Afrika buiten beeld in de media

Uittreksels uit de speech van Guy Poppe n.a.v. de uitreiking van de Noord-Zuid Persprijs op 1 oktober 2007

“Wat krijgen we dus, samengevat, over Afrika te zien, te horen en te lezen ?  Informatie, die met het moslimterrorisme samenhangt, rampen, genocide en oorlog, de stuiptrekkingen van een op macht beluste, zichzelf overlevende dictator uit de voorbije eeuw en de bestorming van het fort Europa door verdoemden van de zee, zonder papieren.  Je zou als kijker, luisteraar en lezer voor minder pessimistisch worden.
Eerlijk gezegd, het had erger gekund.  Er hebben dit jaar geen sprinkhanen de velden van de gierstboeren in Mauritanië en Senegal, Mali en Niger kaalgevreten als wilden ze een van de tien plagen van Egypte in herinnering brengen.  Drie jaar geleden was het echt Bijbels, als miljoenen, miljarden sprinkhanen vanuit Noord-Afrika naar het westen van het continent afzakten en er de inwoners van die landen hun dagelijks brood afpakten.
Daarom mijn pleidooi : laten we de Afrikanen tijd geven.  Wij hebben hem ook genomen.  Nemen hem nog.”

“Waarom de pers in Afrika zijn taak niet ter harte neemt ?  De media, dat is tegenwoordig big business, dat is een economische sector als zovele andere.  Daar gelden dezelfde ijzeren economische wetten als in de ICT, de auto-industrie, de bank- en verzekeringswereld en de elektriciteits- en gasproductie.  
Ik ga geen lang betoog houden, maar u een citaat voorlezen.  Het komt uit Le Monde van de 26e augustus en is opgetekend uit de mond van Patrick Le Lay van TF1, Europa’s grootste commerciële televisiestation.  Le Lay is er twintig jaar lang PDG geweest, CEO zeggen we in Vlaanderen.  Hij zegt : “Soyons réalistes : à la base, le métier de TF1, c’est d’aider CocaCola, p.ex. à vendre son produit … Ce que nous vendons à CocaCola, c’est du temps de cerveau disponible”.  Wij verkopen onze hersencapaciteit, onze intelligentie, zeg maar, om Coca Cola te helpen zijn frisdrank te verkopen, dat is tot zijn essentie teruggebracht, wat TF1 doet.  Kan het duidelijker ?
Het gaat in mediabedrijven dezer dagen, zoals bij Coca Cola, over kostenbeheersing, concurrentiestrijd, marktaandelen en kijk- en luistercijfers.  Terloops, dat stoort op de werkvloer.  De bond van radiojournalisten schreef onlangs : “Sinds enige tijd zijn de luistercijfers het enige criterium waarmee de directie het belang van een uitzending meet ; niemand onder ons betwist dat radio luisteraars moet hebben, maar het marktaandeel mag niet de enige maatstaf zijn voor de kwaliteit van een programma”. 
Ik heb het voor u vertaald, dames en heren.  Het stond te lezen in Libération van de 4e juli en de tribune ging uit van de Société des Journalistes de France Inter, de Franse openbare radio.  Maar toen ik het las, dacht ik even …, ja, dat dacht ik even.
Maar terug naar de economie en Afrika.  Ze dateren van deze eeuw, de rapporten van Uno-experts over de plundering van Congo, de grondstoffenroof.  Het zijn mijn woorden niet, dames en heren, het zijn de hunne.  122 jaar na de Conferentie van Berlijn is de nieuwe scramble for Africa nog altijd aan de gang.  Economisch is Afrika gemarginaliseerd en in de media is dat niet anders.
De allesomvattende commercialisering beïnvloedt de attitudes waarmee de media het nieuwsaanbod tegemoet treden.  We leven in een wereld, die behept is met het economische en vanuit dat vooruitgangsstreven vooral om zichzelf bekommerd is en weinig aandacht heeft voor het Zuiden, met zijn vergeten conflicten en problemen van armoede, honger en ontwikkeling.  In een maatschappij, die zich opsluit in zijn zelfgebouwde vesting, de loopbrug ophaalt en ramen en deuren dichtspijkert, fungeren ook de media als een geblindeerd venster op de wereld.  Vroeger kwam door de televisie de wereld je huiskamer binnen, nu komt dankzij de reality tv je slaapkamer live op het scherm.
   De media zitten verstrengeld in het economische.  Zodanig dat je niet kunt verwachten dat ze afwijken van de gangbare praktijk om de regio's in de periferie van de wereldeconomie, inzonderheid Afrika, als quantité négligeable te behandelen.  
  In plaats van op dat werelddeel licht te laten schijnen is er een navelstaarderige zoektocht naar het leven in de buurt van de eigen kapel ontstaan, een zucht naar het fait divers.  Alsof Vlaanderen, nu het zijn eigen identiteit grondwettelijk en institutioneel vorm gegeven heeft en een welvaart geniet die nergens zijns gelijke heeft, de leeuw in zijn vaandel wil inruilen voor het paard met oogkleppen.  Dat soort mentaliteit roept media in het leven, die daaraan beantwoorden, kneuterig in hun belangstelling, gebiologeerd door het leven zoals het thuis of in de familie is, made in Vlaanderen.  De media van de kapellekesbaan, ontdaan van Louis Paul Boons internationalisme.”
 “Ik hoor u fluisteren, dames en heren.  De journalisten die hier aanwezig zijn, de laureaat van de Noord-Zuid persprijs, de andere genomineerden, ik, die hier de sfeer sta te bederven, doen die niets daaraan ?  Schrijven die één artikeltje in de loop van het jaar om de prijs te winnen en daarmee uit ?  Doen die hun best niet om het roer om te gooien ?  Natuurlijk wel, en dat maakt het juist zo erg, dat maakt mij tot een zelfverklaard cultuurpessimist.
 Zo diepgaand is de evolutie, die ik u geschetst heb, zo structureel van aard, dat het aartsmoeilijk is om tegen het tij in te roeien.  Als redacties keuzes maken, gebeurt dat hoe langer hoe minder autonoom, ook al beseffen ze dat niet altijd.  Allemaal in de journalistiek hebben we op bezinnings- of denkdagen dure eden gezworen over hoe we het nieuws voortaan anders zouden benaderen en 's anderendaags vastgesteld dat iedereen weer als vanouds aan de slag ging, alsof er niets gezegd was.   Er gelden in de media economische wetmatigheden, waartegen je zelfs als integer journalist niet op kunt tornen en die ontsnappen aan regelgeving of bestuurlijke ingrepen.
“Als u me nu vraagt, mijnheer de Minister, dames en heren: hoe kunnen we die trein stoppen, hoe kunnen we die trend ombuigen, dan bent u bij mij aan het verkeerde adres.  Een goed journalist moet een deugdelijke analyse kunnen maken, maar is daarom nog geen beleidsman.  Integendeel.  Henri-François van Aal was op de RTB een voortreffelijk journalist maar heeft als Minister van Cultuur geen potten gebroken en is teruggekeerd naar de leest waarbij hij beter gebleven was.
We mogen zelfs van een minister niet verwachten dat hij de zaak in handen neemt, want dat wil ik met mijn analyse precies aangeven.  Het beleid staat machteloos.  De Minister kan samen met u en mij toekijken, constateren, het hoofd schudden en een prijs uitreiken.  Meer niet.  Tegen een wereldwijd fenomeen kunnen we niet op.
Maar, bij nader inzien, u bent natuurlijk bevoegd voor de openbare omroep, mijnheer de Minister, misschien kunt u daar toch iets doen.  Soms gaan binnen dat economische kader, waarover we gesproken hebben, mediaverantwoordelijken wel erg ver in het interioriseren van wetmatigheden, vergeten ze gebruik te maken van de vrijheidsgraad die hen rest, hoe klein die ook is.  Zo is er die hoofdredacteur die een van zijn buitenlandredacteuren de opmerking maakte : “Over Opper-Volta gaan we toch niet berichten, zeker”.  Burkina Faso bedoelde hij.  Je vraagt je af waarom niet.  In Ouagadougou organiseren ze om de twee jaar het grootste pan-Afrikaanse filmfestival en ook allerlei andere internationale manifestaties, ze hebben er een wielerronde die elk jaar serieuzere renners aantrekt, en wat voedselveiligheid betreft, slagen de Burkinezen erin om een nieuwe Sahelramp, zoals in de jaren zeventig, netjes te voorkomen al is het daar telkens weer op het scherp van de snee.
 Misschien moeten we het die hoofdredacteur vergeven.  Want in welke omgeving werkt hij ?  Bekijk het organigram van de VRT.  Van de absolute top maakt er welgeteld één journalist deel uit.  Ook op het niveau daaronder zijn mensen met een journalistieke achtergrond niet te vinden.  Zoals in andere mediabedrijven nemen op de openbare omroep mensen met ervaring in management en marketing de leiding in handen.  Illustreert dat niet wat ik daarstraks aangaf, de media zijn een economische sector als zovele andere.  We hebben nog geen uitspraken genoteerd à la Patrick Le Lay van TF1, maar je houdt je hart vast.”
  “De bestuursovereenkomst, zie ik u denken, mijnheer de Minister, dat wapen heb ik handen.  Precies, ik heb ze erop nagevlooid.  “Eén breidt zijn nieuwsaanbod uit.  Het aanbod wordt vollediger, met meer items over onder meer cultuur, wetenschap, justitie en economie”, staat er.  Jammer dat buitenland niet in de lijst opgenomen is.  Over Canvas.  “De nieuwsredacties zullen meer aandacht besteden aan domeinen als wetenschap, gezondheid, economie en cultuur … Canvas schept ruimte voor diepgravende en kritische onderzoeksjournalistiek”.  Opnieuw, geen buitenland in de opsomming.  En dan : ruimte voor onderzoeksjournalistiek.  Ruimte ?  Had hier niet budgetten voor onderzoeksjournalistiek moeten staan, waren harde cijfers hier niet op hun plaats geweest ?  Het is godgeklaagd dat onderzoeksjournalistiek in Vlaanderen goeddeels aan het Fonds Pascal Decroos uitbesteed is.  Het is een schande dat de media zelf voor die vorm van journalistiek nauwelijks geld vrijmaken.
Naast bereik en marktaandelen maken in de overeenkomst kwalitatieve performantiemaatstaven hun opwachting.  “De VRT verbindt er zich toe door middel van een permanent systeem van kwaliteitsbewaking de publieke, functionele, ethische, operationele en professionele kwaliteit te garanderen”, staat er.  De omroep moet daarover jaarlijks rapporteren.  Ik ken het huis, mijnheer de Minister, het vloeit vaak over van de goede bedoelingen.  Vergeet u niet om erop toe te kijken, als u volgend jaar het eerste verslag onder de loep legt, dat de daarin aangewende toetsstenen een operationeel karakter krijgen.  Dat het m.a.w. instrumenten zijn die sturing en bijsturing mogelijk maken.  Dat het niet bij fraaie volzinnen blijft.”

 

Deel dit artikel