Beleidsnota Internationale Ontwikkeling: analyse 11.11.11

Op 22 november bespreekt de Kamer de beleidsnota van minister De Croo. 11.11.11 maakte een analyse. Daarbij focussen we op drie punten in de nota die een parlementair debat verdienen: de middelen, de rol en de plaats van ontwikkelingssamenwerking en de aanpak in fragiele contexten.

Meer impact met minder middelen?

De Belgische ODA is in 2016 gestegen tot 0,49%. De regering voorspelt zelf voor de komende jaren een daling. Dit is het resultaat van ruim anderhalf miljard besparingen op het budget sinds 2014. De minister wil de impact van ontwikkelingssamenwerking vergroten, maar gaat voorbij aan het feit er met minder budget hoe dan ook minder impact is. Tegelijkertijd zien we dat de officiële ontwikkelingssamenwerking (ODA) wordt ingezet voor steeds meer doelstellingen zoals de gevolgen van klimaatveranderingen en de opvang in eigen land van mensen op de vlucht (meer dan 16,8% van de totale Belgische ODA in 2016). Meer uitdagingen vragen meer middelen.

De Croo trekt daarom de kaart van private investeerders. Het is terecht te wijzen op hun rol in het behalen van de SDGs, maar de inzet van voldoende publieke middelen blijft noodzakelijk. Zeker voor publieke diensten als onderwijs en gezondheidszorg. De vraag is ook of de private sector überhaupt interesse heeft en of die interesse te rijmen valt met de ontwikkelingsdoelstellingen. De praktijk wijst uit dat dit in het bijzonder in fragiele staten – waar de Belgische ontwikkelingssamenwerking op focust - niet evident is.

Wat is de rol en de plaats van ontwikkelingssamenwerking?

Minister De Croo benadrukt het belang van 'nieuwe' uitdagingen zoals vrede en veiligheid, klimaat en migratie. Terecht willen we in 2030 de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen behalen. Toch lijkt de core business van ontwikkelingssamenwerking ondergesneeuwd te geraken. De beleidsnota geeft onvoldoende garanties dat ook armoedebestrijding en de aanpak van ongelijkheid prioritair blijven. Dat is nochtans cruciaal binnen een aanpak waarbij mensenrechten centraal staan.

De minister benadrukt – in tegenstelling tot vorig jaar - dat de rest van het buitenland- beleid ook in functie moet staan van het verwezenlijken van de noodzakelijke voorwaarden voor duurzame ontwikkeling in de partnerlanden. Met andere woorden, ontwikkelingssamenwerking is meer dan enkel een instrument in functie van het buitenlandse beleid. De vraag is hoe de minister deze wederkerigheid ook in de toekomst nog sterker kan garanderen. Maar gezien de tendensen op Europees niveau, waarbij ontwikkelingssamenwerking vandaag te vaak gekaapt wordt door de eigen migratie- en veiligheidsagenda, maken we ons grote zorgen.

Aanpak in fragiele contexten?

Een rechtenbenadering is cruciaal. Dit betekent voor de minister dat daar waar overheden geen democratische legitimiteit bezitten, de ontwikkelingssamenwerking zal geheroriënteerd worden om rechtstreeks aan de burgers ten goede te komen. De voorbeelden in Burundi en Congo tonen aan dat dit bijzonder moeilijk is. Hoewel de Belgische gouvernementele ontwikkelingssamenwerking meer en meer focust op fragiele contexten, heeft de regering eigenlijk een onvoldoende coherente en werkbare strategie. Een duidelijk beleid dringt zich op: de eventuele nood om middelen te heroriënteren vraagt om een duidelijke visie, voorbereiding én de nodige flexibiliteit van de bestaande financiële instrumenten.

Indien u de volledige analyse wenst, kan dit via
Griet Ysewyn
Beleidsmedewerker Ontwikkelingsbeleid

Deel dit artikel