Burgerinitiatieven zorgen voor wat orde in Somalië

Sinds de val van het regime van Siad Barré in 1991 heeft Somalië geen functionele regering meer gehad. Er zijn echter interessante lessen te trekken uit burgerinitiatieven die lokaal de wetteloosheid aanpakken en voor een zekere orde zorgen.

Somaliland dat zich reeds in 1991 onafhankelijk verklaarde mag als voorbeeld dienen dat dergelijke lokale informele initiatieven tot een duurzame oplossing kunnen leiden en meer aandacht verdienen dan ze doorgaans krijgen bij vredesbesprekingen. Discussies over een overkoepelend gezag draaien veelal uit op het opflakkeren van de gevechten. De in 2004 opgerichte Transitional Federal Governement (TFG) waarvan de representativiteit door verschillende groeperingen gecontesteerd wordt, kan vandaag enkel overleven door steun van Ethiopische militairen en een beperkte troepenmacht van de Afrikaanse Unie (AU). Vaak wordt beweerd dat het conflict draait om clanrivaliteiten. Al spelen de clans zonder twijfel een belangrijke rol in het conflict, het is maar een deel van het verhaal. De aanhoudende rivaliteit is veeleer het gevolg van een interne machtsstrijd tussen diverse lokale actoren die sterk beïnvloed wordt door buitenlandse inmenging.

Onafhankelijk Somalië

Voor een goed begrip van het huidige conflict moeten men weten dat het Somalië dat vandaag nog steeds in onze atlassen vermeld staat tijdens de koloniale periode ingedeeld was in Brits Somaliland en Italiaans Puntland. Bovendien waren delen van het prekoloniale Somalië verdeeld onder de buurlanden Kenia en Ethiopië. Het zuidelijke deel was door de Britten bij Kenia ingedeeld en in de 19e eeuw had Ethiopië een westelijke regio van Somalië veroverd (doorgaans Ogadenregio genoemd, naar de Ogadenclan die er leeft). Bij de onafhankelijkheid in 1960 bleven deze in handen van de respectievelijke staten en werden Brits Somaliland en Italiaans Puntland herenigd in het huidige Somalië.

Het pan-Somalisch nationalisme zal de politiek van het land in grote mate gaan bepalen. De eerste president Osman Daar maakte reeds aanspraak op zowel de oostelijke regio van Ethiopië (Ogaden) als de noord-oostelijke regio van Kenia. In 1964 kwam het tot een openlijke oorlog met Ethiopië over de betwiste regio. Het regime had bovendien belangrijke interne problemen: de reïntegratie van Brits Somaliland en Italiaans Puntland in één staat verliep niet gesmeerd. Het Zuiden van Somalië is vruchtbaar gebied, het noorden is droog en minder geschikt voor landbouw. De investeringen concentreerden zich voornamelijk in het Zuiden tot onvrede van de noorderlingen.

Een staatsgreep in 1969 bracht kolonel Siad Barré aan de macht. Hij maakte van Somalië een islamitisch geïnspireerde socialistische staat en wordt bondgenoot van de Soviet-Unie. Barré verbiedt politieke partijen gebaseerd op clanverwantschap en predikt een nationalisme waarin de Somali’s uit Ethiopië en Kenia mee geïntegreerd worden. Zijn droom van een Groot-Somalië zou leiden tot de mislukte Ogaden-oorlog in 1977-1978 die de kaarten van het regime grondig dooreen schudden. De U.S.S.R., de Somalische bondgenoot en broodheer, veranderde bij de regimewissel in Addis Ababa het geweer van schouder en schaarde zich achter Ethiopië. Barré zocht daarop steun bij het Westen. Op deze manier werd Somalië tijdens de Koude Oorlog een van de grootste ontvangers van wapens en een van de meest gemilitariseerde staten van Afrika. De Ogaden-oorlog was een keerpunt voor het regime van Barré. Het land was in grote mate afhankelijk van buitenlandse hulp om het patronagesysteem in stand te houden dat ondanks het officiële verbod op clangerelateerde politiek de clans van de heersende politieke klasse bevoordeelde. Interne onrust ten gevolge van droogte, het toenemende autoritaire karakter van het regime en de uitsluiting van enkele clans uit de regering resulteren in de afzetting van Syaad Barre in 1991.

Bij de val van Barré in 1991 vochten de verschillende clans een strijd uit om de macht. Dit was grotendeels ingegeven door het feit dat het patronagesysteem van het regime bepaalde clans bevoordeelde ten opzichte van andere. Maar al snel geraakten de partijen intern slaags. De strijd werd nu gevoerd tussen de verschillende subclans van dezelfde clan. De strijd om Mogadishu tussen Hussein Farah Aideed en Ali Mahdi, beiden Hawiye maar van een andere subclan, mag hiervoor als voorbeeld dienen. Sinds 1995 ontstonden er echter ook gevechten binnen deze subclans. Hoewel de strijd hierdoor steeds lokaler werd uitgevochten, was het gevolg dat men bij verplaatsingen steeds opnieuw geconfronteerd werd met wegblokkades die men slechts tegen vergoeding kon passeren. Dit leidde uiteindelijk in 1999 tot een boycot van zakenlieden die weigerden de subclans te betalen en die de militieleden wegsnoepten van de clangerelateerde krijgsheren. De privé-milities die de belangen van de zakenlieden behartigden tegen betaling en de cohesie tussen de gewapende clanleden deden afnemen hadden echter niet tot gevolg dat de clanmilities nu geheel verdwenen. Veeleer is het zo dat het aantal actoren gewoon toenam en dat naast de afkomst nu ook private belangen werden verdedigd.

Creatieve orde of anarchie ?

Het gebrek aan centraal gezag bewerkstelligde interessante lokale initiatieven van de burgermaatschappij die orde op zaken stelde. Om het dagelijkse leven te regelen hebben meerdere actoren belang bij een zekere bewegingsvrijheid en pacificering. Informele netwerken van zakenmensen, ouderen van de clans, islamitische rechtbanken en actoren uit de civiele maatschappij zijn er zo op sommige plaatsen en tijdstippen in geslaagd een relatieve vrede te doen heersen. Militieleden worden daarin betaald om de veiligheid te voorzien. Een dergelijk lokaal evenwicht wordt echter telkens opnieuw verstoord als men op hoger niveau een centraal (of federaal) gezag wil opstellen en er een gevaarlijke discussie begint over de verdeling van de stoelen in de toekomstige regering. De clanfactor wordt dan weer allesoverheersend.

Somaliland is een voorbeeld dat aantoont dat uit lokale initiatieven ook een relatief duurzame vrede kan groeien. Deze noordelijke regio heeft weliswaar het voordeel relatief homogeen te zijn qua clanstructuur, maar het zijn maandenlange traditionele besprekingen tussen de ouderen van de clans, krijgsheren en andere actoren uit de civiele maatschappij die er uiteindelijk toe hebben geleid dat men ondertussen is geëvolueerd naar een politiek systeem waarin meerpartijverkiezingen werden georganiseerd. De situatie in Zuid-Somalië is natuurlijk anders. Meer vruchtbare gebieden zorgden voor een instroom van diverse clanpopulaties die uitmondt in een veel grotere heterogeniteit. Maar daar waar de ouderen van de clan hun autoriteit hadden behouden of konden herstellen, of daar waar een minimaal evenwicht bestond tussen de verschillende clans slaagden deze er in de traditionele rechtspraak terug ingang te laten vinden. Complementair met deze traditionele rechtspraak waren de islamitische rechtbanken een instrument om de wetteloosheid te kenteren. Deze islamitische rechtbanken ontstonden reeds kort na de val van het regime van Barré. Ze hebben geen openlijke politieke ambitie wat hen breed aanvaardbaar maakt en hun strijdmachten zijn relatief gedisciplineerd wat van hen eerder ordehandhavers maakt dan onruststokers.

Bij de voorgaande pogingen een regering op te zetten was het in de eerste plaats de verdeling van de machtsposities die de onenigheid veroorzaakte. Iedereen wil een deel van de taart, en als men niet genoeg krijgt, of teveel macht moet afgeven keldert men het vredesproces. Dat is een fundamenteel probleem. Geen enkele partij verkeert in de mogelijkheid een militaire overwinning te behalen op alle andere fracties, maar ze zijn wel quasi allemaal in staat een vredesinitiatief aan flarden te schieten. Vele zakenlieden zouden op lange termijn voordeel kunnen halen uit een stabiele staat, maar zien de weg die ertoe leidt al te vaak als een bedreiging voor reeds uitgebouwde economische machtsposities. Andere actoren als wapenhandelaars of oorlogsmisdadigers hebben al helemaal geen voordeel bij vrede. De invloed van de buurlanden, die in sommige voorgestelde regimes een bedreiging zagen, heeft ervoor gezorgd dat deze het vredesproces telkens stokken tussen de wielen stak. De Somalische buren wilden altijd een vinger in de pap en slaagden er zo in de lokale minimale stabiliteit telkens weer te verstoren.

In 1996 werden diverse fracties uitgenodigd in Sodere in Centraal-Ethiopië, maar een belangrijke krijgsheer van de Hawiyeclan was hier niet welkom. In 1997 volgde een nieuw vredesproces in Caïro dat als voornaamste doel had de in Sodere gevormde coalitie samen te brengen met de Hawiyekrijgsheer. Deze besprekingen mislukten doordat verschillende partijen onder invloed van Ethiopië vertrokken. Op initiatief van Ethiopië werd daarna een federatieve oplossing voorgesteld, de "building blocks" strategie. Deze kreeg veel bijval van diverse donoren, maar vorming van een Transitional National Governement (TNG) in 2000 maakte een einde aan de federatieve oplossing. De TNG kreeg internationale hulp uit de Arabische Golfstaten die ironisch genoeg net het struikelblok zou vormen voor het welslagen van het initiatief. Enerzijds werd er geld verduisterd vooraleer de regering goed en wel aan haar taak begonnen was, wat leidde tot het verlies van het vertrouwen van diverse binnenlandse actoren. Anderzijds zag Ethiopië in de Arabische hulp een gevaar voor anti-Ethiopisch islamisme in de Hoorn van Afrika. De Somali Restoration and Reconciliation Council (SRRC) werd daarop gevormd door opposanten van de TNG die steun kregen van Ethiopië. Na besprekingen in Kenya zag de huidige Transitional Federal Governement (TFG) het daglicht waarin het machtscentrum kwam liggen bij de Darodclan van huidig president Yusuf. Onder internationale druk om een Hawiye aan te stellen als eerste minister kwam hij aandraven met Gedi, een dierenarts zonder enige politieke ervaring. Het hoeft geen betoog dat de Hawiye hierin een poging zagen hen buiten spel te zetten.

Islamitische Rechtbanken en fundamentalistische banden

Eerder gaf ik al aan dat de islamitische rechtbanken er samen met het traditioneel recht in slaagden in de staat zonder centraal gezag orde te doen weerkeren. Dit succes had ertoe geleid dat er een overkoepelend orgaan werd ontwikkeld voor deze rechtbanken, Supreme Council of Islamic Courts (SCIC), beter bekend als de Islamic Courts Union (ICU). De aanwezigheid van enkele radicale figuren in de top van deze koepel zorgden er echter voor dat de Unie gediscrediteerd werd. Een van hen was Sheikh Aweys die inmiddels op de zwarte lijst van de VS was verzeild geraakt wegens vermeende banden met het internationaal terrorisme. Hoewel ICU was samengesteld uit zowel gematigde als radicale figuren, leidde de internationale bezorgdheid ertoe dat ze in december 2006 opzij werden gezet.

Een van de grootste verdiensten van de ICU was dat ze erin geslaagd waren Mogadishu te pacificeren, wapens van de straat te weren en de wegblokkades te verwijderen. Voor het eerst sinds jaren was het mogelijk zich zonder angst op straat te begeven waarop handelaars hun zaken weer open deden en er sprake was van een min of meer normaal leven in Mogadishu. Belangrijker dan hun verdienste leek echter dat de fundamentalistische figuren erin slaagden radicale maatregelen door te drukken die Westerse wenkbrauwen deed fronsen: zoals het verbod op Bollywood-films, sigaretten, of nog om vrouwen een standje op de markt te laten openhouden. Bovendien pleitten ze openlijk tegen de TFG en waren militair in staat deze uit hun bolwerk Baidoa te verdrijven.

Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen de traditionele islamitische rechtbanken die sinds 1991 in staat waren de wetteloosheid een halt toe te roepen, zich niet met politiek inlieten en veeleer gematigd waren en de radicale inslag van enkele van deze rechtbanken die ervoor zou zorgen dat de ICU gelijk gesteld zou worden met fundamentalisme en terrorisme. Wat er ook van zij, de radicale koers van de enkelingen en de bedreiging die de ICU vormde voor de TFG zou ervoor zorgen dat de VN in december 2006 resolutie 1725 goedkeurde die buitenlandse mogendheden de toelating gaf de TFG militair te steunen. De resolutie vermeldde dat buurlanden geen troepen mochten sturen voor deze missie, maar zweeg over de reeds aanwezige Ethiopische militairen die het offensief zouden inzetten na groen licht en een duwtje in de rug van de V.S.. ICU overhandigde eind december 2006 de in beslag genomen wapens opnieuw aan de lokale krijgsheren die de Ethiopische aanwezigheid niet genegen zijn.

Creatieve oplossing

De Ethiopische militairen die nog steeds ter plaatse zijn ter ondersteuning van de zwakke TFG werken als een rode lap op een stier. De Alliance for Re-liberation of Somalia (ARS) is een jonge oppositiebeweging waarin diverse Somalische actoren zich in een verstandshuwelijk hebben verenigd tegen de Ethiopische aanwezigheid. Toch is ook deze verdeeld in twee strekkingen, de ene wil Ethiopië buiten vooraleer er sprake kan zijn van gesprekken, de andere heeft inmiddels na besprekingen in Djibouti in juni 2008 een akkoord gesloten met de TFG waarin de Ethiopische terugtrekking een van de belangrijkste elementen is. Wat er ook van zij, men is het er over eens dat de Ethiopische troepen moeten vertrekken. De onvermijdelijke militaire terugtrekking van Ethiopië uit het conflict betekent echter zeker niet dat de strijd zal ophouden. Hoewel de TFG ondertussen de meer pragmatische Nur Adde van de Hawiyeclan als eerste minister heeft aangesteld blijft de regering zwak en is niet in staat zichzelf te verdedigen tegen gewapende groeperingen van wat voor inslag dan ook die de representativiteit van de TFG betwisten.

Zonder vredestroepen heeft de TFG geen overlevingskans. Maar dergelijke inmenging ligt bijzonder gevoelig. De Afrikaanse Unie die 8000 troepen ter plaatse zou sturen is vandaag met nauwelijks 2000 man aanwezig. Gezien het feit dat deze ook een doelwit vormen voor de gewapende oppositie zijn zelfs de 8000 vooropgestelde troepen onvoldoende. Als de VN extra troepen zou sturen zou deze numeriek en militair een tegengewicht kunnen vormen die de TFG kan beschermen. Maar de vraag is of de TFG zichzelf de geschiedenis wil zien ingaan als een regering die enkel met buitenlandse steun aan de macht kon komen, dan wel of ze tot een duurzame vrede wil komen. Dat laatste vereist in de eerste plaats dat ze kan rekenen op de steun van actoren die er slaagden op lokaal niveau een evenwicht te creëren. Daarvoor zal ze echter diep in eigen boezem moeten kijken en zich omvormen tot een regering waarin de diverse clans beter vertegenwoordigd zijn. Als dat betekent dat er andere president en andere ministers moeten komen dan moet ze daartoe bereid zijn. Ze zal zich er in alle geval bij moeten neerleggen dat ze aardig wat water bij de wijn zal moeten doen om de lokale stabiliteit in sommige streken niet te verstoren. Die stabiliteit groeide organisch en kan enkel behouden blijven door de steun van de lokale bevolking. Zonder die steun heeft de TFG geen enkele kans.

Wat voor regering er ooit ook mag komen, het lijkt duidelijk dat ze zo minimaal mogelijk moet zijn om lokale evenwichten niet te verstoren en zoveel mogelijk de lokale actoren moet betrekken die een deel van de gemeenschappelijke koek krijgen. Met andere woorden: niet enkel zullen de interne partijen het eens moeten worden over een machtsverdeling, ook zal de internationale gemeenschap moeten aanvaarden dat een dergelijke minimale staat zal worden opgebouwd uit bestaande informele lokale structuren. De zogenaamde internationale gemeenschap zal zich erbij moeten neerleggen dat een duurzame vrede in Somalië niet op te bouwen valt door buitenlandse troepen die "in command" zijn van een regering die geen lokale steun heeft. Ze moet assisteren in onderhandelingen waarin actoren uit de civiele maatschappij voorstellen zullen moeten formuleren voor een machtsdeling op nationaal niveau. De TFG zal zich moeten kunnen vinden in deze voorstellen of verdwijnen naar de geschiedenisboeken. Het heeft geen zin in dergelijke fragiele situatie lokale functionele structuren af te breken waar deze gedragen worden door de bevolking. Zij vormen de basis voor elke duurzame vrede.

Joris Willems

Dit artikel komt uit Uitpers, nr 100, 9de jg., juli-augustus 2008

Deel dit artikel