De Palestijnse Nakba, Israëls erfzonde

Precies zestig jaar geleden riep David Ben Goerion de onafhankelijkheid van Israël uit. Hierna vielen de Arabische landen de jonge staat Israël aan. In de oorlog die hierop volgde werden meer dan 440 Palestijnse dorpen verwoest en raakten 750.000 Palestijnen dakloos. Deze visie op het ontstaan van Israël en de Palestijnse Nakba (‘catastrofe’) houdt het midden tussen de Israëlische en de Palestijnse versie en erkent het leed van beide volkeren. Dit is noodzakelijk want voor beide volkeren is hun recht op zelfbeschikking pijnlijk. Met dat verschil dat het Israëlische volk zestig jaar geleden zijn staat stichtte en het Palestijnse volk hier nog steeds op wacht. De  intussen meer dan 5 miljoen vluchtelingen zien hun fundamentele rechten al zestig jaar geschonden. Bovendien gaat de ontheemding van het Palestijnse volk tot op heden voort. Vele Palestijnen stellen dat de Nakba geen verleden tijd is, dat Israël het Palestijnse recht op zelfbeschikking in theorie wel aanvaardde, maar geen afstand nam van het streven van de zionistische pioniers naar ‘een Joodse staat met zoveel mogelijk land en zo weinig mogelijk Arabieren.’

De huidige impasse in Israël en de Palestijnse gebieden noodzaakt ons om de aandacht vestigen op een aantal minder bekende feiten die een ander licht werpen op het ontstaan van Israël en mede verklaren waarom er nog steeds geen vrede is in het Midden-Oosten. Op basis van werk van de Israëlische ‘nieuwe historici’ willen we een aantal van de ontstaansmythes van Israël ontkrachten. Niet om Israël te demoniseren, wel integendeel om echte vrede voor allen mogelijk te maken. Het is onmogelijk om de Nakba of Palestijnse catastrofe te negeren als we ooit een duurzame vrede in Israël en Palestina willen zien. Bij de vredesbesprekingen stelde Israël keer op keer zijn veto over discussies over de Palestijnse ontheemding en de rechten van de Palestijnse vluchtelingen.

Palestijns historicus Walid Khalidi stelt dat Israël erin slaagde om, zoals de sterkste partijen in conflicten vaak doen, niet alleen met de buit aan de haal te gaan, maar ook zijn versie van de feiten op te leggen. De internationale gemeenschap moet erkennen dat Israël in 1948 niet louter een slachtoffer was van de Arabische agressie maar ook een dader. Het heeft verantwoordelijkheden die het nooit opnam. Eén van de grootste uitdagingen waar de vredesonderhandelaars voorstaan, is om het met zijn ‘erfzonde’, zoals de Franse journalist Dominique Vidal schrijft, te confronteren.

Israël rechtvaardigt de verdrijving van meer dan 700.000 Palestijnen uit historisch Palestina met de stelling dat het ‘geen andere keuze had’. Mocht het de Palestijnen niet verdreven hebben, dan zou de Joodse staat geen schijn van kans hebben gehad. Volgens Israël is het een klein mirakel dat het de oorlog tegen de Arabische landen, ‘een strijd van David tegen Goliath’, won. Bovendien, zo luidt het verder, riepen de Arabische leiders de bevolking op, hun huizen te verlaten en hadden de zionistische milities geen schuld in hun exodus. De nieuwe historici stellen daarentegen dat het wel de bedoeling was, de Palestijnen te verdrijven. Israëlisch historicus Benny Morris stelde zelfs in een interview in de krant Ha’aretz dat, ‘er omstandigheden in de geschiedenis zijn waarbij etnische zuivering gerechtvaardigd is. Als de keuze moet gemaakt worden tussen etnische zuivering en genocide, dan verkies ik etnische zuivering. Dat was het geval. Dat was de keuze waar het zionisme voorstond. Een Joodse staat kon niet worden opgericht zonder 700.000 Palestijnen te ontwortelen.’

Vanaf het prille begin wou Israël een zo groot mogelijk Joodse staat in historisch Palestina of het Bijbelse Israël, met zo weinig mogelijk Palestijnen. Die staat kwam niet toevallig tot stand, maar als gevolg van jarenlange plannen. In tegenstelling tot de Palestijnen en de Arabische landen, aanvaardde Israël het VN-verdeelplan van 29 november 1947. Na het gefaalde Britse mandaat verdeelde dit plan historisch Palestina in een Joodse (55%) en een Arabische staat (42%), met een aparte internationale status voor Jeruzalem. ‘Mochten de Palestijnen het verdeelplan aanvaard hebben’, stelt Israëlisch historicus Simcha Flapan, ‘dan zouden de zionisten geen andere keuze hebben gehad dan het te weigeren.’ Want van meet af aan was het duidelijk dat de stichters van Israël geen genoegen namen met het verdeelplan. Ze zagen het als een goed vertrekpunt.

In tegenstelling tot de traditionele Israëlische versie over de eerste Arabisch-Israëlische oorlog, was het evenmin een strijd van David tegen Goliath. De best uitgeruste strijdmacht won de oorlog. De Palestijnse paramilitaire groepen en de verenigde legers van Jordanië, Syrië, Libanon, Egypte en Irak waren niet opgewassen tegen de zionistische milities. Bovendien had Jordanië dat over het sterkste leger beschikte, een geheim akkoord gesloten met het zionistische leiderschap. Het Jordaanse leger zou de grenzen niet oversteken van het gebied dat het VN-verdeelplan voor de Joodse staat had voorbestemd. Het zou enkel het Arabische deel met Oost-Jeruzalem verdedigen, met het oog op een annexatie van de Westelijke Jordaanoever. De Arabische legers maakten geen schijn van kans tegen het nieuwe Israëlische leger, dat bijna dubbel zo groot was. Het bestond uit 80.000 soldaten, van verschillende zionistische gewapende groeperingen, terwijl de Arabische legers samen niet meer dan 50.000, slecht uitgeruste soldaten, hadden. De zionistische leiders wisten dit en voorzagen dat ze zowel een aanval konden afslagen als historisch Palestina overnemen.

De mythe dat de Palestijnen hun huizen en grond vrijwillig achterlieten of hiertoe opgeroepen werden door de Arabische leiders is nog hardnekkiger. Vanaf november 1947 woedde er een feitelijke burgeroorlog tussen de zionistische en Arabische groeperingen in historisch Palestina, waarbij beiden zich schuldig maakten aan geweld tegen burgers. De Britse mandaathouder keek toe en creëerde door zijn passieve houding en uiteindelijke terugtrekking mee het conflict dat op 15 mei 1948 in alle hevigheid losbarstte. Vast staat echter dat de zionistische groeperingen meer dan 200.000 Palestijnen verjoegen en 200 dorpen vernielden vóór 15 mei 1948, vóór één reguliere Arabische soldaat historisch Palestina was binnengekomen. Noch de Arabische legers noch de Britten beschermden de Palestijnse burgerbevolking die was overgeleverd aan de verdrijvingen van de zionistische groeperingen. Die begonnen aarzelend in november 1947 maar kregen een steeds systematischer karakter. Tussen november 1947 en de uiteindelijke wapenstilstand in mei 1949, verwoestten zionistische groeperingen en later het Israëlische leger de Palestijnse maatschappij en de geschiedenis. Ook al oordeelden verschillende instanties zoals de Algemene Vergadering van de VN reeds in 1948 dat de vluchtelingen moesten gerepatrieerd worden, Israël ging door met de vernielingen en zou de vluchtelingen op alle mogelijke manieren, zoals de annexatie van hun land en goederen, het recht op terugkeer ontzeggen.

Dit feit is bekend maar de omvang van de catastrofe en de gevolgen ervan zijn onvoldoende verankerd in  het Westerse bewustzijn over het conflict. Met de Nakba werd de geografie van historisch Palestina voorgoed gewijzigd. Zo voerde het Joods Nationaal Fonds, dat verantwoordelijk was voor de geconfisqueerde Palestijnse grond, een beleid van herbenoeming van de dorpen. De zoektocht naar de oorspronkelijke Hebreeuwse namen, al dan niet echt, werd een obsessie om aan te tonen dat de Palestijnse aanwezigheid maar beperkt was geweest in de tijd. Het doel was de geschiedenis van de Palestijnen uit te wissen en te vervangen door die van Israël.  Zoals bekend stelde Golda Meir dat ‘er geen Palestijnen’ waren en sommigen beweerden dat de Palestijnen ingeweken Arabieren waren. Israël voerde een beleid van systematische landroof in historisch Palestina. Dit beleid zet het vandaag nog door in de bezette Palestijnse gebieden.

Doorheen het vredesproces zou Israël ook zijn veto’s stellen. Zo wil het de vluchtelingenkwestie niet oplossen conform de principes van het internationaal recht. Daarnaast ontnam Israël de Palestijnen de rechten die het voor zichzelf eiste. De voorstellen voor de Palestijnse staat schoten steeds tekort en beantwoorden niet aan het concept van een leefbare en onafhankelijke staat zoals het voor zichzelf had opgeëist. Wat voor Israël een evidentie is, is dat blijkbaar niet voor de Palestijnen. De internationale gemeenschap draagt een grote verantwoordelijkheid omdat het toelaat dat Israël aandringt op zijn interpretatie van het internationaal recht. De internationale gemeenschap mag niet meegaan in de logica dat een oplossing van het conflict zich beperkt tot de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, 22% van historisch Palestina, waarop Israël de Palestijnen bovendien nog tot territoriale toegevingen wil dwingen via de nederzettingenexpansie en de bouw van de Muur. Vrede kan niet betekenen dat de sterkste partij zijn wil oplegt. Compromissen zijn nodig en absolute rechtvaardigheid bestaat niet, maar een oplossing zal hoe dan ook moeten geïnspireerd zijn op het internationaal recht.


Brigitte Herremans, medewerker Midden-Oosten Broederlijk Delen-Pax Christi Vlaanderen

Deel dit artikel