Bedrijven dragen cruciale verantwoordelijkheid in oplossen voedselcrisis

‘Duurzame ontwikkeling is voor mij geen modewoord, maar een noodzaak’, aldus Thomas Leysen, de nieuwe voorzitter van de Belgische ondernemers bij zijn openingstoespraak. Wat verder kant hij zich tegen de biobrandstoffen van de eerste generatie ‘omdat landbouwbelangen niet vermengd mogen geraken met energiepolitiek’. Thomas Leysen en het VBO bewandelen met dit pleidooi voor maatschappelijk verantwoord ondernemen een beloftevolle weg, een weg die ook perspectief opent op een duurzame voedsel- en landbouwproductie. Want, wanneer vandaag bedrijven als Unilever en Carrefour echt de hand willen reiken aan de honderden miljoenen familiale landbouwers in de wereld, kunnen ze samen een duurzame uitweg uit de voedselcrisis vinden.


We vertrekken van een doorslaggevende vaststelling. De internationale graanproductie kan binnen vijf jaar fors stijgen, als er maar genoeg investeringen komen en er meer steun komt voor familiale landbouw. Dat zegt Jacques Diouf, de algemeen directeur van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO). De familiale boeren in de wereld zijn dus perfect in staat om de wereld van voldoende voedsel te voorzien. Maar dan moeten ze daar wel de kansen toe krijgen. Voedsel wordt niet enkel gekweekt, het moet ook verwerkt en verkocht raken. Dat is niet enkel een zaak van boeren, het is een lange economische keten. En de plaats van de boeren daarin is vandaag allesbehalve rooskleurig.

“Wij helpen boeren succesvol te zijn.”, staat op de website van de multinational Monsanto te lezen. Bedrijven als Monsanto afficheren graag dergelijke ambities of principes. Maar de feiten vertellen ons dat de twee miljard vijfhonderd miljoen boeren en boerinnen meestal gekneld raken tussen hun leveranciers en hun afnemers. Dat is het resultaat van twee belangrijke veranderingen.

Boeren gekneld tussen leveranciers en afnemers

Ten eerste maakt de evolutie naar industrialisering de landbouwers meer afhankelijk van de buitenwereld. Ze raken eraan vastgeketend want ze telen geen eigen zaad meer en verkopen niet langer rechtstreeks aan consumenten. En ten tweede worden ze dan geconfronteerd met bedrijven die almaar meer economische macht verwerven.

Laten we enkele cijfers spreken.

  • Eenennegentig procent van de genetisch gewijzigde sojabonen die boeren gebruiken, en zelfs zevenennegentig procent van de genetisch gewijzigde maïs, komen van één bedrijf, Monsanto.
  • Eén kwart van de volledige voeding- en drankverkoop in de wereld is in handen van amper tien bedrijven, met Nestlé als grootste.
  • Van alles wat mensen in de hele wereld kopen in winkels, wordt ruim acht procent aangekocht in een winkel van éénzelfde supermarktketen, Wal-Mart.
  • Er wordt geschat dat in Europa nog slechts een 110 aankoopverantwoordelijken van supermarktketens optreden als tussenpersonen tussen 3.2 miljoen landbouwers en 160 miljoen consumenten.

Boeren zitten gekneld tussen die bedrijven van de input en de output. De leveranciers verhogen hun prijzen. En de afnemers verlagen hun prijzen, ze drukken op de verkoopsprijzen die de boeren kunnen krijgen. Je zult maar landbouwer zijn in de eenentwintigste eeuw.

Winst en duurzaamheid

Toch kan het anders. Bedrijven kunnen hun maatschappelijke rol spelen. Als ze werkelijk maatschappelijk verantwoord willen ondernemen, zullen die bedrijven natuurlijk financieel winstgevend moeten zijn. Maar evengoed zullen ze mee moeten waken over een sociaal en ecologisch duurzame landbouw. Dat is hun beste en op lange termijn zelfs enige manier om zelf economisch te kunnen overleven.
Essentieel is dat de boeren, die helemaal vooraan in de keten het voedsel voortbrengen, hun rechtmatige plaats krijgen. Bedrijven moeten er mee over waken dat landbouwers loon naar werken krijgen en in goede omstandigheden kunnen boeren.

Natuurlijk is dit een gedeelde verantwoordelijkheid. Uitgebreid studiewerk leert dat wanneer familiale boeren moeten opboksen tegen een te sterke agro-industrie die geen rekening houdt met duurzaamheid, hun toekomst er slecht uitziet. Wanneer ze daarentegen de markt domineren, zoals nu nog het geval is in vele landen en regio’s, verwerven ze veel makkelijker hun plaats in de lange voedselketen. Dergelijke inclusie is fundamenteel een samenspel van vier partners: De verwerkingsindustrie en meer nog de distributiebedrijven moeten het zien zitten, en ervoor kiezen om met de familiale boeren in zee te gaan. De boeren en hun organisaties moeten zich engageren om te voldoen aan de verantwoorde noden van de moderne voedselmarkten en de bedrijven die daarin actief zijn. De overheid moet een stimulerend beleid voeren dat daar op gericht is. En als consument en als burger kunnen wij ons allemaal uitspreken voor en daadwerkelijk kiezen voor duurzame voedselketens. Koplopers tonen de weg. Zo sluit Alpro, een bedrijf uit de Vandemoortele groep, lange termijnovereenkomsten met zijn sojaboeren. Bovendien staat Alpro hen bij in hun productieproces en zorgt voor een vergoeding wanneer de oogst mislukt.

Vredeseilanden en supermarktketen Colruyt werken al een aantal jaren samen. In 2006 starten beide partijen een boeiend project. Ze werken sindsdien samen rond de productie en de verkoop van rijst in Benin, in de eerste plaats voor de lokale markt. Dit gezamenlijke project is gericht op de verbetering van het inkomen en het welzijn van boeren en boerinnen. Colruyt brengt zijn expertise in rond kwaliteitsverbetering en commercialisering. Zo kan deze rijstteelt een hefboom voor ontwikkeling worden. Zowel Vredeseilanden als Colruyt willen samen leren over hoe duurzame handelsrelaties tussen familiale landbouwers en een supermarktketen kunnen werken. Zo willen ze kennis en ervaring breder gaan toepassen.

Zwarte bonen

Een aantal kleine boeren in Indonesië krijgen van Unilever een hogere prijs dan de marktprijs. Daar is een goede reden voor want het bedrijf zit dringend verlegen om meer en betere zwarte sojabonen, een ingrediënt van de succesvolle zoete saus Kecap Bango. Daarom koopt Unilever rechtstreeks in bij de boeren om de kwaliteit te verbeteren, de productie te verhogen en de aanvoer te verzekeren. Die boeren profiteren mee: doordat de tussenhandelaars wegvallen krijgen ze een prijs die tien à vijftien procent hoger ligt. En zo verwerven ze een betere plaats in de productieketen.

We zijn niet naïef. Natuurlijk willen ook deze bedrijven financiële winst blijven maken. En moeten we kritisch blijven kijken of ze daarbij geen scheve schaats rijden. Denk bv. aan de kritiek die Unilever en zijn palmolieleveranciers in Indonesië krijgen. De winning van die palmolie zou niet duurzaam zijn. Dus blijven we kritisch. Maar als deze bedrijven én winst maken én boeren daarbij een plaats onder de zon kunnen geven, schieten we in elk geval toch een eind op.

Jan Aertsen,
Directeur Vredeseilanden

Verschenen in De Tijd, 25/04/2008

Deel dit artikel