Ariel Sharon: de oorlogsmisdadiger verpakt als vredesduif

Nu Ariel Sharon niet meer in staat is om politiek te functioneren worden we door de pers en politieke wereld overstelpt met zijn portretten en bijhorende commentaren. Een aantal daarvan gaan in de richting van een ware hagiografie.

"Ariel Sharon is een goede man, een sterke man, een man met een visie voor de vrede” zo klonk het voorspelbaar uit de mond van President Bush. De Britse minister van Buitenlandse Zaken was al even lovend: “De voorbije jaren heeft Ariel Sharon iedereen verrast door als een moedig staatsman te werken aan een vredesakkoord op lange termijn tussen Israël en de Palestijnen.” De Franse president Chirac wilde niet achterblijven en sprak van de “moedige vredesinitiatieven” die Sharon zou hebben ondernomen. De politieke dood van Sharon inspireerde het NRC-Handelsblad om op zijn website een opiniepeiling te organiseren met de stelling: “Sharon heeft vrede in Midden-Oosten dichterbij gebracht”. 51 procent van de 4205 deelnemers antwoordde positief.

Het zegt veel over het politiek inschattingsvermogen, of moeten we zeggen plat opportunisme en gebrek aan kennis in het Westen van de ware feiten in de regio. Het zegt ook veel over het onvermogen van veel media om de ware toedracht rond de terugtrekking uit Gaza te brengen. Veel media verzaken in dit conflict compleet aan hun kritische en journalistieke waakhondrol en herkauwen doorgaans slaafs, zoals dat meestal het geval is zo blijkt uit verschillende studies, het buitenlanddiscours van hun regeringen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er gelukkige uitzonderingen zijn.

Sharon een man van de vrede noemen is niet zomaar een verbloeming van de werkelijkheid, maar een ronduit leugenachtige manipulatie van de ware feiten. Een grondige terugblik op zijn militaire en politieke carrière kan alleen maar doen besluiten dat Sharon maar één status verdient en dat is deze van oorlogsmisdadiger die achter de tralies hoort. Hij was daar overigens zeer consequent in, al van jongs af aan.

Sharon begon zijn drieste carrière als lid van de Alexandroni-Brigade van de Hagana-militie die in opspraak kwam omwille van een slachting in Tantura, een Palestijns dorp ten zuiden van Haifa, in mei 1948.

Enkele jaren later werd hij officier en leidende commandant van eenheid 101, verantwoordelijk voor ‘vergeldingsacties tegen het Arabisch terrorisme’. In augustus 1953 vonden naar schatting 50 vluchtelingen als gevolg van zo’n actie de dood in het kamp El Bureij (het ging om willekeurig geweld, door o.a. het gooien van granaten door de ramen). In oktober van hetzelfde jaar was het de beurt aan het dorp Qibya. 69 burgers, onder wie vrouwen en kinderen, werden afgeslacht, 45 huizen werden met de grond gelijk gemaakt. Militaire waarnemers van de VN hebben de aanval als ‘gruwelijk’ omschreven. Het magazine Time stelde dat Sharons soldaten “elke man, vrouw en kind neerschoten die ze konden vinden. Het geschreeuw van de stervenden was te horen midden de explosies.” Het Amerikaans ministerie van Buitenlandse Zaken stelde dat de “verantwoordelijken rekenschap behoorden af te leggen.”

Sharon was evenwel niet onder de indruk en hij zou straffeloos doorgaan met het plegen van oorlogsmisdaden. Tijdens de Brits-Franse campagne om het Suez-Kanaal te veroveren op Egypte zouden naar schatting 270 Egyptische krijgsgevangenen en enkele Soedanezen zijn vermoord door Israëlische paratroepen. Eén van de verantwoordelijke officieren was… Ariel Sharon. Als hoofd van het zuidelijk commando van het Israëlische leger was hij alleen al in augustus 1971 verantwoordelijk voor de vernietiging van 2.000 huizen in de Gaza-strook.

Als minister van Defensie leidde Ariel Sharon de Israëlische invasie in Libanon – met de eufemistische naam ‘vrede voor Gallilea’ - die moest leiden tot de ontmanteling van de PLO. Deze campagne zou het leven kosten aan vele duizenden Palestijnen en Libanezen, onder wie 40 procent minderjarigen. Dramatisch dieptepunt was de slachting in de kampen Sabra en Shatila van 16 tot 18 september 1982 door de Falangisten in door het Israëlische leger gecontroleerd gebied. Het Rode Kruis telde 2.750 lijken. Het jaar daarop zou de Israëlische parlementaire Kahan Commissie Defensieminister Sharon ‘indirect verantwoordelijk’ achten voor deze slachtpartijen.

De affaire zou slechts tijdelijk zijn politieke carrière schaden. Al vanaf 1984 verscheen hij terug op het politieke toneel, en vervulde hij diverse ministerposten. Van 1990 tot 1992 en nogmaals in 1996 zou hij als verantwoordelijk minister zorgen voor de drastische uitbouw van de joodse nederzettingen in de Palestijnse bezette gebieden. Van 1993 tot 1999, de periode die tegen de werkelijkheid in ‘vredesproces’ werd genoemd, verdubbelde het aantal kolonisten in Palestijns gebied en kwamen er 30 nieuwe nederzettingen bij. Een van de belangrijkste architecten daarvan was opnieuw Ariel Sharon. Volgens een verslag van het Franse persagentschap Agence France Presse (15 november 1998) sprak Sharon als minister van Buitenlandse Zaken tijdens een meeting met de extreemrechtse Tsometpartij volgende woorden: “Iedereen moet zich inzetten om zoveel mogelijk heuveltoppen te veroveren als we maar kunnen om de nederzettingen te vergroten, want alles wat we nu nemen zal van ons blijven… Alles wat we niet nemen zal naar hen gaan”. Een maand eerder had de regering Netanyahu het Wye River Memorandum getekend, waarin Israël beloofde om de bouw van nieuwe woningen op de Westelijke Jordaanoever te beperken.

Op 6 februari wordt Sharon verkozen tot Eerste minister om zijn kolonisatieplannen in praktijk om te zetten. Enkele maanden daarvoor, op 28 september 2000, bracht hij een bezoek aan de Haram ash-Sharif (de ‘tempelberg’) daarbij omringd door een politiemacht van 1.000 man. Zijn bezoek was de spreekwoordelijke druppel die tot het uitbreken van de tweede Intifada leidde. De Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties legde enkele weken later de verantwoordelijkheid voor het hoge aantal doden en gewonden in de dagen daarna rechtstreeks bij Sharon en veroordeelde dit ‘provocatief bezoek’.

Als eerste minister ziet Sharon het als zijn taak om de bezetting van de belangrijkste delen van de bezette gebieden te consolideren. Hij laat de werken starten aan een 750 km lange muur die na voltooiing tot 50 procent van het grondgebied van de westelijke jordaanoever zal annexeren bij Israël. De nederzettingen worden aan een hels tempo verder uitgebouwd. Jeruzalem wordt compleet afgesneden van de rest van het Palestijns grondgebied. Politieke leiders worden geëxecuteerd en in Jenin wordt een nieuwe slachting aangericht onder Palestijnse vluchtelingen. De checkpoints in Palestijns gebied worden versterkt en gemoderniseerd tot echte grensposten die de bewegingsvrijheid van de Palestijnen aan banden leggen en de economie compleet verlammen. De internationale politieke wereld reageert gelaten op al deze feiten. Met de hulp van de Verenigde Staten slaagt Sharon er zelfs in om de terugtrekking uit Gaza ter verkopen als een gebaar van goede wil. Politici en pers in onze contreien gaan sterk mee in dit leugenachtig discours en spreken van een ‘belangrijke stap naar vrede’. Er wordt weinig moeite gedaan om de ware aard van het ‘disengagement plan’ te ontmaskeren. Dit plan dat door iedereen op het internet kan gelezen worden, laat de terugtrekking uit Gaza immers gepaard gaan met de annexatie van grote delen van het territorium van de Westelijke Jordaanoever.

Een ding moet Sharon gegund worden. Hij is niet alleen een verbluffende strateeg, hij weet ook de dingen zo te verpakken dat oorlog vrede en bezetting, terugtrekking wordt. Hijzelf heeft zich omgeturnd van oorlogsmisdadiger tot vredesduif, maar dat is misschien nog meer de verdienste van zijn bondgenoten in het Westen dan van hemzelf.

Ludo De Brabander

Vrede DOOR:

Deel dit artikel