bij elkaar te brengen. De teksten waar al einde mei aangekondigd en na de mislukking van de G4-top van Potsdam op 21 juni, was dit de belangrijkste poging van het jaar om de onderhandelingen vooruit te helpen; een poging bovendien om alle leden terug bij het proces te betrekken. De landbouwtekst werd besproken op dinsdag 24 juli, de NAMA tekst op woensdag 25 juli. Op donderdag 26 juli kwam het plenaire algemene Onderhandelingscomité samen (Trade Negotiating Committee dat al de onderhandelingswerkgroepen overziet) en op vrijdag 27 juli uiteindelijk de Algemene Raad).
De landbouwtekst van Falconer kreeg nog de meeste steun, omdat hij ondanks de vele tekortkomingen nog het best de verscheidenheid aan standpunten weerspiegelde en de meeste opties aan boord hield. De NAMA-tekst van Stephenson daarentegen wekte echt véél kwaadheid, juist omdat hij veel standpunten gewoon uit het gezichtsveld had gehouden en sterk overhelde naar de zienswijze van de industrielanden. Dat bleek trouwens ook uit de reactie van de rijke landen, zij zagen de tekst veel beter zitten dan de meerderheid van de ontwikkelingslanden.
De meeste ontwikkelingslanden vonden dat de landbouwtekst van Falconer onevenwichtig was omdat hij veel gedetailleerder was over de steun aan de landbouwexport en de binnenlandse subsidies dan over markttoegang, de bescherming van de speciale producten (producten die belangrijke zijn voor de voedselzekerheid, inkomenszekerheid en plattelandsontwikkeling in de ontwikkelingslanden) en de bijzonder vrijwaringsmaatregelen (tijdelijke verhogingen van de invoertarieven in de ontwikkelingslanden om zich te kunnen beschermen tegen plotse sterke verhogingen van goedkope invoer uit het buitenland). Bovendien was de tekst te vriendelijk voor de landbouwsubsidies van de industrielanden. De meeste ontwikkelingslanden vonden dat de maximaal toelaatbare hoeveelheden in elk geval onder de huidige werkelijke betaalde hoeveelheid subsidies moesten vastgelegd worden, dat er dus reële en geen papieren vermindering moesten komen (zie WTO ronde blijft vastzitten, De knelpunten). Zij vonden ook dat de zogenaamde “niet-handelsverstorende subsidies” van de rijke landen sterker gereglementeerd moesten worden.
De EU vond dat de Falconer tekst te scherpe dalingen van de hoogste tarieven en subsidies had voorgesteld en herhaalde dat er meer bescherming moest komen voor haar “geografische benamingen” (“appelations controlées”). De VS vond dat er te weinig extra markttoegang voor haar exporten inzat, wilde meer beperkingen op de speciale producten en bleef erbij dat haar landbouwsubsidies niet verder naar beneden konden.
Iedereen blijf dus weer op de eigen standpunten staan die ze al jaren verkondigden. Toch leek iedereen best bereid om de Falconertekst in september te gebruiken als een werkdocument om het verder bij te timmeren.
De NAMA-tekst van Stephenson, daarentegen werd door sommigen ronduit van de hand gewezen en door velen zwaar op de korrel genomen; behalve dan door de rijke landen en een beperkte groep ontwikkelingslanden die er wel een goede werktekst inzagen. Deze groep, met daarin Chili, Columbia, Mexico, Costa Rica, Singapore en Thailand, had enige tijd terug een voorstel ingediend om de NAMA-coëfficiënten (zie WTO ronde blijft vastzitten, De knelpunten) vast te leggen op minder dan 10 voor de rijke landen en ergens tussen “achter in de tienen en vooraan in de twintig” voor de ontwikkelingslanden; hetgeen Stephenson in zijn tekst fijntjes had overgenomen als 8 of 9 voor de rijke landen en 19 à 23 voor de ontwikkelingslanden. Met hun voorstel leek de groep te bevestigen dat de ontwikkelingslanden over NAMA sterk verdeeld waren en dat de scheidingslijn niet zozeer Noord-Zuid liep. Tijdens de bespreking van de NAMA-tekst bleek echter duidelijk dat de meerderheid van de ontwikkelingslanden een veel hogere coëfficiënt wilden en bovendien ook veel meer uitzonderingen op de algemene tariefvermindering om beter rekening te houden met de verschillende ontwikkelingsniveaus en gehanteerde tariefstructuren. Dit bleek het duidelijkst uit de felle verklaringen van de ACP landen, de Afrikaanse landen en de NAMA-11. Samen vormen ze een meerderheid van de ontwikkelingslanden. (De “NAMA-11” zijn een dozijn grotere ontwikkelingslanden die vinden dat de sterke tariefverlagingen die de industrielanden eisen nadelig zijn voor hun economie en tewerkstelling). De bijeenkomst eindigde met een krachtige bijdrage van de Argentijnse ambassadeur die beklemtoonde in zijn eigen taal en nadien nog eens in het Engels dat de voorgestelde coëfficiënten onaanvaardbaar waren voor zijn land “vandaag, morgen, in september en zolang de ronde duurt”!
De meeste commentaren op de beide onderhandelingsteksten werden nog eens herhaald tijdens de bijeenkomst van het Trade Negotiating Committee van 26 juli. Bovendien maakten de ontwikkelingslanden nog eens van de gelegenheid gebruik om met een gezamenlijke verklaring uit te pakken die door maar liefst 8 coalities van ontwikkelingslanden werd ondersteund: door de G20 (groep van grotere ontwikkelingslanden met exportambities in de landbouw), G33 (groep van kleinere ontwikkelingslanden met defensieve belangen in de landbouw), de ACP landen, de Afrikaanse landen, de Minstontwikkelde landen, SVE (kleine en kwetsbare ontwikkelingslanden), NAMA-11 (grotere ontwikkelingslanden met defensieve belangen in NAMA), en de “Katoen 4” (vier arme West-Afrikaanse landen die sterk te lijden hebben onder de Amerikaanse katoensubsidies).
In hun gezamenlijke verklaring benadrukten ze opnieuw dat de Doharonde een ontwikkelingsronde moet zijn en dat de ontwikkeling in het Zuiden het hoofddoel moet vormen; dat landbouw de kern van de ronde uit maakt waarbij de ontwikkelingslanden vooral uit kijken naar de afbouw van de handelsverstorende landbouwsubsidies; en de onderhandelingen transparant en inclusief moeten verlopen.
Naast deze algemene verklaring legden de G90-NAMA 11 ook nog een gezamenlijke verklaring af waarin ze hun kritieken op de NAMA-voorstellen van Stephenson herhaalden en benadrukten dat de NAMA-onderhandelingen niet mogen vooruitlopen op de landbouwonderhandelingen anders riskeren de ontwikkelingslanden vooraf te betalen zonder dat hun verwachtingen in de landbouw ingelost zijn.
Daarmee hadden de ontwikkelingslanden de bal samen heel krachtig in het kamp van de rijke landen geschopt. Aan het eind van de bijeenkomst durfde niemand nog de twee onderhandelingsvoorstellen van Falconer en Stephenson voordragen als officiële werkbasis voor de verdere besprekingen in september. De bijeenkomst eindigde zonder officieel besluit. En zo ook de zitting van de Algemene raad op vrijdag 27 juli.
September wordt hoe dan ook een bijzonder drukke maand. Volgens sommigen (maar dat zeggen ze altijd) de meest cruciale uit de geschiedenis van de Doharonde. Nu wordt het echt erop of eronder. Vanaf het einde van het verlof op 3 september zal er onmiddellijk intensief onderhandelt worden over de landbouw; een week later begint Stephenson met bilaterale en kleine groepsgesprekken over NAMA om vanaf 17 september te beginnen met voltallige onderhandelingsvergaderingen; ondertussen zal er ook onderhandeld worden over de liberalisering van de diensten en over aan aantal nieuwe regels (voor geschillenbeslechting, anti-dumping, enz).
De aanvang van de gesprekken is gekend, de einddatum niet. In de WTO heeft men stilaan schrik voor deadlines, ze worden toch niet gehaald en halen zo alsmaar het vertrouwen in de organisatie onderuit.
"WTO, eerste artikel: Doharonde blijft vastzitten"
“WTO, derde artikel: Opdoeken die Doharonde”