De EU en de Arabische protesten

 

Vlak na de start van de Jasmijnrevolutie, erkende de EU dat ze een nieuw beleid tegenover het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA) moet uittekenen. Was dit een mea culpa over het falen van haar doelstelling om meer welvaart en democratie in de regio teweeg te brengen? Of een bijzonder rapid reponse? Geen van beiden.


1. Motieven voor de herziening van het Nabuurschapsbeleid

De start van de Arabische protesten viel min of meer samen met een reeds geplande herziening van het Europese Nabuurschapsbeleid (ENP).
 
Het ENP laat de EU toe om bilaterale relaties met de landen in de regio land per land te ontwikkelen. De EU lanceerde dit beleid in 2004 om een versnelling hoger te gaan met sommige, ontwikkelde landen zoals Israël.
 
Het Euro-Mediterrane Partnerschap dat een multilateraal kader is voor de hervorming van de relaties met de hele regio, laat die differentiatie immers niet toe. Toen 15 Europese lidstaten en 14 mediterrane landen in 1995 het Euro-Mediterrane Partnerschap of het Barcelonaproces lanceerden, hadden ze als doel vrede, veiligheid en welvaart in de regio te creëren. Die ambitieuze doelstellingen werden nooit gehaald.

In het najaar van 2010 bundelde de Commissie de bijdragen van de 27 lidstaten, het middenveld en de academische wereld met hun visie over de hervorming van het Europese beleid.
 
Als respons hierop verklaarde commissaris Fuele, bevoegd voor uitbreiding, in oktober 2010 dat het hervormde Nabuurschapsbeleid meer oog moet hebben voor politieke participatie, terwijl het ook economische ontwikkeling prioritair moet stellen.
 
Dit aanvoelen werd bevestigd door de Arabische protesten. In mei 2011 maakte de Commissie het hervormde Nabuurschapsbeleid bekend. Via het 'more for more' principe krijgen die partnerlanden die het verst staan in termen van hervormingen, meer financiële steun, naast verbeterde toegang tot de Europese markt.

Ten tweede speelt naast het institutionele luik, ook realpolitiek een belangrijke rol.
De EU wilde gebruik maken van de Arabische protesten om opnieuw aan het roer te staan.
 
In 2007 had Frans president Sarkozy immers de Unie voor de Middellandse Zee (UfM) gelanceerd, om het Euro-Mediterrane Partnerschap nieuw leven in te blazen. Hiermee gaf Sarkozy gestalte aan de wens van bepaalde lidstaten om zich meer te profileren, ten koste van een Europese dynamiek. Eén van de zwakke punten is dat de Unie voor de Middellandse Zee nauwelijks oog had voor politieke hervormingen.
 
Zo was Egyptisch president Moebarak de vice-voorzitter. Met de Arabische revoluties en de delegitimatie van de Unie zag de Commissie, en met name de External Action Service, de kans schoon om het laken opnieuw naar zich toe te trekken.

Tot slot, passen de Arabische protesten in de gedifferentieerde visie van de EU. De regio zal veel complexer en heterogener zijn dan in het verleden. Sommige landen worden democratischer (Tunesië), andere voeren hervormingen op om protesten in te dijken (Marokko, Jordanië), andere houden hervormingen tegen (Golfstaten) en in het slechtste geval is er een conflict (Syrië en Libië). Meer dan ooit, is een alomvattende aanpak voor de hele regio onmogelijk.


2. Concrete veranderingen

De Europese Unie erkent dat ze de regio moet stimuleren via praktische incentives. Concreet zal de financiële hulp met 1 miljard Euro stijgen, en nemen de leningen van de Europese Investeringsbank en de European Bank for Reconstruction and Development toe.
 
Er is meer oog voor socio-economische ontwikkeling, met allerlei initiatieven op het vlak van kleine ondernemingen, microkredieten en pilootprojecten in rurale ontwikkeling. Naast financiële hulp, worden er ook voordelen zoals vernieuwde vrijhandelsakkoorden en mobiele partnerschappen (liberalisering van visa) in het vooruitzicht gesteld.

Maar daarnaast is ook politieke hervorming een essentiële doelstelling en zal de EU meer doen om de ontwikkeling van het middenveld te faciliteren. Dit was in het verleden immers één van de grootste pijnpunten.
 
Alle mooie verklaringen ten spijt, hadden de Europese instellingen bijzonder weinig aandacht voor de kritische inbreng van mensenrechtenorganisaties, sociale organisaties en academici uit de regio.
 
Een van de grote kritieken van de Arab Human Development Reports is het gebrekkige kritische denken in het onderwijs en de instellingen in het Midden-Oosten.
 
Maar de kritische geluiden uit de regio bleven echter vaak ongehoord. Ze werkten verlammend voor de EU, omdat ze wezen op de grote tegenstellingen in het Europese beleid dat vooral lippendienst bewees aan democratie. In wezen legde Europa zijn standaarden voor de partnerlanden een stuk lager om geen ingrijpende hervormingen te moeten doorvoeren.

De meest verrassende evolutie, is de concrete toepassing van conditionaliteit, het hanteren van concrete parameters voor de uitbouw van de bilaterale relaties. More for more betekent immers ook less for less. Landen die niet meewerken, kunnen gestraft worden.
 
Het regime in Syrië ondervindt dit concreet door de invoer van economische sancties. De Commissie stond echter altijd huiverachtig tegen negatieve conditionaliteit, met name tegen beperkende maatregelen zoals sancties.
 
Israël, dat de bilaterale akkoorden met de EU toepast volgens zijn eigen nationale wetgeving, is hier het beste voorbeeld van. Europese beleidsmakers hopen dat dit probleem kan worden opgelost door socialisering. Menig diplomaat argumenteert dat Portugal bijvoorbeeld geen perfecte democratie was bij zijn toetreding tot de EU, maar dat het positief evolueerde door de socialiserende Europese invloed. Conditionaliteit in het geval van Israël blijft nog steeds moeilijk bespreekbaar in Europese kringen.


3. What's in it for the people?

De EU reageerde op korte termijn snel en goed op de Arabische protesten. De instellingen toonden zich genereuzer, niet louter gedreven door de eigen belangen.
 
Beleidsmakers hielden rekening en verwezen naar de lokale stemmen en verzuchtingen van de bevolking. Opvallend is ook dat de Arabische partners een stuk kritischer zijn dan in het verleden. Ze zijn pro-actiever en vragen om rekenschap.
 
De dynamieken in de regio nopen de EU, een stuk verder te gaan en een lange-termijn-visie te ontwikkelen die fundamenteel ingrijpt op het vlak van welvaart, veiligheid en echte democratisering. Dan kan ze daadwerkelijk aan de vragen van de bevolking tegemoet komen.


Enkele belangrijke kanttekeningen bij de nieuwe Europese benadering:
  • Waarom zet Europa enkel in op vrijhandelsakkoorden en weigert het te praten over zijn eigen landbouwbeleid? Hervormingen in dat domein zou een veel belangrijker voordeel zijn voor de landen van het zuiden.
  • Money, markets and mobility zijn belangrijke troeven van de EU, maar geen afdoend antwoord op de gigantische uitdagingen waar de MENA voor staat. De EU moet investeren in een geostrategisch beleid. Welk model van samenwerking wil ze? Meer integratie of meer regionale autonomie?
  • De liberalisering van de visa voor een beperkte groep zoals zakenlui en studenten is positief. Kan er een link worden gemaakt met het stringente Europese migratiebeleid?
  • Hoe zal de EU concreet bijdragen tot de versterking van het middenveld en reageren op concrete cases van aanvallen tegen ngo's en mensenrechtenverdedigers?

Brigitte Herremans, medewerker Midden-Oosten, Broederlijk Delen-Pax Christi Vlaanderen

Deel dit artikel