Euro-Israelische relaties: Europa moet de leiding nemen

Acht jaar geleden trad het Associatieakkoord tussen Israël en de Europese Unie in werking. Het akkoord leidde tot de oprichting van een vrijhandelszone tussen de Europese Gemeenschap en Israël en vormt de legale basis voor de EU’s relaties met Israël. Het creëerde ook een institutionele politieke dialoog in de vorm van een Associatieraad, waar Israëlische en Europese ministers van Buitenlandse Zaken jaarlijks onderwerpen van gemeenschappelijk belang bespreken.

Op maandag 16 juni komt de EU-Israël Associatieraad voor de achtste maal samen. Voor Israël is de inzet hoog. De afgelopen maanden heeft het sterk geijverd voor een opwaardering van de bilaterale relaties. Israël wil een ‘speciale status’ en wil deelnemen aan politieke organen, agentschappen en programma’s in het kader van het Europese Nabuurschapsbeleid. De CIDSE-werkgroep Palestina-Israël, waarin Broederlijk Delen actief is, maant aan tot voorzichtigheid. We benadrukken dat de EU bij het verbreden en het verdiepen van deze geprivilegeerde samenwerking, haar eigen verplichtingen onder het internationaal recht als de basis voor samenwerking met partnerorganisaties in het Midden-Oosten moet nemen. De voorgestelde opwaardering zou echter de kloof tussen de EU’s verklaringen en haar operationele beleid op het terrein nog vergroten.

De afgelopen jaren heeft Europa Israël voortdurend aangemaand om zijn illegale bezettingsmaatregelen in de bezette Palestijnse gebieden, zoals de nederzettingenexpansie en de bouw van de Muur, stop te zetten. Tegelijkertijd heeft het geen pogingen ondernomen om te voorkomen dat Israëls schendingen van het internationaal humanitair recht en de mensenrechten juridische gevolgen hebben voor de bilaterale relaties. In praktijk heeft de EU Israël niet verhinderd om zijn geprivilegeerde contractuele relaties (zoals het Associatieakkoord) op een internationaal onwettige wijze uit te voeren.

Dit is het geval bij het Associatieakkoord. Het laat Israël toe om veel producten zonder douaneheffingen uit te voeren naar de EU. In overtreding met de ‘oorsprongsregels’ die bepalen dat het akkoord enkel van toepassing is op het grondgebied van Israël, past Israël het akkoord systematisch toe op de bezette gebieden. Het voert producten uit de nederzettingen uit als ‘made in Israel’. De Europese Raad en Commissie stelden duidelijk dat de preferentiële invoer van nederzettingsproducten een inbreuk is op het Gemeenschapsrecht. Ze verklaarden dat de Israëlische certificatie die ze in aanmerking laat komen voor preferentiële uitvoer, een schending is van het Associatieakkoord. De ‘technische regeling’ die de EU ontwierp om douaneheffingen te vorderen op goederen van de nederzettingen is geen bevredigende oplossing aangezien Israël kan doorgaan met deze praktijk.

De CIDSE werkgroep Palestina-Israël roept beleidsmakers op om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat privébedrijven en onderzoeksinstituten in de nederzettingen niet profiteren van financiële bijstand of andere privileges die voortvloeien uit de verhoogde samenwerking tussen de EU en Israël. De EU heeft de plicht om illegale maatregelen niet te erkennen (duty of non-recognition) en het moet ervan afzien om deel te nemen aan praktijken die voortkomen uit een illegaal beleid. Wanneer het nieuwe domeinen van bilaterale samenwerking opent, moet het juridische voorzorgsmaatregelen nemen. Alle akkoorden moeten expliciete voorwaarden en standaarden vervatten om het respect voor mensenrechten en internationaal humanitair recht te garanderen.

Deel dit artikel