Doha-ronde : processie van Echternach voor de ontwikkelingslanden ?


Op 31 juli hebben de WTO-onderhandelaars in Genève een stap gezet in het afsluiten van de Doha-“ontwikkelings”ronde.   Er is een raamakkoord gesloten voor het verdere verloop van die ronde.   Of dit ook een stap is in de goede richting voor de ontwikkelingslanden en de arme boeren is nog maar de vraag.  Het lijkt eerder op een processie van Echternach : twee stappen naar voor, drie naar achter.

Exportsubsidies en handelsverstorende binnenlandse steun

De tekst van het raamakkoord voorziet wel degelijk in het terugschroeven van exportsubsidies door de EU en van een ‘aanpassing’ van de exportkredieten door de VS.   Het geeft de indruk dat de grootste handelsblokken uit het Noorden werk maken van een terugdringen van een handelsverstorende subsidieregeling voor hun eigen landbouw, waardoor landbouwproducten onder de marktprijs verhandeld worden.

Dit positieve geluid wordt echter gecounterd door vele vaagheden en tegenindicaties in de teksten zodat het helemaal niet zeker is dat er wel een degelijke verdwijning van die subsidies zal komen.

Om te beginnen is het een raamakkoord dat op vele punten vaag is gehouden.Er zullen nog extra onderhandelingen nodig zijn om de afschaffing concreter te maken.   Er is ook geen echt  tijdspad vastgelegd wanneer de exportsubsidies moeten verdwijnen en van een concrete afschaffing van de Amerikaanse exportkredieten is geen sprake, het blijft bij ‘aanpassing’.  Bovendien is er een verschuiving merkbaar van de handelsverstorende maatregelen.   De zogenaamde ‘blauwe doos’ (een half en half toegelaten set van steunmaatregelen die minder concurrentievervalsend zouden zijn dan conventionele subsidies, die in de verboden of oranje doos zitten) wordt uitgebreid en het gevaar bestaat dat op die manier er toch weer handelsverstorende subsidies, gekoppeld aan landbouwproductie of -areaal worden toegestaan.  Ze krijgen alleen een nieuw kleurtje.

Tarieven

In tegenstelling tot de afbouw van de exportsubsidies wordt er aan de importheffingen ter bescherming tegen de invoer vanuit ontwikkelingslanden bijna niet geraakt.   De tekst voorziet expliciet in het in bescherming nemen van een groot aantal zogeheten ‘kwetsbare’ producten voor de machtige handelsblokken uit het Noorden, terwijl de bescherming van bepaalde producten die essentieel zijn voor de voedselzekerheid en plattelandsontwikkeling in de ontwikkelingslanden heel wat minder expliciet vermeld wordt in de tekst.   Het lijkt erop dat de rijke landen hun kwetsbare producten in de verdere onderhandelingen veel beter zullen mogen beschermen dan dat de ontwikkelingslanden dat zullen mogen.  In combinatie met een blijvende stroom van goedkoop geëxporteerde producten uit het Noorden is dit nefast voor de lokale voedselproductie en –prijzen. 

Als tegenprestatie voor de beloofde verdwijning van de exportsubsidies hebben ontwikkelingslanden sterke toegevingen moeten doen op vlak van de industriële producten.   Naar alle waarschijnlijkheid zullen zij de beschermingsmaatregelen voor hun markten op dat vlak fel moeten verminderen, waardoor het moeilijker wordt om een lokale industrie in stand te houden of op te zetten. 

Ook in het vrijmaken van de dienstensector trekken de ontwikkelingslanden aan het kortste eind.   Tegen mei 2005,    veel vroeger dan verwacht, dienen alle landen een verbeterd aanbod te doen om hun diensten open te stellen voor de (Westerse) multinationals.   De vraag of de ontwikkelingslanden daar wel klaar voor zijn, wordt niet gesteld.

Katoen

Zelfs heel specifieke eisen van de ontwikkelingslanden werden niet ter harte genomen.   Zo was er gevraagd om katoen apart te behandelen omwille van de expliciet nefaste gevolgen van door de VS gesubsidieerd katoen op de West-Afrikaanse markten.   Het geschillingsregelingsorgaan van de WTO heeft Brazilië onlangs nog gelijk gegeven in haar klacht tegen de katoensubsidies van de VS.  Het raamakkoord fluit de speciale behandeling van katoen terug en plaatst katoen terug onder de algemene behandeling van de landbouwproducten.  Er wordt wel een speciale commissie opgericht om de vooruitgang in de sector op te volgen, maar dat houdt niets concreet in.  De VS haalt dus haar slag thuis en kan katoenboeren blijven subsidiëren tot scha van de West-Afrikaanse katoenboeren en tot schande van de geest van het WTO-akkoord.

Hoe is het in feite mogelijk dat de 147 leden van de WTO tot zo’n consensus komen die de belangen van de ontwikkelingslanden zo fel schaadt ?    Dat heeft te maken met het intransparante beslissingsproces in het kader van de WTO.   De meeste landen krijgen het definitieve tekstvoorstel een schamele 24u voor de beslissing genomen moet worden pas te zien.  Te kort voor goede feedback van hun regeringen en eigenlijk gewoon te weinig tijd om het voorstel deftig door te lezen.  De “non-group of five”, waarin de VS, de EU, Australië, Brazilie en India zitten, houdt de pen van het voorstel vast.  Die laatste twee hebben sinds het falen van Cancun wegens onder andere fel protest van de G20, een groep ontwikkelingslanden, meer invloed gekregen.  Maar Brazilië is een grote exporteur en ook India is een steeds sterker wordende economische macht, waardoor er een scheiding dreigt te ontstaan tussen de grote ontwikkelingslanden en de kleine ontwikkelingslanden.  Afrika is bijvoorbeeld op die manier helemaal niet vertegenwoordigd en dreigt zo de dupe te worden van de onderhandelingsstructuur.

Behalve een intransparante vergaderstructuur, zetten rijke handelsmogendheden als Japan, de VS en de EU de arme landen heel de maand juli onder druk met een dreiging met terugtrekking van ontwikkelingshulp of juist met het bieden van preferentiële markttoegang op voorwaarde dat de landen zich aansluiten bij hun standpunt.   Zo zijn er veel ontwikkelingslanden die hun eigen belangengroep verlaten en zich onder de belofte of dreigement aansluiten bij de VS of de EU.    Zo draait de wereld.  De onderhandelingen over een handelsakkoord zijn ook een machtsspelletje. 

De teksten van dit raamakkoord van de Doha-ronde zijn ondoorzichtig.   Ze doen een vooruitgang vermoeden, maar veel belangen van de ontwikkelingslanden worden weeral niet ter harte genomen.   Blijkbaar zijn er niet veel lessen getrokken uit het mislukken van de Cancunconferentie in 2003.

Vredeseilanden, 4 augustus 2004

 

Wim De Belder

Deel dit artikel