Longread: Tijd dringt voor duurzame ontwikkelingsdoelstellingen 2030

Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen 2030

Het Addis Abeba Actieplan moest in 2015 een globaal kader scheppen voor duurzame ontwikkelingshulp. Donderdag 26 september wordt in New York, in de schoot van de VN-top, de balans opgemaakt tijdens de 'High-Level Dialogue on Finance for Development'. Het is duidelijk dat er dringend bijkomende middelen nodig zijn om de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen tegen 2030 te realiseren. 11.11.11 gaat dieper in op een aantal fundamentele pijlers van het Addis Abeba Actieplan en hun belang voor duurzame ontwikkeling.

Het belang van publieke middelen en duurzaam schuldbeheer

Belastingen en grootschalige belastingsontwijking 

Belastingen zijn een cruciale inkomstenbron voor overheden. Een eerlijk belastingsysteem voorziet in een correct herverdelingsmechanisme en zorgt voor de financiering van publieke diensten zoals onderwijs, gezondheidszorg en sociale bescherming. Fiscale schandalen zoals de Panama en de Paradise Papers hebben echter een aantal fundamentele zwaktes van het huidige globale fiscale systeem blootgelegd. Een kluwen aan fiscale achterpoortjes en toenemende competitie geven multinationals de kans om – vaak op volstrekt legale wijze - belastingen te ontwijken.

De grootste verliezers van dit soort belastingontwijking zijn ontwikkelingslanden. Men schat een totaal verlies van zo'n 200 miljard dollar per jaar in lage inkomenslanden. Een studie van Global Financial Integrity stelt dat er naar schatting zo'n 4,4 triljoen dollar aan rijkdom van ontwikkelingslanden zich in belastingparadijzen bevindt. Deze disproportionele impact op ontwikkelingslanden heeft meerdere oorzaken.

Gebrek aan capaciteit om belastingen correct te innen is een eerste knelpunt. De totale belastinginkomsten in lage inkomenslanden schommelen tussen 10 à 20 procent van het BBP. Ter vergelijking: voor hoge inkomenslanden gaat dit al snel naar 40 procent. Maar er zijn nog andere factoren die de nadelige positie van ontwikkelingslanden versterken. Onderzoek toont aan dat ondanks een sterke groei in een aantal ontwikkelingslanden, het merendeel van het globale kapitaal nog steeds geconcentreerd zit in de ontwikkelde economieën.

Er is sprake van geografische ongelijkheid tussen daar waar economische groei wordt gecreëerd enerzijds en waar het kapitaal is geconcentreerd anderzijds. Projecties voorspellen dat deze trend zich zal verderzetten, met een kapitaalovervloed in traditionele financiële centra tot gevolg. Deze ongelijkheid zorgt ervoor dat ontwikkelingslanden – en vooral de minst ontwikkelde - het relatieve belang van bijkomende belastinginkomsten in de totale inkomensmix veel hoger ligt.

Stijgende schulden

In diezelfde context zien we dat de officiële ontwikkelingshulp wereldwijd stagneert en voor de allerzwakste landen zelfs daalt. Volgens de eerste cijfers van de OESO-DAC, het belangrijkste OESO-overlegorgaan voor ontwikkelingssamenwerking, gingen de officiële ontwikkelingshulp van overheden er met zo'n 3% op achteruit in reële termen voor de minst ontwikkelde landen.

De wereldwijde schuldgraad is dan weer gevoelig aan het stijgen. Het German Development Institute, een Duitse toonaangevende denktank voor ontwikkelingshulp, merkt hierover op dat het voornamelijk gaat over niet-concessionele leningen (dat zijn leningen zonder verzachtende financieringsvoorwaarden), in hoofdzaak als gevolg van nieuwe crediteurs zoals China en India. De publieke schuld als percentage van het BBP is tussen 2007 en 2016 gestegen tot zo'n 46 procent.

Met hogere interestbetalingen en kortere afbetalingstermijnen dreigt de stijgende schuldgraad broodnodige investeringen in ontwikkelingslanden af te remmen. Eurodad, een netwerk van ngo's die onderzoek doet naar ontwikkelingslanden, verwijst in dit verband ook op o.a. dalende grondstofprijzen, toegenomen fragmentatie van schuldeisers (met een complexe waaier van officiële en private crediteurs), gebrekkige transparantie en potentiële risico's voor de publieke sector gekoppeld aan publiek-private partnerschappen.

Hoogste noden

De noden zijn nochtans bijzonder hoog. Onderzoek van het Overseas Development Institute, eenb Britse denktank voor internationale ontwikkeling, stelt dat zelfs wanneer landen zoveel mogelijk belastinginkomsten proberen op te halen, er wereldwijd nog 48 landen onvoldoende middelen hebben om sociale diensten zoals onderwijs en zorgverlening te betalen. Er is nood aan 125 miljard dollar per jaar. Ondanks vooruitgang inzake armoede wordt verwacht dat minstens 400 miljoen mensen het tegen 2030 nog moeten doen met 1,90 dollar per dag. De financiële kloof voor investeringen in infrastructuur in ontwikkelingslanden worden geschat op 1,5 triljoen dollar per jaar.

Het zijn ook de armste landen die de zwaarste impact zullen dragen van de gevolgen van de klimaatopwarming. De gevaarlijke cocktail van een stijgende schuldgraad, dalende hulp, en een fiscaal systeem dat er niet in geslaagd is zich te richten op de allerarmsten wereldwijd, dreigt het proces van duurzame ontwikkeling af te remmen. Dit is niet enkel slecht nieuws voor de wereldeconomie. Het dreigt bovenal diegenen met de allerhoogste noden uit de boot te laten vallen. Dit staat haaks op het engagement dat de internationale gemeenschap in 2015 is aangegaan, namelijk het beëindigen van armoede en terugdringen van de ongelijkheid wereldwijd.

Tijd voor actie

De internationale gemeenschap maakt deze week in New York de balans over hoe het staat met financiering voor duurzame ontwikkeling. Publieke financiering blijft cruciaal. Officiële ontwikkelingshulp alleen zal niet volstaan om de SDG-kloof te dichten, maar blijft strategisch van fundamenteel belang, o.a. vanuit de specifieke doelstelling voor armoedebestrijding en ongelijkheid.

Verschillende landen, waaronder België, ondersteunen het Addis Tax Initiative (ATI), dat inzet op verhoogde domestic resource mobilization (DRM) in ontwikkelingslanden. Een verhoogde mobilisatie van binnenlandse publieke middelen is nodig om de verhouding tussen overheidsinkomsten en BBP te verhogen. Deze middelen kunnen op hun beurt ingezet worden voor nationale ontwikkelingsprojecten. Het uitblijven van binnenlandse inkomsten kan de toevlucht tot non-concessionele leningen verhogen om financiële tekorten te overbruggen, wat weer nefast is voor de schuldgraad.

In de strijd tegen ongelijkheid is ook een effectieve aanpak van grootschalige belastingontwijking essentieel. Zowel vanuit Europa als de OESO zijn er reeds maatregelen genomen om fiscale achterpoortjes te sluiten. Toch is het werk ook hier nog niet af. Zo blijft Europa een lappendeken aan fiscale wetgeving, waarbij fiscale concurrentie nog steeds de norm is. De maatregelen van de OESO werden reeds bekritiseerd omwille van hun bijkomende complexiteit, alsook de onevenwichtige deelname van niet-OESO landen aan het debat rond internationale fiscaliteit. Uit verschillende hoeken klinkt de oproep om dit debat naar het niveau van de Verenigde Naties te tillen, om de participatie van in het bijzonder ontwikkelingslanden te bevorderen.

 

Concreet vraagt 11.11.11

  • Blijf inzetten op Domestic Resouce Mobilization (DRM). Een rapport van Development Initiatives (2018) stelde dat er heel wat landen niet op koers waren om de ATI-targets te behalen. In September 2018 kondigde België aan dat het niet langer belastingvrijstellingen zal genieten in partnerlanden Guinee en Rwanda. Hiermee gaf ons land een sterk signaal voor DRM. Om het potentieel van DRM te maximaliseren is verdere analyse van de specifieke noden en tax gaps in de partnerlanden noodzakelijk.  

  • Behoud officiële ontwikkelingshulp (ODA) als instrument voor armoedebestrijding en de strijd tegen ongelijkheid.  

  • Zet in op duurzaam schuldbeheer. De schuldgraad is wereldwijd aan een opmars bezig. Deze toenemende schuldenlast verhindert de inzet van publieke overheidsmiddelen voor de SDG’s. Zie hiervoor ook Civil Society Principles for Sovereign Debt Resolution .

  • Voer de strijd tegen belastingontwijking verder op.
    • Verenigde Naties: Garandeer gelijke participatie van ontwikkelingslanden in het debat rond internationale fiscaliteit.

    • Europese Unie: Maak werk van een verdere harmonisering van de vennootschapsbelasting om de concurrentie tussen lidstaten een halt toe te roepen. Maak van fiscale samenwerking de norm. 

    • België: Ga verder dan Europese minimumregels en maak van België een voortrekker in de strijd tegen belastingontwijking. 

 

'Innovatieve' (private) financiering voor ontwikkeling

Een bredere kijk op ontwikkelings financiering

“We need trilions, not billions” voor de SDG’s (Sustainable Development Goals). Deze slagzin van de Wereldbank is sinds een aantal jaren de rode draad in het debat over ontwikkelingsfinanciering. Met een investeringskloof van meer dan 2500 miljard dollar per jaar trekken beleidsmakers aan de alarmbel: er is dringend nood aan bijkomende financiële middelen om de Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen te behalen.  

Beleidsmakers zijn het eens: officiële ontwikkelingshulp alleen zal de financieringskloof niet kunnen dichten. De ambitie bij donoren om de efficiëntie, impact en resultaatgerichtheid van het ontwikkelingsbeleid te verhogen heeft het gebruik van ‘innovatieve’ financieringsvormen een boost gegeven.  

De Wereldbank pleit voor een “intelligente ontwikkelingsfinanciering”, waarbij elke dollar zo efficiënt en strategisch mogelijk moet worden ingezet. In hun zoektocht naar bijkomende financiering, zetten heel wat donoren in op het aantrekken van investeringen en private financiering. Hiervoor maken ze ook in toenemende mate gebruik van officiële ontwikkelingshulp als risicokapitaal, om potentiële investeerders een duwtje in de rug te geven.  

Zoektocht naar bijkomende financiering: het gebruik van blending 

De nood mag dan groot zijn, in de praktijk vloeien broodnodige investeringen en financiering moeilijk naar landen die ze het meeste nodig hebben. Donoren wijzen op een hogere risicoperceptie, gebrek aan informatie, wijdverspreide corruptie, een onzeker zakenklimaat en beperkte capaciteit als voornaamste hinderpalen.  Private actoren zijn dan ook zeer terughoudend tegenover ontwikkelingsfinanciering, zeker in de minst ontwikkelde landen. Instrumenten die de risico’s verkleinen moeten hier een antwoord op bieden. Donoren gebruiken hiervoor, wat men noemt, ‘blendingmechanismen’. 

Er bestaan verschillende visies op blending. Vroeger lag de klemtoon vooral op de tegenstelling tussen publieke en private financiering. De OESO-DAC, het belangrijkste OESO-overlegorgaan voor ontwikkelingssamenwerking, heeft het tegenwoordig over “het strategisch inzetten van ontwikkelingsfinanciering voor de mobilisatie van additionele financiering voor duurzame ontwikkeling”.  

Het overlegorgaan maakt een onderscheid op basis van het type financiering. Dit kan concessioneel, aan ‘zachte voorwaarden’ (officiële hulp van overheden, ODA) of commercieel, waarbij de markt de voorwaarden oplegt. In beide gevallen blijft het belangrijkste doel meer dollars ophalen voor ontwikkeling.  Hierbij wordt ook officiële ontwikkelingshulp ingezet als hefboom.  

Hefboomeffect van blending: uitdagingen in de praktijk 

Het uitgangspunt van blending is dat het inzetten van een kleine hoeveelheid risicokapitaal (bv. ODA) een grotere mobilisatie aan bijkomende financieringsmiddelen mogelijk maakt. In de realiteit steken er evenwel diverse uitdagingen de kop op.  

De verhoogde mobilisatie van financiële middelen blijft vooralsnog beperkt. Een recent rapport van ODI (Overseas Development Institute) stelt vast dat er voor iedere dollar die ontwikkelingsbanken investeren, er gemiddeld 0,75 dollar private financiering wordt gemobiliseerd voor ontwikkelingslanden.  

Dit valt terug tot slechts 0,37 dollar per geïnvesteerde dollar voor de minst ontwikkelde landen. ODI spreekt dan ook over ‘billions to billions’ in plaats van de gehoopte triljarden voor de SDG’s. De premisse dat een kleine subsidie voldoende is om projecten over de drempel van commerciële levensvatbaarheid te trekken, botst ook vaak op een tekort aan levensvatbare projecten.  

Er moet rekening gehouden worden met de vereisten van investeerders inzake risico, liquiditeit en eigendomsrechten, wat niet altijd vanzelfsprekend is in een context van onzekerheid of zwakke instituties. Als elke ingelegde dollar aan ODA meer geld moet opbrengen en risico’s vermeden moeten worden, leidt dit onvermijdelijk tot een voorkeur voor bepaalde landen.  

Uit de praktijk blijkt dat nu al voornamelijk middeninkomenslanden de meeste vruchten plukken van ontwikkelingsfinanciering. De OESO-DAC schat dat tussen 2012-2015 zo’n 77 procent van de gemobiliseerde financiering ten goede kwam van middeninkomenslanden.  

Meer transparantie en focus op lokale noden 

De effectieve impact van blending op ontwikkeling blijft vooralsnog bijzonder onzeker. Middenveldorganisaties wijzen op de gebrekkige transparantie, die zowel de monitoring als de evaluatie van blending-instrumenten bemoeilijkt. Ondanks een sterke toename van 'geblende financiering’ blijft de vraag in welke mate deze werkwijze door de blijft de vraag wat de daadwerkelijke ontwikkelingsimpact zal zijn.

Ook de OESO-DAC erkent de nood aan meer transparantie om de daadwerkelijke impact van blending te evalueren. Het poolen van verschillende types financiering en mandaten brengt echter spanningen met zich mee inzake dataverzameling en monitoring. Dit is niet zonder risico. Zo impliceert het inzetten van ODA om bijkomende financiering aan te trekken dat deze middelen de facto nergens anders kunnen ingezet worden. Er is m.a.w. een opportuniteitskost gekoppeld aan de uiteindelijke bestemming van het ontwikkelingsgeld.  

Bijkomende financiering is broodnodig, dit behoeft geen discussie. Maar de ambitie van beleidsmakers om zowel rendement, hogere mobilisatieratio’s én een verhoogde ontwikkelingsimpact te realiseren, mag niet raken aan principes van transparantie en accountability. Ook niet wanneer het gaat over nieuwe ‘innovatieve’ financieringsinstrumenten. De centrale vraag blijft bovendien hoe donoren met hun instrumentarium bijdragen tot de aanpak van lokale noden in ontwikkelingslanden.  

Zonder basisdiensten zoals onderwijs, gezondheidszorg en sociale bescherming is het rendement van eender welke investering niet verzekerd op lange termijn. Net daarom blijft het belangrijk het totale financieringsplaatje te bekijken, met aandacht voor publieke financiering (via belastingen, ODA) voor o.a. basisdienstverlening, eerlijke fiscaliteit, duurzame handel, schuldbeheer en officiële ontwikkelingshulp. Het draait tenslotte niet enkel om hefboomratio’s en kwantiteit, maar ook over de kwaliteit, met een effectieve aanpak van armoede en ongelijkheid to leave no one behind.  

 

 Concreet vraagt 11.11.11

  • Plaats innovatieve financieringsmechanismen steeds in het bredere kader voor ontwikkelingsfinanciering.
    • Vertrek vanuit een duidelijke meerwaarde voor ontwikkeling en de impact op de lokale bevolking

    • Blijf inzetten op publieke financiering voor basisdiensten zoals onderwijs, gezondheidszorg en sociale bescherming

    • Erken het potentieel van private financiering maar aanvaard ook de beperkingen. Een enge focus op private of commerciële financiering zal niet leiden tot meer efficiëntie of betere resultaten.
  • Garandeer de transparantie en accountability : zet in op aangepaste monitoring en evaluatietools voor instrumenten gericht op het aantrekken van investeringen en bijkomende financiering.

  • Creëer duidelijk randvoorwaarden om de positieve ontwikkelingsimpact te maximaliseren.
    • Waak erover dat investeringen geen negatieve sociale en ecologische impact hebben.

    • Kader het aantrekken van investeringen en financiering in de transitie naar duurzaamheid, met respect voor het principe van ownership.

 

 

Deel dit artikel

       


Gerelateerde artikels