Noord en Zuid raken het niet eens over handel in diensten

Ook de dienstensector blijkt een struikelblok bij de onderhandelingen over de verdere vrijmaking van de wereldhandel. De ontwikkelingslanden klagen dat rijke landen zich blijven afschermen tegen internationale uitzendarbeid en tegen ondernemingen die via het snelle dataverbindingen allerlei diensten van op afstand kunnen leveren.


De landen van de Europese Unie en de VS maken het bedrijven uit landen als Turkije of Mexico die werknemers voor welomschreven opdrachten willen invliegen, niet makkelijk. Door bijna onhaalbare kwalificatievereisten en toelatingsvoorwaarden kunnen die vreemde werknemers hier vaak niet aan de slag. Ook bedrijven die door de zegeningen van het internet vanuit India marktonderzoek kunnen verrichten, studenten begeleiden of bouwplannen tekenen voor Engelse en Amerikaanse klanten, worden gehinderd.

 De voorbije week onderhandelden landen als de VS, de EU, Canada, Japan, India, Brazilië, Argentinië, Maleisië en Zuid-Afrika intensief over de internationale handel in diensten. De gesprekken maken deel uit van de Doha-ronde, een uiterst moeizame onderhandelingsmarathon binnen de Wereldhandelsorganisatie die de internationale handel moet liberaliseren. De discussies over de handel in diensten moeten duidelijk maken hoeveel de rijke en de ontwikkelingslanden willen toegeven in de verschillende gebieden in die sector.

Momenteel worden er vooral bilaterale gesprekken gevoerd. Die moeten een conferentie van alle handelsministers voorbereiden die volgende maand de onderhandelingen over de handel in diensten in een definitieve plooi moet leggen.

Teleurstelling

 Nogal wat ontwikkelingslanden zijn teleurgesteld over het verloop van die gesprekken. “India heeft actief deelgenomen aan de bilaterale discussies omdat we ervan uitgingen dat de liberalisering van de handel in diensten tweerichtingsverkeer zou zijn”, zegt de Indiase WTO-ambassadeur Ujal Singh Bhatia. “Het is niet de bedoeling dat we het op de conferentie van straks alleen hebben over de eisen van de rijke landen en hoe de ontwikkelingslanden daarop antwoorden.”

Veel ontwikkelingslanden die deelnamen aan de gesprekken van de voorbije week zeggen dat ze geen noemenswaardige toezeggingen hebben losgekregen van de industrielanden voor de vormen van internationale dienstverlening die de arme landen het meest interesseren. Volgens de Wereldbank kunnen de ontwikkelingslanden zo’n 150 miljard dollar rijker worden als de VS en de EU de beperkingen opheffen die nu gelden op de inzet van personeel dat tijdelijk wordt ingevlogen.

Samen met India schaarden ook China, Pakistan, Peru en Thailand zich achter een voorstel dat de rijke landen aanmaant om van koers te veranderen. De lidstaten van de WTO waren het er immers over eens dat de huidige onderhandelingsronde vooral moest ingaan op de noden van ontwikkelingslanden. Daartoe moet onder meer de “asymmetrie” worden aangepakt tussen de diensten waarin rijke landen sterk staan en de diensten die vooral de ontwikkelingslanden leveren. Tijdens de Uruguayronde, de vorige internationale handelsronde, slaagden de industrielanden erin veel ontwikkelingslanden hun markt voor financiële instellingen en telecommunicatiebedrijven uit het buitenland te doen openstelen. Over grensoverschrijdende uitzendarbeid kwam daarentegen geen overeenstemming.

“Nu willen de Verenigde Staten op dat punt nog altijd niet meer toegevingen doen”, zegt Bhatia, de Indiase onderhandelaar. De VS zijn de belangrijkste buitenlandse markt voor Indiase bedrijven uit de dienstensector. De VS en andere industrielanden verroeren volgens hem geen vin op het vlak van de kwalificatievereisten en vergunningen die het bedrijven uit ontwikkelingslanden moeilijk maken hun werknemers voor korte tijd in te zetten in de rijke landen. Omgekeerd eisen ze wel dat de ontwikkelingslanden de toegang tot de bank- en verzekeringswereld, telecommunicatie, de energiesector en de distributiesector verder vergroten.

BRON:
http://www.ipsnews.be

Deel dit artikel