België heeft geen statuut voor oorlogsvluchtelingen

Ons land heeft, in tegenstelling tot de meeste Europese lidstaten, nog geen systeem van ‘subsidiaire bescherming’. Oorlogsvluchtelingen krijgen in België niet het statuut van vluchteling.

Grosso modo onderscheidt men twee soorten vluchtelingen. Er zijn vluchtelingen die aan de Conventie van Genève voldoen. Dat zijn mensen die vluchten uit het land waarvan ze de nationaliteit bezitten omdat ze vrezen te worden vervolgd omwille van ras, godsdienst, politieke overtuiging, nationaliteit of het behoren tot een sociale groep. De Conventie bepaalt dat zij vluchtelingen zijn en dus recht hebben op bescherming. De tweede groep zijn de oorlogsvluchtelingen – slachtoffers van veralgemeend geweld – en diegenen die onder artikel drie van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vallen. Dat artikel bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan foltering, een vernederende behandeling of bestraffing. Een voorbeeld: wie wegens diefstal in eigen land bestraft wordt met het afhakken van een hand, valt onder dit artikel.

Deze laatste groep van vluchtelingen kan zich niet beroepen op de Conventie van Genève. Sommigen worden niet vervolgd om redenen die opgesomd worden in de Conventie, anderen, zoals oorlogsvluchtelingen, worden niet ‘persoonlijk vervolgd en kunnen zich evenmin beroepen op de Conventie.

Europa werkte voor deze mensen een richtlijn uit die ‘subsidiaire bescherming’ biedt. Dat betekent dat deze mensen toch bescherming krijgen, hoewel ze niet voldoen aan de voorwaarden die opgesomd zijn in de Conventie van Genève. Ze krijgen in het gastland volwaardige, sociale rechten: recht op verblijf, werk, ondersteuning...

Voorlopig heeft ons land de richtlijn nog niet omgezet in Belgisch recht. De oplossingen die ons land nu voorziet is verre van ideaal. Eigenlijk gaat het om ad hoc-oplossingen. Een voorbeeld daarvan is wat gebeurde met de Afghaanse asielzoekers die in ons land toekwamen in 2002 en 2003. Die werden niet teruggestuurd omdat de situatie in hun herkomstland dat niet toeliet, maar ze kregen evenmin het statuut van vluchteling. Hun asielaanvraag bleef ‘hangen’ in de procedure. Geen statuut betekent geen werk.
Anderen zoals de Liberianen of de Romazigeuners uit Kosovo, worden niet erkend als vluchteling – hun asielaanvraag wordt afgewezen – maar hun uitwijzingsbevel wordt verlengd zodat ze langer op Belgisch grondgebied mogen blijven. Die situatie zorgt voor heel wat onzekerheid. Nog anderen, zoals de Somaliërs of sommige Irakezen, belanden in de illegaliteit maar worden ‘gedoogd’.

Beschermingsgronden

De regering werkt wel aan een voorstel ter bescherming van oorlogsvluchtelingen, de zogenaamde subsidiaire beschermig. Hoe ziet dat er op dit ogenblik uit?

Iedereen wie een reëel risico loopt op ‘ernstige schade’ indien hij naar zijn land van herkomst terugkeert en wie zich niet kan beroepen op de Conventie van Genève, krijgt dit soort van ‘subsidiaire’ bescherming.
Wat ‘ernstige schade’ precies betekent staat in de wet. Het omvat drie soorten situaties.

1. wie de doodstraf moet ondergaan indien hij wordt teruggestuurd. Vermits België, en alle andere Europese landen, de uitvoering van de doodstraf hebben verboden, is het ook verboden mensen terug te sturen naar landen waar zij zeer waarschijnlijk de doodstraf zouden ondergaan.

2. wie een foltering of een onmenselijke behandeling zou ondergaan indien hij wordt teruggestuurd naar het land van herkomst. Het gaat dan bijvoorbeeld om iemand die een onredelijk zware en vernederende straf zou krijgen voor een gemeenrechtelijk feit. De wetgeving in bepaalde moslimlanden bestraft bijvoorbeeld diefstal met het afhakken van een hand. Iemand die een asielaanvraag zou indienen om dergelijke straf te ontlopen zou nooit erkend kunnen worden als vluchteling. Een dergelijk persoon vreest immers geen vervolging omwille van zijn nationaliteit, ras, godsdienst, politieke overtuiging of het behoren tot een sociale groep. Hij heeft zijn land moeten verlaten om een vernederende bestraffing (het amputeren van een hand) te ontlopen.

3. wiens leven bedreigd is indien hij wordt teruggestuurd omdat er willekeurig geweld heerst door een gewapend conflict. Onder deze categorie vallen de vreemdelingen die op de vlucht zijn voor het oorlogsgeweld in hun land,de zogenaamde oorlogsvluchtelingen.

Heel wat mensen uit Colombia, Nepal, Afghanistan worden op dit ogenblik niet als vluchteling erkend door de asielinstanties, ook al woedt er wel degelijk een oorlog in die landen. Zij worden niet erkend omdat zij niet kunnen aantonen individueel vervolgd te zijn omwille van hun politieke of godsdienstige overtuiging of één van de andere vervolgingsgronden. Vaak zijn deze mensen niet politiek actief maar zijn zij op de vlucht voor de algemeen onveilige situatie in hun land.

Het onderzoek van deze nieuwe beschermingsgronden gebeurt in de nieuwe asielprocedure in eerste instantie door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen waarna een beroep mogelijk zal zijn bij een rechtbank. De asielzoeker moet niet zelf aangeven onder welke beschermingsgrond hij valt, het zijn de asielinstanties die zullen bepalen welk statuut het meest passend is. De sociale rechten (recht op werk, onderwijs, gezondheidszorg e.d.) voor diegenen die onder de Conventie vallen en zij die een subsidiaire bescherming krijgen, zijn dezelfde.
Het verblijfsrecht is wel verschillend: vreemdelingen die een subsidiair beschermingsstatuut krijgen zullen gedurende een periode van vijf jaar een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen. Dit betekent dat indien de situatie in hun land van herkomst in die periode sterk verbeterd is en er dus geen veiligheidsprobleem meer is voor de betrokken vreemdeling, deze zal moeten terugkeren. Kan de persoon na vijf jaar niet terugkeren dan krijgt die een permanente verblijfsvergunning. Wie als vluchteling in de zin van het vluchtelingenverdrag wordt erkend krijgt onmiddellijk een permanente verblijfsvergunning.


 

Deel dit artikel