Voorbij de macho-consensus

Wie meer leent of uitgeeft dan hij verdient moet besparen om zijn budget in evenwicht te brengen. Die boerenlogica klinkt zo evident dat ze zonder veel verzet toegepast wordt op de uitgaven van de staat.

Fout, zegt Nobelprijswinnaar voor Economie (2001) Joseph Stiglitz: ‘Een overheid die bespaart in economisch moeilijke tijden vermindert de collectieve opbrengst en de individuele inkomens en verhoogt de werkloosheid, waardoor de mogelijkheid om schulden terug te betalen feitelijk kan verkleinen. Wat waar is voor een gezin is niet waar voor een land.'

Stiglitz en zijn collega-Nobelprijswinnaars Amartya Sen (1998) en Paul Krugman (2008) zijn steeds meer roependen in de westerse woestijn. Na de financiële crach van 2008 was de algemene verwachting dat de schriftgeleerden van de neoliberale theologie geruisloos in hun spelonken zouden verdwijnen en dat een nieuwe periode van politiek geleide economie zou aanbreken. De Beijing Consensus werd het al genoemd: een economie gestuurd door een overheid met een duidelijk sociaal programma. In Europa neemt de politiek eind 2010 inderdaad resoluut het voortouw, zij het niet om een noodzakelijke Green New Deal door te voeren maar om de neoliberale wereldorde te herlanceren die twee jaar geleden voor een nooit gezien financieel debacle zorgde. De slotverklaring van de G20-top in Seoel stelde onverkort dat de crisis veroorzaakt werd door ‘banken en andere financiële instellingen die roekeloze en onverantwoorde risico's namen, gecombineerd met fundamentele tekorten in de regulering en de controle'. In Brussel praat men echter nauwelijks nog over regulering van de financiële sector of stimulering van tewerkstelling, maar over soberheid en besparingen. Het is de jaren tachtig redux.




BRON:
MO* Magazine

Deel dit artikel