60 jaar Israël, 60 jaar Naqba. Weinig Palestijnse feestvreugde.

Israël wordt regelmatig de enige democratie in het Midden-Oosten genoemd. In theorie zijn alle principes van de rechtstaat aanwezig. De werkelijkheid ziet er helemaal anders uit. De geboorte van de staat Israël 60 jaar geleden ging gepaard met etnische zuiveringen, gevolgd door sociaal-economische discriminaties van de overgebleven Palestijnen. De Palestijnse vluchtelingen van eertijds wachten nog altijd op hun recht op terugkeer en het einde van de Naqba (‘catastrofe’). Vandaag herhaalt de geschiedenis zich. De bezetting van het resterende Palestijnse deel in 1967 luidt een periode in van brutale bezetting, mensenrechtenschendingen, kolonisatie, annexatie en racisme.


Op 14 mei 1948 zitten 250 zionisten samen in het Tel Aviv museum. Nadat de aanwezigen spontaan de Hatikva (volkslied) brachten, leest David Ben Goerion de handgeschreven Israëlische ‘Onafhankelijkheids’verklaring voor. Ben Goerion wordt vandaag in Israël geëerd en vereerd als de man die in moeilijke omstandigheden een goed georganiseerde staat met een sterk legerapparaat uit de grond heeft gestampt. Zelf zou hij de eerste premier worden, een post die hij (op een twee jaar durende onderbreking na) tot 1963 bekleedde.

In zijn onafhankelijkheidsverklaring zegt Ben Goerion het volgende: “De staat Israël zal openstaan voor de immigratie van Joden uit alle landen van de diaspora en zal zorgen voor de ontwikkeling van het land ten voordele van zijn inwoners. Hij zal gegrondvest zijn op de principes van vrijheid, rechtvaardigheid en vrede zoals onderwezen door de Israëlische profeten. Hij zal de volledige gelijkheid garanderen voor al zijn inwoners zonder discriminatie op basis van religie, ras of geslacht. Hij zal de volledige vrijheid garanderen van geweten, eredienst, onderwijs en cultuur. (…) Hij zal respect opbrengen voor de principes van het Handvest van de Verenigde Naties.”

Het zijn mooie principes, maar op het ogenblik dat hij ze uitsprak was de campagne voor het etnisch zuiveren van Palestina al enkele maanden aan de gang. Ben Goerion, een politiek pragmaticus maar vooral ook een machiavellist, was niet alleen de politiek verantwoordelijke, maar ook de architect van het ontruimen van de Palestijnse dorpen in ‘zijn’ Israël.(1) Hij wilde een zo groot mogelijk stuk van het Britse mandaatgebied Palestina inpalmen voor de nieuw op te richten Joodse staat. Daarin moest er bovendien een zo groot mogelijk demografisch Joods overwicht komen en dus m.a.w. zo weinig mogelijk Palestijnen. Zijn hele politieke carrière zou gedomineerd worden door deze dubbele obsessie. De latere generaties Israëlische leiders zouden deze essentie van Goerions politiek evenzeer tot centrale drijfveer maken van het moderne zionisme zoals onder meer blijkt uit de manier waarop de kolonisatie (nederzettingen, militaire sperzones, apartheidswegen, controleposten en muur) van de bezette Westelijke Jordaanoever wordt doorgevoerd. Daarenboven vonden de pioniers dat ze hun zionistische project maar konden verzekeren door een alliantie aan te gaan met een belangrijke macht. Dat zou eerst Groot-Brittannië worden, vervolgens de VS.

In 1918, toen de Joden amper 10 procent van de bevolking uitmaakten met slechts 3 procent van de grond in eigendom, droomde Ben Goerion van een ‘Joodse Staat’ op het Palestijnse grondgebied, maar met inbegrip ook van zuid-Libanon, een brede strook van huidig west-Jordanië en de Golan-Hoogte.(2) Dat stemt min of meer overeen met het bijbelse Israël (Eretz Israël). Het jaar daarvoor had de Zionistische diplomatie een van zijn eerste belangrijke successen behaald. De nieuwe Britse machthebbers beloofden in een brief aan Lord Rothschild (de fameuze Britse Balfourverklaring, 2 november 1917) dat er een Joods Nationaal Tehuis zou komen in het Palestijnse gebied. In een koloniale vanzelfsprekend werd de meerderheid (90 procent) van de bevolking niet geraadpleegd. De Balfourverklaring en de Zionistische aspiraties waren aanleiding voor het ontstaan van een geleidelijke Palestijnse nationale beweging die voor verschillende opstanden en stakingsbewegingen zorgde. 
Uit de aantekeningen, interviews en mondelinge en schriftelijke overleveringen van David Ben Goerion en zijn medestanders blijkt dat er tal van discussies waren binnen de zionistische beweging over de te volgen strategie en het uiteindelijke doel van het zionisme. Zo bestonden er aanvankelijk fundamentele verschillen over het gebruik van militaire macht. De arbeiderspartij dacht aanvankelijk dat simpelweg voldoende immigratie en der bouw van nederzettingen tot het zionistische doel zouden leiden. Het revisionistische zionisme daarentegen legde de nadruk op het gebruik van militair geweld of een ‘ijzeren muur’, zoals Ze’ev Jabotinsky het zou noemen. De ideeën van Jabotinsky zouden militaire milities als Irgun en Stern inspireren en later de basis vormen voor de rechtse Likudpartij, die momenteel onder leiding staat van Benyamin Netanyahu. Toen de Palestijnse weerstand groeide tegen de zionistische kolonisatie van het gebied zou de arbeidersbeweging Jabotinsky’s militaire optie grotendeels volgen. In 1937 laat Ben Goerion, de leider van de arbeiderspartij, zich ontvallen: “We zoeken geen akkoord met de Arabieren om vrede te verzekeren. Natuurlijk vinden we vrede een essentieel iets. Het is onmogelijk om een land op te bouwen in een permanente staat van oorlog. Maar vrede is voor ons een middel, niet het doel. Het doel is de verwezenlijking van Zionisme in zijn maximale omvang. Alleen om die reden hebben we vrede nodig en is er een akkoord nodig”.(3)

Zeker in zijn beginperiode keek hij neer op de ‘Arabieren’, van wie hij aanvankelijk betwijfelde of ze in Palestina wel een natie vormden. De vader van het zionisme en auteur van ‘Der Judenstaat’, Theodor Herzl, de latere president Chaim Weizman (vanaf de onafhankelijkheid tot 1952) en andere prominente zionisten dachten er niet anders over.(4) Ben Goerion zou pas na het uitbreken van de Palestijnse opstand in 1936, het nationale karakter van de Palestijnse oppositie tegen het Zionisme erkennen. Maar in essentie was zijn visie dat de Palestijnen baan moesten ruimen als ze het zionistische project hinderden. Ook hier stond hij uiteindelijk helemaal niet zover af van de rechts-revisionistische zionisten. In zijn beruchte twee artikels onder de hoofding, ‘De ijzeren muur’, schreef Jabotinsky: “Ofwel schorsen we onze nederzettingeninspanningen op, of we doen er mee voort zonder aandacht te besteden aan de stemming die heerst onder de inheemsen”.(5)

Wellicht was het een combinatie van zijn ‘pragmatisch machiavellisme’ enerzijds en de koloniale tijdsgeest anderzijds, maar het resultaat was wel dat het zionisme van Ben Goerion en medestanders geleidelijk aan zou ontaarden in racisme. Als leider van de Histadroet (de Algemene Federatie van Hebreeuwse Arbeiders in het land van Israël, opgericht in 1920) pleitte hij onomwonden voor zuivere joodse arbeid (Avodah Ivrit).(6) Volgens hem moest een Joodse arbeider een hoger salaris krijgen omdat hij “intelligenter en ijveriger” was dan de Palestijnen.(7)
In 1936 zei Ben Goerion: “Als we 100 procent Hebreeuwse verlossing nastreven, dan moeten we 100 procent Hebreeuwse nederzettingen hebben, 100 procent Hebreeuwse boerderijen en 100 procent Hebreeuwse Havens.(8) Hij erkende ook niet het recht van de Palestijnen om het land te regeren omdat Palestina in zijn ogen (in 1924) “nog altijd onontwikkeld was en wachtte op zijn bouwers”.(9)
Dit rasdenken zou de basis vormen voor het project kort na de tweede wereldoorlog om op een planmatige manier Palestina zoveel mogelijk te ontdoen van zijn oorspronkelijk Palestijnse bewoners. Er zouden verschillende plannen worden opgesteld (plan A, B, C en D). Plan C was er op gericht om de Joodse militaire strijdkrachten voor te bereiden op een offensief tegen het stedelijke en agrarische Palestina.

Al in 1937 becommentarieerde Ben Goerion het voorstel van de Britse Peel Commissie – een opdelingsplan voor het mandaatgebied dat door het Twintigste Zionistische Congres werd verworpen – als volgt: "We moeten de Arabieren uitdrijven en hun plaatsen innemen… en, als we geweld moeten gebruiken – niet om de Arabieren van de Negev en Transjordanië te onteigenen, maar om ons recht om ons te vestigen in deze plaatsen te garanderen – dan hebben we de militaire macht tot onze beschikking”.(10)
Een jaar later zou Ben Gurion duidelijk maken dat hij zich nooit zou neerleggen bij maar een deel van het opgedeelde Palestina. "(Ik ben) tevreden met een deel van het land, maar op basis van de veronderstelling dat nadat we een sterke macht hebben opgebouwd na de oprichting van een staat, we de opdeling van het land een eind zullen maken aan de opdeling van het land en we het zullen uitbreiden tot het gehele Land van Israël”.(11) Tot vandaag heerst evenwel de mythe dat Israël het latere VN-opdelingsplan uit 1947 (AV-Resolutie 181) aanvaardde terwijl de Arabieren het verwierpen om vervolgens een agressieoorlog tegen de joden te starten. In werkelijkheid zouden de zionisten kort nadien starten met hun campagne voor etnische zuiveringen. Wat eerst nog represailles waren tegen de Palestijnse weerstand werd nadien een systematische politiek van etnische zuiveringen met slachtpartijen om het territorium uit te breiden, overeenkomstig plan D(alet).
Op 19 december 1947 adviseerde Ben Goerion de Haganah, de grootste zionistische militaire militie, mbt de behandeling van de Palestijnsse bevolking het volgende: "We nemen een systeem aan van agressieve defensie; elke Arabische aanval moeten we met een beslissende klap beantwoorden: de vernietiging van de plaats of de verdrijving van de bewoners ervan samen met de inbezitneming van de plaats”.(12) Volgens de Israëlische historicus Ilan Pappe gaf de verwachte afwijzing van het verdelingsplan de zionistische leiders de kans om het VN-voorstel vanaf de dag dat het werd aangenomen als een dode letter te typeren en zouden de grenzen, aldus Ben Goerion “door middel van geweld worden bepaald en niet door de verdelingsresolutie”. De Arabische afwijzing was logisch vanuit hun historisch verzet eerst tegen de immigratie die de joodse bevolking deed groeien van 84.000 (in 1922) tot 608.000 (in 1946) of van een tiende naar een derde van de totale bevolking in Palestina. De grond die de joden in bezit hadden groeide van 20.000 naar 180.000 hectaren of 7 procent van het grondgebied.(13) Met slechts eenderde van de bevolking en een fractie van het grondgebied in bezit was de opdeling van het mandaatgebied Palestina via VN-resolutie 181 een grote koloniale onrechtvaardigheid, temeer omdat 56 % van het grondgebied gereserveerd werd voor het Joodse deel.

Ben Goerion beoordeelde het opdelingsplan met gemengde gevoelens. Met “blijdschap omdat de naties uiteindelijk hebben erkend dat we een natie zijn met een staat, droefheid omdat we de helft van het land hebben verloren, Judea en Samaria, en daarbovenop dat we zitten opgescheept met 400.000 Palestijnen (in onze staat)”(14) Volgens hem “kan er geen stabiele en sterke Joodse staat zijn zolang er slechts een Joodse meerderheid van 60 procent is”.(14) Maar: “De oorlog zal ons land geven. De concepten van ‘ons’ en ‘niet van ons’ zijn enkel concepten voor vredestijd. Tijdens de oorlog zullen zij al hun betekenis verliezen.”(16)
Yossef Weitz, het hoofd van de afdeling nederzettingen van het Joods National Fonds – de organisatie die verantwoordelijk was voor het opkopen van land – was een invloedrijke adviseur van Ben-Gurion. Hij zorgde ervoor dat alle Palestijnse dorpen en steden gedetailleerd in kaart werden gebracht, wat later bij het aanvallen ervan een belangrijk voordeel opleverde. Er kwam ook een index van ‘vijandigheid’, bepaald door de mate waarop een Palestijns dorp deelnam aan de opstand van 1936. In de periode 1947 en 1948 zouden de belangrijkste opstandelingen van die periode standrechtelijk worden geëxecuteerd telkens een nederzetting werd veroverd.(17) In 1949 legde hij uit waarom de etnische zuiveringen plaats vonden: “Verplaatsing dient niet slechts één doel – het reduceren van de Arabische bevolking – maar ook een tweede doel dat zeker niet minder belangrijk is, namelijk: om land te winnen dat nu door Arabieren wordt bebouwd en dat vrij te maken voor Joodse vestiging” en verder: “De enige oplossing is de Arabieren van hier naar de naburige landen te verplaatsen. Geen enkel dorp of geen enkele stam moet worden overgeslagen”.(18)
Volgens Ilan Pappe in zijn boek De etnische zuivering van Palestina (p.17) tonen de bronnen duidelijk aan dat de Joodse strijdkrachten maanden voordat de Arabische legers Palestina binnentrokken – dus voor 15 mei 1948 – er al in waren geslaagd om bijna een kwart miljoen Palestijnen met geweld te verdrijven. Uiteindelijk zouden er in totaal 750.000 Palestijnen van hun grond worden verbannen. Op 11 december 1948 nam de Algemene Vergadering met overweldigende meerderheid resolutie 194 aan dat de vluchtelingen de keuze gaf tussen onvoorwaardelijke terugkeer naar hun huizen en/of aanvaarding van een compensatie. De resolutie blijft tot vandaag onuitgevoerd omdat de Israëlische regering de terugkeer belette. Via een reeks wetten (o.a. de Wet op de Eigendommen van Afwezigen, 1950; de Wet op het Land van Israël, 1960 en de Wet op Israël Land Autoriteit, 1960) werd de onteigening en overname van het grondgebied geregeld. De meeste van de 539 dorpen in wat nu Israël is, werden compleet verwoest en/of getransformeerd in natuurgebied zonder enige indicatie dat daar ooit Palestijnse burgers woonden. In het zogenaamde ‘vredesproces’ vanaf Madrid (1991) en Oslo (1993) werd de vluchtelingenkwestie uitgesloten. Voor de Israëli’s aan de onderhandelingstafel begon het Israëlisch-Palestijns conflict in 1967, dus met uitsluiting van het drama van 1947-1949. Ondertussen wachten drie generaties vluchtelingen (inmiddels aangegroeid tot 4,5 miljoen) al 60 jaar op de erkenning van hun rechten.

Ludo De Brabander

Op 18 mei vindt in het Brusselse Pathé Palace een grote solidariteitsdag met Palestina plaats (’60 jaar ontheemd,40 jaar bezetting’).

Noten
(1) Zie: Ilan Pappe. De etnische zuivering van Palestina. Leuven, Davidsfonds, 2008, pp. 43-49
(2) "to the north, the Litani river [in southern Lebanon], to the northeast, the Wadi 'Owja, twenty miles south of Damascus; the southern border will be mobile and pushed into Sinai at least up to Wadi al-'Arish; and to the east, the Syrian Desert, including the furthest edge of Transjordan" Citaat van David Ben Goerion in: Nur Masalha. Expulsion of the Palestinians: The Concept of "Transfer" in Zionist Political Thought, 1882-1948, 2001, p. 87
(3) Geciteerd in: Shabtai Teveth. Ben-Gurion and The Palestinian Arabs, from Peace to War. New York, Oxford University Press, 1985, p. 168. (Vrije vertaling) Teveth was een van de weinige officiële biografen. Hij was zelf een uitgesproken Zionist die de Israëlische Nieuwe Historici zwaar bekritiseerde omdat ze het zionistische project dreigden te ondergraven.
(4) Zie Avi Schlaim. The Iron Wall. Israel and the Arab World. London, Penguin Books, 2000, pp. 5 – 10
(5) Geciteerd in Avi Schlaim. Op.Cit
(6) Eind de jaren ’20 zou Histadroet een campagne starten voor zuivere Joodse arbeid. Als in 1929 een Palestijnse opstand uitbreekt, komt het rapport van een Britse onderzoekscommissie (Hope Simpson Report, 1930) tot de conclusie dat een van de zaken die de onvrede aanwakkerden de zionistische politiek was om Palestijnen die als gevolg van de zionistische grondverwerving in de werkloosheid belandden omdat ze geen werk kregen in de Joodse bedrijven. Het rapport is op te vragen via:
http://www.jewishvirtuallibrary.org/jsource/History/Hope_Simpson.html
(7) Geciteerd in Shabtai Teveth. (1985) p. 12-13 (Vrije vertaling)
(8) Geciteerd in Nur Masalha. (2001) p. 24 (Vrije vertaling)
(9) Geciteerd in: David Ben-Gurion - A Brief Biography & Quotes op de website van Palestine remembered (op te vragen via:
http://www.palestineremembered.com/Acre/Famous-Zionist-Quotes/Story638.html ). Deze website geeft een goed beeld van de etnische zuivering van Palestina, het zionisme en racistisch karakter van de Israëlische regeringspolitiek.
(10) Geciteerd in : Nur Masalha. (2001) p. 66 (Vrije vertaling)
(11) Geciteerd in : Nur Masalha. (2001) p. 107 (Vrije vertaling)
(12) Geciteerd in: Nur Masalha. (2001) pp. 176-177 (Vrije vertaling)
(13) Daniel Liebman. 1948 : La Nakba. In : Palestine. Bulletin de l’Association belgo-palestinienne, n° 36, maart 2008
(14) Geciteerd in Benny Morris. Righteous victims. New York, Vintage Books, 2001, p. 190 (Vrije vertaling)
(15) Geciteerd in Nur Masalha. (2001) p. 176 (Vrije vertaling)
(16) Geciteerd in Benny Morris. (2001) p. 170 en in Nur Masalha. (2001) p. 180 (Vrije vertaling)
(17) Zie Ilan Pappe. (2008). Pappe beschrijft in zijn boek op basis van documenten en getuigenissen uitvoerig hoe elk dorp werd gezuiverd evenals de slachtpartijen waarvan een aantal dorpen, maar ook steden als Haifa, het slachtoffer van werden
(18) Geciteerd in Ilan Pappe. (2008) p. 83

 

Deel dit artikel