"Olieprojecten Wereldbank vooral goed voor industrie"

Bijna alle olieprojecten die de Wereldbank ondersteunt, komen niet ten goede aan arme landen maar des te meer aan grote bedrijven uit de G7, het Amerikaanse Halliburton op kop. Dat blijkt uit een rapport van het Institute for Policy Studies in Washington. De auteurs stellen dat dit de aarzeling verklaart van de Bank om de stoppen met de financiering van projecten in de mijnbouw en de olie- en gassector. Dat is nochtans een aanbeveling uit een onafhankelijke studie die de Bank zelf bestelde.


De grote winnaars van de 132 leningen voor energieprojecten die de Wereldbank sinds 1992 toekende, zijn vooral bedrijven uit de rijke landen en met name uit de G7 - de landen die ook het zwaarst doorwegen in het beleid van de Bank, aldus het 38-pagina's tellende rapport 'The Energy Tug-of-War: Winners and Losers in World Bank Fossil Fuel Finance'.

 

De Amerikaanse energiegigant Halliburton - waarvan de Amerikaanse vice-president Dick Cheney chief executive was - haalde er het meeste voordeel uit. Bij de top 12 bevoordeelden zijn nog vijf andere Amerikaanse bedrijven: ChevronTexaco, ExxonMobil, Bechtel, Unocal and Enron. Andere bedrijven die leningen kregen waren BP (uit Groot-Brittanniƫ) Eni (Italiƫ), BHP (Australiƫ) and British Gas.

 

De meeste olieprojecten die de Wereldbank financiert, komen vooral tegemoet aan de groeiende vraag in het Noorden en helpen de industrielanden minder afhankelijk te worden van het Midden-Oosten. Voor de energievoorziening van ontwikkelingslanden levert het allemaal weinig op, besluit het rapport.

 

De auteurs geven het voorbeeld van Bangladesh, dat door de Wereldbank samen met Amerikaanse energiebedrijven en de Amerikaanse overheid wordt aangepord om meer aardgas te exporteren, terwijl niet meer dan 17 procent van de bevolking in het land zelf elektriciteit heeft. "Het aardgas zou eerst moeten dienen om de plaatselijke elektriciteitsnoden te dekken", vinden ze. "Op het Midden-Oosten na zijn er geen voorbeelden van succesvolle economische ontwikkeling gebaseerd op olie, argumenteren ze, en in die uitzonderinglanden is er geen democratie en worden de mensenrechten geschonden.

 

Westerse energiebedrijven hebben veel te verliezen als de Wereldbank de financiering zou stopzetten, en het Institute for Policy Studies vermoedt dat de Wereldbank daarom aarzelt om ermee te kappen.

 

In december kwam het Extractive Industries Review, een groots opgezette evaluatie van de rol van de Wereldbank bij de financiering van projecten in de mijnbouw en de olie- en gassector, tot de conclusie dat de jarenlange financiering van projecten in deze industrietakken geen bijdrage leverde aan  armoedebestrijding, nochtans de opdracht van de Wereldbank. De auteurs raadden de Bank aan tegen 2008 te stoppen met de financiering van dergelijke projecten, en het geld in de plaats daarvan bijvoorbeeld te gebruiken voor hernieuwbare energiebronnen.

 

Het is nog altijd afwachten of de Wereldbank de aanbevelingen van het onafhankelijke rapport zal volgen. Een beslissing zou naar verluidt nog twee maanden op zich laten wachten. Bankfunctionarissen lieten zich al ontvallen dat ze niet warm lopen voor een stopzetting van de financiering van olie- en gasprojecten omdat dit negatieve gevolgen zou hebben voor de betrokken ontwikkelingslanden. Vorige maand riepen meerdere internationale investeringsbanken de Wereldbank op om de aanbevelingen te negeren. Op het nieuwe rapport van het Institute for Policy Studies had de Bank geen commentaar.

 

IPS

Deel dit artikel