De toekomst van het Belgische leger volgens De Crem

Enkele maanden na zijn wat turbulente start als minister van Defensie gunt Pieter De Crem ons een kleine blik onder de defensiesluier. Hoewel hij zijn ambities om budgettaire en politieke redenen wat moet temperen verloopt de toekomst van het Belgische leger geïntegreerd via de EU en de NAVO. Het gaat om een ‘expeditionair’ ingesteld leger dat overal ter wereld in om het even welke omstandigheden moet kunnen optreden.

Pieter De Crem, de ambitieuze CD&V politicus, zit nu al een half jaar op de door hem begeerde post van Belgische minister van Defensie. Zijn aantreden zou niet ongemerkt verlopen. Een verspreking over de aanwezigheid van nucleaire wapens in Kleine Brogel en zijn aankondiging om ijlings de bestelling van 90mm-kanonnen voor AIV’s (Armoured Infantry Vehicles) te schrappen en daarna weer bakzeil te halen, zorgde voor weinig flatterende koppen in onze pers (De Standaard: ‘Minister De Crem in sneltempo brokkenpiloot’; De Morgen: ‘Regering woest na kernwapenflater van De Crem’). Als lid van de oppositie in de vorige legislatuur liet hij zich kennen als een voorstander van een robuust leger dat zijn ‘verantwoordelijkheid’ moet nemen, zowel in EU als NAVO-verband. Hij haalde fel uit naar het defensiebeleid van zijn voorganger Flahaut. Het CD&V-kiesprogramma verweet Flahaut dat hij het Belgische imago in het buitenland dermate heeft aangetast “dat wij geen geloofwaardige partner meer zijn in de besluitvorming en de operaties.” Voor België moet de internationale rol “de rode draad zijn door de hele structuur van de krijgsmacht”, zo klonk het nog.

Het bitse verbale gevecht tussen Flahaut en De Crem, dat nu in omgekeerde rollen wordt voortgezet, zou de indruk kunnen wekken dat beiden een totaal verschillende visie huldigen op Defensie. Maar wie het ‘Strategisch Plan 2000 – 2015’ en bijsturingsplannen (1)  van het Flahaut-tijdperk raadpleegt en vergelijkt met de in april 2008 gepubliceerde beleidsnota en De Crems daaropvolgende lezing over de toekomst van het leger (2), zal merken dat er niet zo’n wezenlijk groot verschil bestaat in visie tussen beide kemphanen. Onder Flahaut staat er in het rapport waarin de tussentijdse bilan van de hervormingen van het strategisch plan worden opgemaakt  staat: “De core business van Defensie bestaat erin om deel te nemen aan operaties in coalitieverband met onze partners van de NAVO en van de Europese Unie, en om de training van onze mensen te verzekeren die daartoe vereist is.” Voor De Crem moet Defensie eveneens eerst en vooral “een solidaire en betrouwbare bondgenoot zijn, zowel in bilaterale als multilaterale context”.(3)  Beiden vinden dat het leger moet afgeslankt en verjongd worden en verregaand gemoderniseerd met beperkte budgettaire middelen. Beiden zien het leger in eerste instantie als een interventie-apparaat. Ook de globale doelstellingen in De Crems Beleidsnota 2008 konden we al terugvinden bij Flahaut. Het gaat om ten eerste het verderzetten (sic) en versnellen van de herstructurering van de Defensiestaf en de eenheden. Ten tweede de vrijwillige afvloeiing van militairen om tot de in het Strategisch Plan 2000 – 2015 beoogde doelstelling te komen van 37.725 personeelsleden. De prioritaire beschikbaarheid van de Belgische strijdkrachten voor internationale vredesoperaties. En tenslotte verwezenlijking van de investeringsplannen rekening houdende met de budgettaire actualiteit. Allemaal oude en nu heropgewarmde kost. Dat de grote lijnen van het defensiebeleid ondanks de coalitiewissel weinig van elkaar verschillen heeft te maken met het feit dat onze defensie zich nu al decennia lang trouw inschrijft in het EU en NAVO-beleid waardoor de manoeuvreerruimte van elke lidstaat en zijn verantwoordelijke minister hoe dan ook beperkt is.

Nochtans leek het erop dat De Crem het roer helemaal wilde omgooien toen hij aankondigde dat België 4 F16s en extramanschappen naar Afghanistan zal sturen ter ondersteuning van de Nederlandse gevechtstroepen in Kandahar. Zelfs dat is niet helemaal nieuw, want eerder al (juli 2005 – januari 2006) heeft België 4 F-16s ingezet voor verkenningsoperaties en luchtsteun in samenwerking met Nederland, ook al was de situatie op het terrein anders. Het geld voor de nieuwe F-16-missie zou moeten gevonden worden van een gedeeltelijke terugplooiing van de Belgische troepen in Libanon, iets waarover de Belgische ministerraad op het ogenblik dat we dit schrijven nog niet over heeft geoordeeld. Het budgettaire keurslijf – in de beleidsnota is er sprake van 2,77 miljard Euro, een status quo - waaraan ook Defensie is onderworpen en het feit dat belangrijke beslissingen in overleg met de regeringspartners moeten worden genomen, hebben er wellicht voor gezorgd dat De Crem gas moest terugnemen in zijn zorg om de NAVO-partners zoveel mogelijk ter wille te zijn.

Vooralsnog: accentverschillen
Is er dan helemaal geen verschil met Flahaut? Hoewel het nog wat vroeg is om daar goed over te oordelen, zijn er wel degelijk accentverschillen. Flahaut kreeg al eens het label van anti-Amerikaan opgekleefd, vanwege zijn kritiek op president Bush. Destijds liet hij in Humo (20 januari 2004) weten dat als hij een Amerikaan zou zijn, hij voor een democraat zou stemmen. Logischerwijs stelde hij zich ook iets afstandelijker op tegenover de NAVO, iets wat zeker ook het geval was met zijn toenmalige coalitiepartner, de Sp.a. Op de beslissing om F-16s te sturen naar Afghanistan reageerde Flahaut op zijn Blog met: “we moeten vermijden dat de gemaakte keuzes voor het engagement van België aan buitenlandse operaties een duidelijke voorkeur tonen voor de NAVO, ten koste van de VN en de Europese Unie.”

De Crem ziet evenwel geen tegenstellingen tussen EU of NAVO. “De Belgische regering was altijd van mening dat de objectieven van de Europese Unie en de Noord-Atlantische Alliantie perfect met elkaar verenigbaar zijn. Het is daarom dat we onze inspanningen zullen voortzetten om de Europese pijler van de Noord-Atlantische Organisatie te versterken”.(4)

Het grootste verschil ligt wellicht in het karakter van de internationale opdrachten van het leger. Flahaut wilde zijn internationale missies niet zomaar volgens de VS-visie invullen. Volgens De Crem moet “elke natie zijn deel van de collectieve verantwoordelijkheid op zich nemen in het behoud van de vrede en veiligheid in de wereld.” In een duidelijke verwijzing naar Afghanistan vervolgt De Crem: “Het zou onduldbaar zijn dat een beperkt aantal landen de risico’s dragen van bepaalde gevaarlijke operaties, terwijl andere zich zouden beperken tot ‘low-risk’-operaties.” Toen het in Afghanistan wat heter werd en er andere prioriteiten opdoeken trok de vorige regering de F-16s terug uit Afghanistan. Een daaropvolgende Nederlandse vraag (in 2007) naar nieuwe Belgische luchtsteun werd afgewimpeld.

De toekomst van ons leger
In een druk bijgewoonde lezing in de Koninklijke Militaire School, gaf De Crem zijn visie op hoe het leger moet evolueren. Een determinerende factor is de manier waarop integratieproces van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid verloopt. Volgens De Crem is het duidelijk dat het Europese leger anno 2030 nog niet volledig geïntegreerd zal zijn. Maar ons land ziet voor zichzelf wel een belangrijke rol weggelegd om die integratie goed te laten verlopen. Onze minister van Defensie denkt daarbij in de eerste plaats aan de ‘permanente gestructureerde samenwerking’ waarvan sprake in het Verdrag van Lissabon. Via zo’n samenwerking kunnen enkele EU-leden die over voldoende militaire capaciteit beschikken om veeleisende operaties aan te gaan een militaire alliantie aangaan, de kern van een Europees leger zeg maar, naar analogie van de Eurogroep. De Crem stelt dat de permanente gestructureerde samenwerking ongetwijfeld deel zal uitmaken van het prioriteitenlijstje tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie in 2010. Het lijkt een bijna onschuldige passage in een lange lezing, maar achter het pleidooi om tot de trekkers te behoren van deze vorm van samenwerking schuilt wel degelijk een heel concept.

Ten eerste bevestigt de preambule van het aan het Verdrag van Lissabon gehechte protocol over de permanente gestructureerde samenwerking (5) de stelling van De Crem dat de ontwikkeling van militair Europa en de NAVO elkaar versterken. Daarin staat “dat een meer nadrukkelijke rol van de Unie op het gebied van veiligheid en defensie de vitaliteit van een hernieuwd Atlantische bondgenootschap ten goede zal komen, in overeenstemming met de ‘Berlijn Plus’-regeling.” (6) De ontwikkeling van de NAVO en het veiligheids- en Defensiebeleid van de EU wordt hier m.a.w. rechtstreeks aan elkaar gekoppeld.

Ten tweede, betekent de deelname aan de permanente gestructureerde samenwerking dat de lidstaten zich ertoe verbinden om “intensiever te werken aan de ontwikkeling van hun defensievermogens, door hun nationale bijdragen te ontwikkelen (…)” (art 1 a). Dat betekent onder meer dat België zich engageert tot deelname aan multinationale strijdkrachten, de voornaamste programma’s voor materieel en aan het werk van het Europees Defensieagentschap (art 1 a). De kandidaten moeten tegen 2010 in staat zijn om de nodige gevechtscapaciteit te leveren voor een snelleractiegevechtsmacht die binnen de 5 tot 30 dagen kunnen ontplooid worden (art 1 b).

In het Verdrag van Lissabon zelf staat niet alleen een bewapeningsverplichting (“de lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens te verbeteren”, art 28A c 3), maar ook dat enkel “lidstaten waarvan de militaire vermogens voldoen aan strenge criteria en die terzake verdergaande verbintenissen zijn aangegaan” kunnen deelnemen aan een permanente gestructureerde samenwerking. Samengevat betekent dit alles voor België dat, indien ons land zoals De Crem dat ziet tot die voorhoede wil behoren, zijn militair apparaat sterk zal moeten moderniseren en er vooral in zal moeten investeren. De Crem kan vooralsnog geen grotere budgettaire engagementen aangaan, maar in zijn lezing waarschuwt hij alvast: “Tal van Europese regeringen hebben moeite om hun bevolking te overtuigen om te investeren in de nieuwe defensieprojecten, zeker in een periode waar de sociale noden blijven stijgen (…)” En hij vervolgt: “We zouden ons illusies maken indien we ervan uitgaan dat meer geïntegreerde Europese militaire strijdkrachten de nationale defensiebudgetten doen verminderen. Een modern Europees leger vereist belangrijke investeringen in spitstechnologie, wat een aanzienlijke kost vertegenwoordigt.”

De Crem is zonder meer voorstander van wat hij een ‘expeditionair ingesteld Belgisch leger’ noemt. Wanneer preventiemaatregelen falen, “is de snelle inzetbaarheid van een aangepaste interventiecapaciteit van levensbelang” en dit zowel om hulp te bieden als om gewapenderhand tussen te komen. Als we vrede moeten afdwingen dan moeten we ons van “de noodzakelijke robuustheid voorzien” voor buitenlandse opdrachten “waar ook ter wereld” en dit “desnoods onder alle omstandigheden”. Volgens De Crem zijn het civiele en militaire hier onlosmakelijk met elkaar verbonden. “Alleen een allesomvattende civiel-militaire aanpak kan leiden tot duurzame vrede en veiligheid”. Hij geeft daarvoor alvast het voorbeeld van Afghanistan waar de kindersterfte met 25 procent is afgenomen, waarbij hij wijselijk de sterke toename van het geweld of de opiumproductie verzwijgt. Consequentie op beleidsniveau is dat er een interdepartementele samenwerking nodig is gebaseerd op het ‘3D’-principe, wat staat voor ‘Diplomacy, Development en Defence’.

Dit alles leidt ertoe dat het Belgische leger capaciteiten waar hoge kosten aan verbonden zijn, zoals strategisch luchttransport of maritieme escorte- en mijnenbestrijdingscapaciteit best geïntegreerd verloopt met onze bondgenoten. Bepaalde activiteiten zullen moeten worden afgestoten of verminderd en de kernactiviteiten moeten centraal worden gesteld. Voor De Crem betekent dit onder meer dat de rekrutering gericht moet worden op gevechtseenheden. Maar niets is definitief in deze voortdurend wijzigende veiligheidsomgeving. “Defensie moet zich daarom zo organiseren dat het in staat is om deze permanente noodzaak tot transformatie op te vangen.”

De Crem eindigde zijn lezing met een citaat van ex-premier Tony Blair, die samen met zijn toenmalige adviseur en inmiddels rechterhand van Solana, Robert Cooper, tot een van de architecten behoort van de moderne interventie-ideologie: “We used to feel we could shut down our front door on the problems and conflicts of the wider world. Not any more. It is how we reconcile openness to the rich possibilities of globalisation, with security in the face of its threats. How to be open and secure.”

De Crem lijkt van Blair en diens ideeën over internationale veiligheid te houden. Hij voelt zich meer dan zijn voorganger thuis in het transatlantisch denken. Net als Blair gelooft hij in het goede altruïstische Europa dat in staat is belangenloos overal ter wereld te interveniëren of juist niet te interveniëren. Tekenend voor dat denken is dat de oorzaak van het geweld in deze wereld slechts in kleine mate moet gezocht worden bij de manier waarop het westen zich in deze geglobaliseerde wereld gedraagt. Blair zei in dezelfde afscheidsspeech (26 september 2006) die hij hield in de Britse ambassade te Tel Aviv, dat we in elk geval niet verantwoordelijk zijn voor het moderne terroristische geweld (“This terrorism isn’t our fault, we didn’t cause it”) (7) …. ondanks Irak, Palestina, Afghanistan en andere conflicten.

Ludo De Brabander

Dit artikel verschijnt ook in www.uitpers.be (juni-nummer 2008)

Noten

[1] Het Strategisch Plan is bijgestuurd door een ‘Stuurplan van Defensie’ 2003 (zie http://www.mil.be/reserve/viewdoc.asp?LAN=nl&FILE=doc&ID=225) en het document ‘Halfweg het strategisch plan 2000 2015’ (zie  http://www.mil.be/def/doc/index.asp?LAN=nl&ID=200 )

[2] ‘Beleidsnota voor het Ministerie van Defensie voor het begrotingsjaar 2008, 12 april 2008; Toespraak van Pieter De Crem over ‘Defensie in 2030’, 21mei 2008

[3] Toespraak van Pieter De Crem (2008)

[4] Toespraak van Pieter De Crem over ‘Defensie in 2030, 21 mei 2008

[5] ‘Betreffende de permanente gestructureerde samenwerking, ingesteld bij artikel 28 A van het verdrag betreffende de Europese Unie’

[6] In maart 2003 sloten de NAVO en de Europese Unie de Berlijn-Plus samenwerkingsovereenkomst om het dubbel gebruik van vermogens en middelen te vermijden. Via Berlijn-Plus heeft de EU ook toegang tot de operationele planning van de NAVO

[7] Zie tekst van de volledige speech op de website van de Britse ambassade in Tel Aviv: http://www.britemb.org.il/News/blair260906.htm

Deel dit artikel