11.11.11-campagne: Voedselsoevereiniteit of ‘verborgen honger’?

Voedselsoevereiniteit of ‘verborgen honger’?

De Wereldgezondheidsorganisatie rangschikte in 2002 de risicofactoren volgens de ziektelast die ze veroorzaken. Ondervoeding bleek veruit de belangrijkste te zijn. Ongeveer de helft van de kindersterfte is te wijten aan ondervoeding. Daarnaast is honger ook een rem op de ontwikkeling: mensen met honger hebben enkel energie voor de dagelijkse strijd om te overleven.

Kinderen met honger hebben leermoeilijkheden. Volwassenen die als kind ondervoed waren, zijn voor de rest van hun leven verzwakt en vatbaarder voor ziekten. Hun arbeidsproductiviteit ligt lager dan die van mensen die wel over voldoende voedsel beschikken. In de landen waar de ergste honger heerst, heeft een pasgeboren kind  één kans op zeven om te sterven voor de leeftijd van vijf jaar. De levensverwachting bedraagt er 38 jaar, tegenover meer dan 70 jaar in de 24 ‘gezondste’ landen.

Honger en ondervoeding vormen nog steeds een reusachtig probleem in onze wereld. Zo'n 852 miljoen mensen zijn vandaag ondervoed, 18 miljoen meer dan in het midden van de jaren ‘90. Het overgrote deel daarvan – onder hen 150 miljoen kinderen - leeft in de ontwikkelingslanden.

Ongeveer 2 miljard mensen lijden bovendien aan kwalitatieve ondervoeding. Hun voeding is te eenzijdig, meestal door een tekort aan eiwitten, minerale zouten (bijvoorbeeld ijzer of jodium) en vitaminen. Vrouwen en kinderen zijn het kwetsbaarst voor deze ‘verborgen honger’: vrouwen door een grotere behoefte aan ijzer en kinderen omdat eiwitten, mineralen en vitaminen essentieel zijn voor hun groei en ontwikkeling. Zo lijden bijvoorbeeld 100 tot 140 miljoen kinderen aan een gebrek aan vitamine A, wat tot blindheid kan leiden. Door ondervoeding heeft in India de helft van de kinderen een te laag gewicht en/of is te klein voor hun leeftijd.

Het aantal mensen dat honger lijdt, daalde wereldwijd tussen 1970 en 1990 van ongeveer 940 miljoen tot 860 miljoen. Maar daarna viel deze vermindering zo goed als stil, terwijl er per jaar 24 miljoen mensen uit de hongersnood zouden moeten worden gehaald om millenniumdoelstelling 1 te halen. De daling is bovendien voor het overgrote deel te danken aan één land: in China verminderde het aantal mensen met honger met bijna 100 miljoen tussen 1970 en 1990, en met nog eens 74 miljoen tussen 1990 en 2000. Ook Indonesië, Thailand, Vietnam, Peru, Nigeria en Ghana slaagden erin de honger in belangrijke mate te verminderen. Daarentegen kwamen er in maar liefst 47 landen in deze laatste periode 96 miljoen hongerlijders bij, vooral in Centraal-Afrika en India.

Overproductie en onderconsumptie

Vaak wordt honger geassocieerd met oorlogen, rampen en dramatische hongersnoden met miljoenen mensen die wanhopig op zoek zijn naar voedsel(hulp). Toch zijn deze catastrofale situaties slechts verantwoordelijk voor een klein deel van de honger. Over het algemeen gaat honger samen met armoede.

800 miljoen van de 840 miljoen hongerigen wonen in de Derde Wereld, 30 miljoen in de voormalige Sovjetunie en Oost-Europa, en 10 miljoen in de meest ontwikkelde landen. Het verband tussen armoede en honger is duidelijk.

Een verrassende vaststelling is dat honger vooral een fenomeen is van het platteland. De meerderheid van de hongerlijders woont op het platteland. Het gaat vooral om arme, kleine boeren of slecht betaalde landarbeiders. Ook de andere 200 miljoen zijn vooral mensen van het platteland die terechtgekomen zijn in vluchtelingenkampen of in sloppenwijken. Jaarlijks ontvluchten 50 miljoen mensen het platteland.

Een tweede verrassende vaststelling is dat er op wereldschaal geen gebrek is aan voedsel. De wereldbevolking is sinds 1950 toegenomen met een factor 2,4. In dezelfde periode steeg de voedselproductie met een factor 2,6. Er is wereldwijd voldoende voedsel om iedereen op aarde een evenwichtig dagelijks dieet te bezorgen.

Hoe komt het dat er honger is terwijl er voldoende voedsel voorhanden is? En waarom zijn het precies de mensen die voedsel produceren, die honger lijden? Om hierop het antwoord te kennen, is het belangrijk na te gaan op welke manier voedsel wordt geproduceerd. De kleine boeren in het Zuiden bewerken dikwijls het land nog zoals hun voorvaderen dat deden. Zo zijn er nog steeds 400 à 500 miljoen boeren die niet eens over dierlijke trekkracht beschikken. Daarnaast staan de kleine boeren machteloos tegenover de andere spelers in de landbouwsector: de grootgrondbezitters, de renteniers, de leveranciers van zaden, pesticiden en meststoffen, de handelaars die hun oogst opkopen, enz..

Tegelijk heeft de grote technologische vooruitgang tot overproductie geleid, vooral in de industrielanden. Overschotten worden tegen ‘dumpingprijzen’ op de wereldmarkt verkocht. Daardoor zijn de prijzen van de landbouwproducten in reële termen de laatste vijftig jaar sterk gedaald. Een boer in het Noorden heeft hierop kunnen inspelen door mechanisering en schaalvergroting, een plantage-eigenaar in het Zuiden kan zijn productiekosten drukken door zijn landarbeiders zeer lage lonen te betalen, maar een kleine boer of boerin heeft geen enkel verweer en zag zijn of haar reële inkomen dalen.

De liberalisering van de landbouw, die de Wereldhandels­organisatie (WTO) nu oplegt, biedt dan ook geen enkele oplossing voor de problemen van armste boeren. Door minder ontwikkelde landen te dwingen hun markten open te stellen moet een arme boer die alles manueel doet rechtstreeks de concurrentie aangaan met de grootschalige, gemechaniseerde landbouw. In landen waar een meerderheid van de bevolking in de landbouw werkt, is dit een recept voor een sociaal en economisch bloedbad dat tot meer honger en plattelandsvlucht zal leiden. Intussen blijven de Verenigde Staten en Europa wel hun dumpingpraktijken voortzetten dankzij de uitzonderingen die ze in de WTO-regels bedongen. Het beleid van de WTO is afgestemd op meer internationale handel en vertrekt niet van voedselzekerheid. Voor een aantal producten (graan, cacao, bananen, zaden, enz.) wordt de handel volledig gedomineerd door een zeer beperkt aantal multinationale ondernemingen, die zo hun greep versterken op de voedselketen, ten koste van de kleine boeren.

 

Uit de brochure Spoedige beterschap… in 2015!? De lange weg naar ‘gezondheid voor allen’. Meer info hier of op www.intal.be

Deel dit artikel