Schuldenlast: De gigantische habbekrats

 

De gigantische habbekrats

In 1999 bedroeg de derdewereldschuld op lange termijn 2.070 miljard dollar (op een totale DW-schuld van 2.554 miljard dollar). Dat is tegelijk massaal veel en erg weinig. Het is bijna 40 keer zoveel als wat door alle donoren samen jaarlijks aan ontwikkelingssamenwerking gegeven. Het is ook veel in vergelijking met de economische draagkracht van de schuldenlanden zelf. Gemiddeld betalen DW landen nog altijd een equivalent van 20 procent van hun exportinkomsten aan schuld.

Anderzijds is 2.000 miljard in orde van grootte te vergelijken met het kapitaal dat dagelijks omgaat op wisselmarkten. Je kan het ook afmeten aan de 6.000 miljard dollar schuld van de huisgezinnen in de Verenigde Staten.

De schuld van België is omgerekend ongeveer 250 miljard dollar waard. Dat is meer dan de hele schuld van de groep arme landen met hoge schuld (HIPC : heaviliy indebted poor countries), die ongeveer op 200 miljard dollar wordt geraamd. En het is over deze groep landen dat we het hieronder vooral zullen hebben

De processie van Echternach

Men is het er intussen wel over eens dat het schuldenbeleid minstens tot 1996 een puinhoop was. Na het openbarsten van de schuldencrisis in 1982 werd danig veel tijd verloren. Het duurde tot in 1988 voor echt werd erkend dat een stuk van de derdewereldschuld nooit afbetaald zou worden, en dat men dus op zijn minst het principe van gedeeltelijke kwijtschelding moest aanvaarden. In 1988 werden kredietverlenende landen het eens over de ‘Toronto terms’, een schuldverlichtingsmenu dat voorzag in een kwijtschelding van een derde van de schuldendienst. Vanaf dan volgde het ene menu het andere op. Het kwijtscheldingspercentage ging gestadig de hoogte in. Met de zogenaamde ‘Naples terms’ kwam men bij 67 procent kwijtschelding. Dat klonk indrukwekkend, maar was het niet. Door allerlei technische beperkingen bleef immers een groot deel van de schuld buiten behandeling. Bovendien bleven grote kredietverleners buiten schot. Heel de multilaterale schuld, met daarin de zo belangrijke Wereldbank en het Internationaal Muntfonds, bleef onbespreekbaar.

Half jaren negentig moest je gewoon vaststellen dat het schuldenbeleid nog niets had opgeleverd. Ook de armste schuldenlanden bleven ondanks alle palavers evenveel terugbetalen als tevoren. En voor heel wat van hen steeg de schuldenberg nog doordat ze niet alle schuldverplichtingen konden nakomen. Vergeten we tenslotte ook niet dat schuldenlanden voor deze peulschil jarenlang loodzware voorwaarden hadden moeten slikken . Veel inspanning om niets.

Vanuit het standpunt van de schuldeisers had het beleid wél enigszins gewerkt. Men was er toch nog in geslaagd om uit doodarme landen wat geld te persen. Tegelijk was de schuld gebruikt als hefboom om via aanpassingsprogramma’s de betrokken landen te dwingen tot besparingen en het invoeren van een markteconomie. Het IMF noemde dit zelf de ‘korteleibandpolitiek‘.

HIPC

In 1995 werd de druk om het schuldenbeleid drastisch om te gooien groot. Er was de ’50 jaar is genoeg’-campagne die uitwassen in het beleid van IMF en Wereldbank aan de kaak stelde. Maar ook in bredere politieke kring werd toegegeven dat schuldkwijtschelding te traag en niet ver genoeg en dat je op zijn minst vragen kon stellen bij de deugdelijkheid van de als voorwaarde opgelegde aanpassingsprogramma’s. Vanuit NGO’s zoals Eurodad of Oxfam UK werd steeds meer gevraagd naar een aanpak van de multilaterale schuld die tot dan toe aan elke snoeiinspanning was ontsnapt.

Aanvankelijk werd deze vraag door de bevoegde instanties weggelachen. Je moet het de Wereldbank nageven dat ze beseft wanneer een reëel probleem niet meer weg te moffelen is. Er kwam een task force die het probleem moest onderzoeken en een oplossing bedenken, liefst samen met het IMF. Op de jaarvergadering van de Bretton-Woodsinstellingen van 1996 werd het HIPC-systeem aangekondigd en goedgekeurd. Het was de bedoeling dat binnen een termijn van zes jaar de kredietverleners (bilateraal en multilateraal samen) de schuld van de betrokken arme landen zouden terugbrengen tot een ‘houdbaar’ niveau (sustainable). Al bij al was HIPC een handige zet van de multilaterale instellingen. De toegang tot het systeem was niet voor iedereen weggelegd, voor schuldkwijtschelding werd een lange en zware wachttijd van zes jaar ingebouwd, en de concrete bijdrage van de multilateralen zelf zou pas helemaal op het einde komen, als de kwijtschelding door de bilaterale schuldeisers ten volle had gespeeld.

20 tot 30 HIPC landen zouden ten laatste tegen 2000 een groot stuk van hun schuld zien verdwijnen en voorgoed af zijn van moeizame schuldonderhandelingen . Een ‘exit’ regeling noemt men dat.

Een valse start

Ngo’s voorspelden al van bij het begin dat die doelstelling niet zou worden gehaald. De drempels waren te hoog, de wachttijd te lang, de voorwaarden te zwaar, en de kwijtschelding te licht. Ze kregen jammer genoeg gelijk. Zelfs modellanden raakten bij het beste HIPC 1 scenario niet onder het schuldenjuk uit. Ook met HIPC werd amper het verschil weggesneden tussen wat landen zouden moeten betalen, en wat ze effectief jaar na jaren afdroegen.

De cijfers logen er niet om. De resultaten van HIPC na twee jaar waren volslagen ontoereikend. Eind 1998 hadden slechts vier landen (Bolivia, Oeganda, Guyana en Mozambique) van het HIPC initiatief kunnen genieten. Het ging dan nog grotendeels om landen die voor HIPC jarenlang aanpassingsprogramma `s hadden opgevolgd. Wat voor hen als schuldkwijtschelding op de plank lag kon je bezwaarlijk een exit-regeling noemen. Ze zouden na behandeling nauwelijks minder en in sommige gevallen meer betalen dan tevoren. Zelfs een lichte externe schok zoals verhoging van de rentevoeten of een nieuw dieptepunt in grondstoffenprijzen zou volstaan om hen opnieuw in de categorie onhoudbare schuld te doen terechtkomen.

Gaandeweg was er wel gesleuteld aan de drempels en de criteria die bij de beoordeling van de schuldenlanden werden gehanteerd. De druk op het overheidsbudget kon mee worden verrekend worden en voor landen met een open economie (hoge export in verhouding tot het nationaal inkomen) werden de toelatingscriteria soepeler toegepast. Maar dat soort plastische chirurgie zou niet meer volstaan.

Fases, criteria en landen in het HIPC-kader

  • Landen komen in aanmerking als ze een laag inkomen hebben (enkel leningen van het zachteleningenluik van de Wereldbank), een programma hebben met het IMF, en al een (concessionele) herschikking van hun schuld hebben gehad bij de club van Parijs (de groep van officiële bilaterale kredietverleners).
  • In een eerste fase houdt het land zich drie jaar aan de normen van het IMF/WB programma . Aanpassingsprogramma’s uit het verleden tellen in zekere mate mee. IMF en Wereldbank analyseren de houdbaarheid van de schuld van het betrokken land (een ‘debt sustainability analysis’) en gaan na hoeveel kwijtschelding nodig zou zijn.
  • Op het ‘beslissingspunt’ (decision point) wordt bekeken hoe het land scoort op de gehanteerde criteria: de netto geactualiseerde waarde van de schuld mag hoogstens 150 procent bedragen van de export. Of 250 procent van de overheidsinkomsten. Dat laatste geldt voor landen met een open economie (export 30 procent of meer van het nationaal inkomen; en overheidsinkomsten van 15 procent of meer van het nationaal inkomen).
  • Er zijn twee mogelijkheden. Als het land onder deze drempels blijft na kwijtschelding door de Club van Parijs, komt het niet in aanmerking voor HIPC-behandeling. Voor landen boven de drempels wordt vastgelegd hoeveel kwijtschelding ze zullen krijgen op het ‘voltooiingspunt’.
  • Het land gaat nu een tweede fase in. Die duurt nu niet meer noodzakelijk drie jaar. Het voltooiingspunt is ‘vlottend’. IMF, Wereldbank geven interimkwijtschelding van schuldendienst. Ook andere crediteurs kunnen naar believen interimkwijtschelding geven. Die is wel deel van de afgesproken kwijtschelding. Ze komt er niet bovenop.
  • Het ‘voltooiingspunt’ komt er wanneer objectieven van het armoedebestrijdingsplan gerealiseerd zijn. Crediteuren geven de afgesproken kwijtschelding. Voor De Club Van Parijs is dat nu 90 procent of meer in netto geactualiseerde waarde van de schuldenvoorraad. De multilateralen geven de extra kwijtschelding die nodig is om tot ‘houdbare’ schuld te zakken. Daarnaast wordt ook getracht om van andere crediteuren (bijvoorbeeld privébanken) gelijkwaardige schuldbehandeling te verkrijgen.

Op dit ogenblik zijn er 41 HIPC-landen:
Angola, Benin, Bolivia, Burkina Faso, Burundi, Kameroen, Centraal-Afrikaanse Republiek, Tsjaad, Congo-Brazzaville, Congo-Kinshasa (Democratische republiek Congo), Ivoorkust, Ethiopië, Gambia, Ghana, Guinee, Guinee-Bissau, Guyana, Honduras, Kenya, Laos, Liberia, Madagascar, Malawi, Mali, Mauretanië, Mozambique, Myanmar, Nicaragua, Niger, Rwanda, Sierra Leone, Sao Tomé/Principe, Senegal, Somalia, Soedan, Tanzania, Togo, Oeganda, Vietnam, Yemen en Zambia.
Van deze 41 hebben 4 landen volgens IMF/WB een houdbare schuld : Angola, Kenya, Vietnam en Jemen.

Van de 37 landen met ‘onhoudbare schuld hebben er 2 hun HIPC status laten vallen:
Ghana en Laos.

22 hebben hun beslissingspunt bereikt:
Benin, Bolivia, Burkina Faso, Kameroen, Gambia, Guinee, Guinee-Bissau, Guyana, Honduras, Madagascar, Malawi, Mali, Mauretanië, Mozambique, Nicaragua, Niger, Rwanda, Sao Tomé /Principe, Senegal, Tanzania, Oeganda, Zambia.

Van de 13 overblijvende landen die later hun beslissingspunt zouden kunnen bereiken zitten er 9 in een open conflictsituatie:
Burundi, Centraal-Afrikaanse Republiek, Congo-Kinshasa, Congo-Brazzaville, Liberia, Myanmar, Sierra Leone, Somalia, Soedan
De overblijvende 4 zijn Tsjaad, Ivoorkust, Ethiopië en Togo.

Gedonder in Keulen: Op naar HIPC 2

Intussen was er Jubilee 2000, een grote wereldwijde campagne die naar aanleiding van jubeljaar 2000 de schuld van de armste landen uit de wereld wou helpen. De druk op het beleid werd gestadig opgevoerd en bereikte een hoogtepunt met dertigduizend betogers in Keulen in de lente van 1999. Jubilee 2000 overhandigde er een petitie met 17 (intussen 24) miljoen handtekeningen aan de leiders van de G7. De beloftes volgden. Maar ook Keulen bleef beneden de maat.

In de perscommuniqués werd 100 miljard dollar schuldverlichting voor de HIPC-landen aangekondigd. Op een totale schuld van ongeveer 200 miljard klonk dat veelbelovend. De pers had het over een doorbraak, en een grote inspanning van de schuldeisers.

Maar wat lag er echt in het bakje? De 100 miljard was nominale waarde. De netto geactualiseerde waarde (Net Present Value) van deze schuld bedroeg ongeveer 61 miljard dollar. (De NPV houdt rekening met de afbetalingen in de toekomst en met het feit dat in vele van deze gevallen een rente betaald wordt die een stuk onder de marktrente ligt). Er werd al helemaal niet gemeld dat de schuld van een groot deel van de HIPC-landen eigenlijk al grotendeels is afgeschreven in de boeken van de schuldeisers. In de praktijk is ze een fractie (ergens tussen 10 en 20 procent) waard van de nominale bedragen. In dit geval gaat het dan nog over 10 tot 20 miljard dollar. Daarbij komt nog dat de schuld niet in een klap weggeveegd zou worden. De schuldkwijtschelding zou gespreid worden over een respectabel aantal jaren.

Niet eens de helft van de beloofde kwijtschelding was nieuw. 25 van de 100 miljard was al toegezegd onder HIPC 1. En 30 miljard schuldverlichting stond al sinds 1994 op het lijstje van de Club van Parijs, onder de zogenaamde ‘Naples Terms’, die voorzagen in 67 procent schuldverlichting.

Nieuw in de 100 miljard was extra kwijtschelding van 20 miljard hulpschuld (schuld die voortkomt uit kredieten met een hoog hulpgehalte, onder andere door lage of nulprocent rente en zeer lange looptijden). Mooi als symbolisch gebaar, maar precies door het hoog hulpgehalte ook weinig meer dan dat. Echt nieuw was 28 miljard dollar extra kwijtschelding door nieuwe aanpassingen aan het HIPC initiatief (men noemt het vanaf dan ook HIPC 2 of verbeterd HIPC).

Van fabels naar feiten

Al bij al ging men met HIPC 2 dus weer een stapje verder. Drie nieuwe landen kwamen in aanmerking. Dat bracht het totaal op 32. En er was een grotere kwijtschelding beloofd (90 procent in plaats van 80 procent als basistarief). Omgerekend naar netto geactualiseerde waarde (Net Present Value) was er nu 61 miljard dollar kwijtschelding aangekondigd. Voor eind 2000 zouden minstens 24 landen van HIPC kwijtschelding kunnen genieten. De realiteit bleef weer wat achter. Uiteindelijk werd er een akkoord gesloten met 22 landen. Die kregen nu eindelijk de vroeger beloofde kwijtschelding onder ‘Naples terms’, goed voor ongeveer 9 miljard dollar NPV. Daarbovenop kwam de 20,3 miljard dollar in NPV onder HIPC 2. Dat betekent niet dat de betrokken landen ineens over een extra middelenpot van 20,3 miljard kunnen beschikken. De kwijtschelding wordt immers verleend in de vorm van een verminderde schuldendienst gespreid over de volgende 20 jaar (schuldendienst is wat jaar na jaar aan intrest en stukjes hoofdsom betaald wordt). De 20,3 miljard staat wel voor 33,6 miljard kwijtschelding in nominale waarde.

Van de 22 landen zat enkel Oeganda op het ‘voltooiingspunt’, het einde van de HIPC-cyclus waar ook kwijtschelding van de schuldenlast is voorzien. De andere landen waren nu voorbij het `beslissingspunt` en kregen interimverlichting van hun schuldendienst.

De impact van de schuldverlichting varieert sterk van land tot land. Maar doorgaans blijven ze nog te veel geld in schuldbetalingen pompen. Het meest frappante voorbeeld is Zambia, dat na HIPC-behandeling meer had moeten betalen dan tevoren. Dat lag aan een groot IMF-krediet dat niet voor schuldverlichting in aanmerking kwam. Onder ngo-druk verkreeg Zambia dat het IMF in de komende drie jaar interimsteun verleent om de schuld af te lossen. Maar het is niet uitgesloten dat het land na 2003 wereldbankgeld zal moeten gebruiken om het IMF verder af te betalen. Veel overschot voor ontwikkeling is er dan niet.

Schuldeisers proberen soms ook aan HIPC-kosten te ontsnappen. Japan zette druk op enkele van zijn schuldenaren om uit het HIPC-kader te stappen. Het dreigde zijn hulpbijdrage aan Benin, Ghana , Laos en Malawi flink in te krimpen. Ghana en Laos gaven toe en lieten hun HIPC-status varen.

Te veel tijd, te weinig geld en nog meer beloftes

Ondanks het toestaan van interimschuldverlichting en het loslaten van de vaste wachttijd van zes jaar, blijft HIPC-behandeling een zaak van te lange adem. In de voorbije jaren werd het proces ook nog afgeremd door het zware voorwaardenbeleid. Sommige landen moesten aan een lijst van meer dan 100 verschillende voorwaarden voldoen voor ze aan schuldverlichting toekwamen.

Een ander teer punt van HIPC is de onderfinanciering van het HIPC Trust Fund. Dat fonds moet bijspringen voor kwijtschelding door multilaterale instellingen die zelf slap bij kas zitten, zoals de Afrikaanse ontwikkelingsbank. Dat belet niet dat intussen nieuwe beloftes gedaan werden. Zowat alle G7 landen, en enkele andere, willen nu de schuld van HIPC-landen zelfs voor 100 procent kwijtschelden. Dat zou voor de 22 landen nog eens vier miljard dollar in netto geactualiseerde waarde extra opleveren.

Daardoor wordt de HIPC-schuld in zekere zin veeleer een boekhoudkundig probleem. De schuldeisers hanteren immers allemaal verschillende technieken om de kost van schuldverlichting in hun boeken en in hun begroting op te nemen. Voor de VS, waar rekening werd gehouden met de ontwaarding van de schuld, volstaat een budget van 346 miljoen dollar om de 3,8 miljard schuld (in nominale waarde) van de genoemde HIPC-landen kwijt te schelden. Voor landen als Frankrijk, Japan en België ligt dat blijkbaar een stuk moeilijker.

PRSP: de amroedebocht van de Bretton-Woodsinstellingen

Op de jaarvergadering van 1999 waar de verbeterde versie van HIPC werd voorgesteld, was er nog opzienbarend nieuws. Een door het schuldenland zelf opgemaakte armoedebestrijdingsstrategie (PRSP: poverty reduction strategy paper) zou voortaan de plaats innemen van de vroegere door de Bretton Woods gedicteerde Policy Framework Papers. Het PRSP moet nog wel bekrachtigd worden door het bestuur van IMF en Wereldbank. Pas dan krijgt het schuldenland toegang tot de PRGF (poverty reduction and growth facility) die voor de financiering van hervormingsprogramma’s de vroegere aanpassingsfaciliteit (ESAF: enhanced structural adjustment facility) van het IMF zou vervangen.

Armoedebestrijding werd voortaan allereerste prioriteit. Het armoedebestrijdingsplan zou worden opgemaakt door de regering van het land zelf, in samenspraak met de democratische instellingen en de civiele maatschappij. Donoren zouden hun inspanning coördineren en op het nationale plan afstemmen. IMF en Wereldbank zouden zich naar eigen zeggen beperken tot analytisch advies en steun. Dat is belangrijk omdat ook het macro-economisch beleid volledig moet passen in (en aangepast worden aan) het objectief van armoedebestrijding.

In principe is dit een goede zaak. In theorie ligt hier een buitengewone kans om verantwoordelijkheid én beslissingsmacht over ontwikkeling te verschuiven naar de regering en de bevolking van de betrokken landen. En voor de Bretton-Woodsinstellingen leek het zonder meer een omwenteling.

De buitenwacht reageerde sceptisch. Was dit niet gewoon oude wijn in nieuwe zakken? Deed het IMF hier een grote PR-oefening om de steeds scherpere en luidere kritiek op zijn beleid te sussen? De eerste gesprekken met beleidsmensen van het Fonds waren alvast niet veelbelovend. Het IMFpersoneel had nog behoorlijk veel moeite met het nieuw aangemeten armoedejargon. Bovendien, en dat was erger, bleek men niet erg geneigd om het aloude en vaak verguisde macro-economisch beleid grondig bij te sturen. ‘Als de regeringen gezond verstand hebben, zullen ze zien dat ons beleid het juiste is’, heette het.

De eerste experimenten werden opgezet. In een aantal HIPC-landen kwam er een consultatieproces om tot een breder gedragen nationale strategie te komen. Ngo’s bouwden een internationaal e-mail -netwerk uit van contacten in de betrokken landen (PRSP-watch). Zo konden ervaringen, enthousiasme en ergernis over het ‘participatorisch’ proces snel worden uitgewisseld.

Maar ook meer dan een jaar later, en na actieve deelname van ngo’s in het proces, bleef de twijfel. De ervaringen in verschillende landen lopen niet altijd gelijk. De kwaliteit van het proces hangt immers sterk af van de intellectuele en organisatorische capaciteit van de regering, van de sterkte en mondigheid van de civiele maatschappij, en van de machtsverhoudingen tussen het land en de internationale donoren. In de praktijk blijkt dat het opstellen van een echte armoedestrategie eigenlijk enkel lukt waar het proces al voor de beleidsbocht van IMF en Wereldbank aan de gang was.

We vatten de voornaamste probleempunten kort samen:

  • Een strategie voor armoedebestrijding uitwerken, met inspraak van de bevolking, is een langetermijnproces. Dat staat haaks op gebruik van PRSP’s als noodzakelijke voorwaarde om onder HIPC op zeer korte termijn schuldkwijtschelding te bekomen. Het gebruik van interim-PRSP’s om dit euvel te ondervangen is een doekje voor het bloeden.
  • De snelheid waarmee ze zijn uitgevoerd kwam de kwaliteit van de PRSP niet ten goede. In het beste geval werkte men verder op bestaande nationale ontwikkelingsstrategieën en werden een aantal relevante nationale actoren (parlementen, vakbonden, ngo’s) minstens gehoord. In het slechtste geval werd de hele strategie bij elkaar geschreven door een externe consultant en was de consultatie van de bevolking een schertsvertoning.
  • In de PRSP’s die tot nu toe zijn geschreven is men er niet in geslaagd om het macro-economisch beleid echt in het objectief van armoedebestrijding te integreren. Uiteindelijk komt met terecht bij een iets soepeler toegepast traditioneel macro-economisch beleid, met sociale vangnetmaatregelen om de scherpe kanten af te ronden.
  • Economische groei blijft centraal staan als motor voor ontwikkeling en armoedebestrijding. Nu is groei een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om deze doelstelling te realiseren. Er moet veel meer aandacht gaan naar de kwalitatieve aspecten van de groei. Wat maakt van groei ook groei die de armen ten goede komt (in het vakjargon ‘pro poor growth’)?
  • Alle mooie woorden over de hoofdrol van het betrokken land, en de nu bescheiden rol van IMF en Wereldbank, blijven twijfelachtig zolang de uiteindelijke beslissing over al dan niet financieren van de programma’s afhangt van het bestuur van de twee instellingen.
  • De kwaliteit van het ‘participatorisch’ proces is doorgaans ondermaats. Er is geen duidelijke minimumnorm. Dat kan betekenen dat te weinig groepen, te kort of te weinig diepgaand werden gehoord. Vaak was ook de voorbereiding ontoereikend, met slechte of niet eens in de lokale taal beschikbare documenten. Het voornaamste bezwaar is echter dat in de meeste gevallen niet duidelijk wordt gemaakt hoe er met de resultaten van de consultatie rekening gehouden zal worden. Vergaderingen met ngo’s zijn dan niet meer dan een goed alibi en een uitlaatklep.
  • Indien men de nieuwe armoedebestrijdingsaanpak ernstig neemt, heeft dat grote gevolgen voor het beleid en de praktijk van de donoren. Indien het land in kwestie inderdaad echt het stuur overneemt, zal het duidelijk een kader schetsten waarbinnen ontwikkelingsinspanningen van instellingen en bilaterale donoren moeten passen. Dat staat nogal dwars op de huidige praktijk, waarbij de meeste donoren hun eigen projecten en programma’s proberen te slijten en daaraan ook nog eens een heel eigen set voorwaarden en procedures koppelen. Uiteindelijk zal men moeten overschakelen naar licht beïnvloedbare budgetsteun. En dat is een switch die de meeste donoren tot nu toe niet willen maken.
  • PRSP is slechts een van de mogelijke ‘coördinatiekaders’. Er zijn ook andere ‘development strategy coördination frameworks’ , zoals het CDF (comprehensive development framework) dat door de Wereldbank gepromoot wordt, of de nationale actieplannen die in het kader van de VN-werking rond de Minst Ontwikkelde Landen worden gemaakt, of de nationale plannen die in het kader van de Cotonou-overeenkomst tussen de Europese Unie en de ACS-landen (landen van Afrika, de Caraïben en de Stille Oceaan) worden uitgewerkt. Voor de betrokken landen is dat verwarrend, ontmoedigend, en hinderlijk. Uiteindelijk moet men naar één kader, onder leiding van het land zelf, waarbij externe donoren door de Verenigde Naties gecoördineerd worden.

Verdere stappen: 100 procent is niet genoeg

Hoe moet het verder met schuldkwijtschelding? Men komt er eindelijk achter dat de armste landen (in of net buiten de HIPC-lijst) zich eigenlijk geen schuld kunnen veroorloven. De schuld terugbrengen tot ‘houdbaar’ niveau ( sustainable debt) betekent dan ook dat alle schuld moet geschrapt worden. Voor de meeste HIPC-landen is dat niet eens voldoende . Binnen de VN is men het eens geraakt over de dringendste ontwikkelingsdoelstellingen, te halen tegen 2015. Daarin zitten onder andere het halveren van het aantal absoluut arme mensen, en het leveren van enkele essentiële sociale diensten, zoals basisonderwijs. Zelfs volledige schuldkwijtschelding en wat ze op dit ogenblik aan hulpgeld krijgen, zal voor de meeste HIPC landen niet volstaan om die ambitie waar te maken.

Vandaar het volgende eisenlijstje:

  • volledige kwijtschelding van de schuld van HIPC landen door de Club van Parijs
  • volledige kwijtschelding van multilaterale schuld tegenover IMF en Wereldbank
  • loskoppeling van orthodoxe conditionaliteit; voor probleemlanden (landen in oorlog bijvoorbeeld) kunnen afbetalingen in een fonds opgespaard worden, en overgemaakt aan het betrokken land wanneer de toestand gestabiliseerd is.
  • bij het berekenen van de kosten van de kwijtschelding moeten crediteurs uitgaan van de reële, niet de nominale (of zelfs niet de netto geactualiseerde) waarde van de schuld; dat brengt bedragen terug tot hun reële proportie (zowat 10 procent van de nominale waarde);
  • de reële kost moet gedragen worden met bijkomende middelen.

Er moet ook maar eens een antwoord bedacht worden op een vraag die in het Zuiden steeds luider klinkt: hoe krijgen we het geld terug dat van noordelijke geldschieters geleend werd, maar nadien door de plaatselijke elites werd ingepalmd en doorgesluisd naar geheime rekeningen, alweer in het Noorden? Er is dringend nood aan een legaal kader voor het recupereren van deze ‘biens mal acquis’.

En wat met België?

België zit vanaf 1991 bij de betere leerlingen in het schuldverlichtingsklasje. De jongste jaren volgt men trouw de akkoorden die binnen de Club van Parijs afgesloten werden, en er werd meer dan eens toegezegd dat ook België in bepaalde gevallen verder wil gaan dan de kwijtscheldinspercentages die daar afgesproken werden. We moeten er wel bij vertellen dat de administratie van financiën daarbij eerder op de rem dan op het gaspedaal duwt, en doorgaans zweert bij de zuinigst mogelijke invulling van bereikte akkoorden.

Het is jammer dat onze overheid tot nader order huivert om de laatste kleine stap naar 100 procent kwijtschelding voor HIPC- en vergelijkbare landen te nemen.

Over welke schuld gaat het?

Het gemakkelijkste blok schuld betreft de leningen van staat tot staat. Het zijn leningen die voortkomen uit kredieten met geen of zeer lage interest en met een looptijd van 30 jaar. Ze hebben een giftelement van om en bij de 80 procent. Bij de lijst van 22 HIPC-landen die nu in aanmerking komen zitten er zeven waarvan België de schuld al vroeger heeft kwijtgescholden. Voor tien landen zijn er geen Belgische vorderingen onder dit stelsel. Blijven 5 landen ( Bolivia, Kameroen, Guinee, Sao Tomé, Tanzania) met een totaal aan leningen van staat tot staat van 2,2 miljard BEF. De terugbetaling daarvan is nu al gespreid tot 2035. Die bedragen zouden zonder meer kwijtgescholden kunnen worden.

Buiten de lijst van 22 zijn er nog vier landen die later voor behandeling in aanmerking kunnen komen: de twee Congo’s , Ethiopië en Liberia. Het gaat om een totaal bedrag van 6,211 miljard. Met daarin 5,44 miljard voor Congo-Kinshasa. Maar ook voor deze 6,2 miljard is de terugbetaling gespreid tot in 2039.

We verwachten dat België voor deze soort schulden verder zal gaan op de ingeslagen weg, en tot volledige kwijtschelding zal overgaan. Dat gebeurt waarschijnlijk niet in een klap, maar door het jaar na jaar kwijtschelden van alle terugbetalingsverplichtingen.

De schuld van HIPC-landen tegenover de Nationale Delcrederedienst is groter, duurder, en ligt dan ook moeilijker. Al moet je de gevraagde inspanning ook hier relativeren.

In totaal gaat het om een schuld van 86,378 miljard BEF. Daarin zit de schuld van landen uit de groep van 22 die al het HIPC-beslissingspunt heeft bereikt . Voor België gaat het om Bolivia, Kameroen, Guinee, Guinee-Bissau, Madagascar, Senegal en Tanzania , samen goed voor 14,86 miljard. 90 procent kwijtschelding voor hen zou ongeveer 4,8 miljard kosten.

Daarnaast zijn er nog landen die later aan hun beslissingspunt zouden kunnen toekomen. Voor België gaat het om Congo-Brazzaville, Congo-Kinshasa, Ethiopië, Ivoorkust, Myanmar, Sierra Leone, Soedan en Togo. Ze staan samen voor 71,518 miljard schuld. Het grootste deel van deze schuld zit wel bij Congo Kinshasa (40,6 miljard) en Soedan (18,3 miljard), bestaat uit achterstallen, en is eigenlijk geen stuiver meer waard. De reële kost van 90 procent kwijtschelding van de 71 miljard schuld van deze groep kun je schatten op 5,8 miljard.

De kost van kwijtschelding zit hier in de compensatie die door de staat aan de Delcrederedienst geleverd moet worden. Ook deze kost kan over tien of meer jaar gespreid worden.

Een bijkomend probleem is het stukje schuld dat door de Delcrederedienst wordt beheerd, maar dat eigenlijk nog op rekening staat van de privéfinanciers of exporteurs die oorspronkelijk door Delcredere werden verzekerd. Het gaat doorgaans om 5 tot 10 procent van de uitstaande vorderingen. De kans is groot dat deze privéschuldeisers compensatie zullen vragen, ook al zijn de verschuldigde bedragen waarschijnlijk bij hen al helemaal afgeschreven. De overheid hoeft hier helemaal niet aan toe te geven.

Om kort te gaan: ook kwijtschelding van de schuld van HIPC-landen betekent voor België geen onoverkomelijke kost. Onze overheid moet de koe nu maar eens bij de horens vatten en gewoon overgaan tot 100 procent kwijtschelding voor de betrokken landen. Hoe dat gebeurt, wanneer, en hoe alles in de overheidsbegroting wordt verrekend, zijn dan grotendeels technische kwesties die jaar na jaar en geval per geval gepreciseerd kunnen worden.

Na de schuldkwijtschelding moet het echt belangrijke werk eigenlijk nog beginnen. Het opstellen en uitvoeren van plannen die de betrokken landen en hun bevolking op middellange termijn uit de absolute gevarenzone weghalen, wordt ook zonder schuld én met bijkomende ontwikkelingssamenwerking nog een hele klus.

Bron: Rudy De Meyer, studiedienst 11.11.11 in Noordzuidcahier, 2001, nr.2

11.11.11 DOOR:

Deel dit artikel