Europese wapenhandel naar autoritaire regimes floreert

"De EU heeft de mensenrechtenkwestie geleidelijk centraal gesteld in haar betrekkingen met andere landen en regio's" zo lezen we op de portaalsite van de Europese Unie.(1) Maar in de praktijk bestaan er daar rond nogal wat tegenstrijdigheden. Zo speelt de Europese Unie een belangrijke rol op vlak van wapenhandel.

Europese lidstaten hebben traditioneel een verschillend wapenexportbeleid. Wapens zijn geen exportproduct zoals andere goederen en dus treden de overheden regulerend op. Wapenbedrijven die willen exporteren moeten daarvoor een toelating (systeem van vergunningen) bekomen van de betrokken regeringen. Hoewel dit nog altijd een nationale bevoegdheid is, zijn er vanaf de jaren negentig inspanningen geleverd om de wapenexport te harmoniseren. Aan de ene kant zorgde de consolidering en internationalisering van de Europese defensie-industrie er voor dat er een economische noodzaak bestond om de wapenexport beter te coördineren. Anderzijds zorgde het einde van de koude oorlog voor iets meer ruimte voor ethisch-politieke overwegingen in het buitenlands beleid, waaronder ook de wapenexport.

Mensenrechten en democratie kwamen – theoretisch althans – daarbij centraal te staan. Dit mondde in juni 1998 uit in een Europese Gedragscode voor wapenexport met daarin acht criteria die in eerste instantie de uitvoer moesten "voorkomen van materieel dat kan worden gebruikt voor binnenlandse onderdrukking of internationale agressie dan wel kan bijdragen tot regionale instabiliteit". Zo handelt criterium 2 over de eerbiediging van de mensenrechten in het land van bestemming en verlenen de EU-lidstaten "geen uitvoervergunning wanneer er een duidelijk risico bestaat dat de beoogde uitvoer gebruikt wordt voor binnenlandse onderdrukking". In december 2008 werd de Gedragscode vervangen door een Gemeenschappelijke Positie waarvan de belangrijkste verandering was dat ze een bindend karakter heeft gekregen. Het grootste probleem is dat de Europese regulering de tegenstrijdigheid van de wapenhandel niet uitschakelt, namelijk dat er begrenzingen worden geplaatst aan de wapenhandel op grond van politieke criteria, maar anderzijds daardoor schade berokkenen aan de wapenproductie en –handel. En daarmee dus ook de belangen van de betrokken bedrijven die binnen de Europese constructie over erg veel invloed beschikken in het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid. Artikel 10 van de Gemeenschappelijke Positie stelt bijvoorbeeld dat de EU-landen het effect van de voorgestelde export op hun economische, sociale (tewerkstelling!), commerciële en industriële belangen mogen in rekening brengen, ook al moet daarbij gevolg gegeven worden aan de acht regulerende criteria.



Wapenhandel naar Noord-Afrika en Midden-Oosten

Uit de praktijk blijkt dat de economische belangen nog altijd heel zwaar doorwegen en dat er heel wat wapens worden geëxporteerd naar landen waar dit volgens de criteria niet zou mogen. De Arabische Lente en de oorlog in Libië hebben dat pijnlijk duidelijk gemaakt. Libië was tot in oktober 2004 het voorwerp van een Europees wapenembargo. Daar kwam een einde aan toen de Libische leider Khadaffi aankondigde dat zijn land voortaan zou verzaken aan de ontwikkeling van massavernietigingswapens en niet langer steun zou verlenen aan 'terroristische' organisaties. De politieke en economische banden tussen verschillende EU-lidstaten en Libië werden aangehaald. Maar dat maakte het land niet minder problematisch voor wapenexport. Ook na 2004 vonden er in het land ernstige mensenrechtenschendingen plaats. Sinds 2006 verdubbelde de wapenexport naar Libië jaar na jaar. In 2009 verleenden de EU-lidstaten 283 vergunningen ter waarde van 343 miljoen Euro en werden slechts 7 vergunningen geweigerd. Frankrijk dat het voortouw nam in de zogenaamde humanitaire interventie tegen Tripoli, leverde dat jaar 58 vergunningen af. Een aantal van die vergunningen waren het resultaat van het bezoek van Khadaffi aan Parijs in december 2007 voor onder meer de modernisering van Libische F-1C Mirages, de verkoop van 14 Rafale gevechtsvliegtuigen (Dassault) en verschillende gevechtshelikopters. De belangrijkste leverancier was Italië dat vergunningen afleverde ter waarde van 107,7 miljoen Euro. Groot-Brittannië en België waren verantwoordelijk voor vergunningen ter waarde van rond de 20 miljoen Euro. Al die landen waren betrokken bij de oorlog die moesten zorgen voor de machtswissel in Libië.

De Arabische wereld (Midden-Oosten en Noord-Afrika, kortweg MENA) was in 2009 trouwens de belangrijkste wapenexportregio voor de Europese Unie. In totaal werden 6.824 vergunningen verstrekt voor een totale waarde van 11,673 miljard Euro. Minder dan 2 procent van de vergunningen werd geweigerd. Veruit de belangrijkste afnemer van Europese wapens is Saudi-Arabië, in 2009 alleen al goed voor bijna de helft van de Europese wapenexport (5 miljard Euro). Uit een recent onderzoek (2) blijkt dat er slechts 1 vergunning werd geweigerd naar Saudi-Arabië, hoewel dat land heel slecht scoort op vlak van binnenlandse repressie. Bahrein, een ander autoritaire staat die het volksprotest sinds de lente van dit jaar bloedig neersloeg, heeft nooit een vergunning geweigerd gekregen. Alleen Syrië had het blijkbaar moeilijk om aan Europese wapens te komen en zag tussen 2005 en 2009 bijna evenveel vergunningen geweigerd (20) als dat er werden toegestaan (22 ter waarde van 7 miljoen Euro). De onderzoekers van het rapport besluiten dat uitvoervergunningen alleen worden geweigerd als het regime in het land van bestemming als fundamenteel onacceptabel wordt gezien. Dat was het geval voor Syrië en (het niet-Arabische) Iran, landen die 'toevallig' ook bondgenoten zijn en zich geregeld heel 'antiwesters' opstellen. Economisch profijt en politieke invloed lijken nog altijd belangrijkere drijfveren voor wapenexport waarvoor de nochtans strenge criteria van de Gemeenschappelijke Positie voor wapenhandel maar al te dikwijls moeten wijken. Het afgelopen decennium is de waarde van de vergunningen voor Europese wapenexport naar de MENA-landen toegenomen, terwijl in dezelfde periode het proportioneel aandeel van geweigerde vergunningen is gedaald. Dat is vooral het geval voor Noord-Afrika waar de waarde van de geleverde vergunningen steeg van 59 miljoen Euro in 2001 naar bijna 1 miljard in 2008 en meer dan 2 miljard in 2009, terwijl het aantal geweigerde vergunningen procentueel daalde van 8,1 procent naar 2 procent in dezelfde periode.

Volgend jaar zou de Gemeenschappelijk Positie voor Europese wapenexport worden herzien. De Europese wapenhandel naar de landen waar de Arabische lente is uitgebroken zal daarbij niet onbesproken blijven. Maar de belangen en invloed van de Europese wapenindustrie zijn niet te onderschatten alle humanitaire bekommernissen en toespraken ten spijt.

Ludo De Brabander

Noten:
Dit artikel verschijnt in het decembernummer van Uitpers

(1) zie: http://europa.eu/pol/rights/index_nl.htm

(2) Vranckx, A., Slijper F., Isbister, R. Lessons from MENA. Appraising EU transfers of Military and Security Equipment to the Middles East and North Africa. A Contribution to the Review of the EU Common Position, Academia Press, november 2011 (zie: http://www.psw.ugent.be/crg/Publications/BB2withHyperlinks.pdf)

Vrede DOOR:

Deel dit artikel