50 jaar Landbouw in de EU – tijd voor voedselsoevereiniteit

De Europese Unie viert haar 50ste verjaardag. Het Gemeenschappelijk Europees landbouwbeleid zorgde er na de Tweede Wereldoorlog voor dat Europa zichzelf opnieuw kon voeden. Dit deed ze door zich het recht voor te behouden om haar markten in aanzienlijke mate af te schermen. Waarom gunnen we dat recht op ontwikkeling vandaag niet aan andere (arme) landen? En waarom geven we duurzame landbouw geen kans in de EU zelf?


Voedselsoevereiniteit - als tegenhanger van vrijhandel – betekent dat een land of regio haar eigen landbouwbeleid kan bepalen, zonder dat daarbij in andere regio’s schade mag toegebracht worden door daar producten te ‘dumpen’ oftewel exporteren met welke vorm van subsidie ook.

Kater

Landbouw en voeding hebben wel degelijk nood aan bescherming. Dat hadden Westerse landen al lang voor het bestaan van de EU begrepen. Zowel het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten als Denemarken hadden immers een kater overgehouden aan verschillende periodes dat hun markten werden opengesteld. Daarom was er al in 1947 een internationale overeenkomst – het GATT verdrag – die bescherming van landbouw mogelijk maakte. Aan die bescherming was wel de voorwaarde gekoppeld dat er geen overschotten worden geproduceerd en dat er geen subsidies worden gebruikt om buitenlandse markten te veroveren.

Het zijn de vrijbuiters EU en VS die deze afspraken ruiterlijk aan hun laars hebben gelapt door het wereldwijd dumpen van graan en het dumpen van graanvervangers uit de VS op Europese bodem. De gevolgen waren een ineenstorting van de internationale graanmarkten en een stevig conflict tussen EU en VS. Het is na veel getouwtrek dat EU en VS een uitweg hebben gevonden. Dit onderonsje tussen EU en VS wordt nu verheven tot de hoogste wijsheid op wereldhandelsgebied: inkomensondersteuning is toegelaten, maar invoerrechten en prijsondersteuning moeten worden opgegeven.

Inkomensondersteuning – een rechtstreekse toeslag voor het inkomen van landbouwers - blijft een beschermingsinstrument wat enkel de rijke landen kunnen betalen. Dit laat de VS en de EU toe om door te gaan met het dumpen van productieoverschotten in armere landen, waar steeds meer lokale landbouwers niet meer kunnen concurreren met deze goedkope import en in een situatie van verdere armoede, honger en stadsvlucht terecht komen. Ondertussen proberen EU en VS binnen de Doha-ronde van de Wereldhandelsorganisatie en via biregionale vrijhandelsakkoorden deze situatie te consolideren zodat ook arme landen de invoerrechten als hun enige bescherming niet meer mogen gebruiken.

Inkomensondersteuning: wie wint?

In de EU is het instellen van inkomensondersteuning verkocht als sociaal en milieuvriendelijk door milieuvoorwaarden te koppelen aan de steun. En daarmee is de steun van veel progressieven verworven. In de praktijk is deze inkomensondersteuning een onvoldoende sterke stimulans om duurzame landbouw te stimuleren. Bovendien worden door de ongelijkmatige verdeling van de inkomensondersteuning vooral grote industriële landbouwbedrijven bevoordeeld, en wordt de duurzame familiale landbouw aan een zeer hoog ritme buitengekegeld. Er stopt in de EU 1 landbouwbedrijf per minuut.

We kunnen nu de inkomenssubsidies niet meer afschaffen zolang de boeren hun inkomen niet kunnen halen uit de verkoop van hun producten. Door het vrijmaken van de markten komen de interne marktprijzen in de EU in de buurt van de wereldmarktprijzen. En die zitten een heel eind beneden de gemiddelde productiekost in de EU. Vandaag zijn er verontrustend veel liberale stemmen die tegen 2013 willen verlost zijn van deze landbouwsubsidies. Als dit gebeurt voor de markten opnieuw worden beschermd moeten we in de EU niet meer spreken van landbouw. De politieke debatten hierover zijn volop aan de gang.

Met het invoeren van een politiek kader van voedselsoevereiniteit pleiten wij ook voor een afschaffing van de subsidies, maar niet vooraleer de markten terug beschermd en geordend zijn. Marktordening is mogelijk door productiebeheersing: het afstemmen van productie en consumptie, rekening houdend met de hoeveelheden import en export. Een voorbeeld van een mechanisme voor productiebeheersing zijn onze melkquota. Dit melkquotumsysteem is zeker voor verbetering vatbaar, maar de afschaffing van de quota – ook op de politieke agenda vandaag - zou een nieuwe historische vergissing betekenen.

Wakker worden

Het is bedroevend dat zo weinig politici zien wat er aan de hand is, en hiervoor willen vechten. Nochtans, het is tijd voor voedselsoevereiniteit. Er wordt dagelijks voedsel geproduceerd voor 12 miljard mensen, terwijl er iedere dag 100.000 mensen sterven van de honger.

De EU zou meteen op alle fora moeten pleiten voor het recht van ontwikkelingslanden om naar eigen goeddunken invoerrechten te heffen. En om duurzame landbouw in de EU zelf nog een kans te geven is het nodig dat de Europese Commissie en onze landbouwkabinetten meteen aan het werk te gaan om te onderzoeken op welke manieren voedselsoevereiniteit kan toegepast worden voor de Europese Unie.

Deze debatten worden gevoerd in middens van Noord Zuid organisaties, boerenorganisaties en consumentenorganisaties, milieu-organisaties, …, zowel op Vlaams, Belgisch, Europees en internationaal niveau. Niet iedereen zit hier 100% op hetzelfde spoor, maar er kunnen toch grote lijnen onderscheiden worden. In Vlaanderen gebeurt dit binnen het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling (VODO) en het samenwerkingsverband 2015 De Tijd Loopt (www.detijdloopt.be) en hier is ook een gezamenlijke positietekst opgesteld.

Gert Engelen, Vredeseilanden
Frederik Claerbout, Wervel
Jean-Pierre De Leender, Vlaams Agrarisch Centrum

Deel dit artikel