Gezocht: een nieuwe president voor Libanon

De politieke crisis in Libanon blijft aanslepen. Ditmaal draait het dispuut rond de verkiezing van een nieuwe president. Een vacuüm dreigt en op de achtergrond spelen verschillende regionale en westerse machten in Libanon hun geostrategisch schaakspel.

Al meer dan 11 maanden zit Libanon in een diepe politieke crisis. Die begon nadat 6 leden van Hezbollah, Amal en de Vrije Patriottische Beweging de regering verlieten wegens onenigheid over de vorming van een eenheidsregering die de oppositie een blokkeringsminderheid zou geven. De voorzitter van het parlement, Nabih Berri (Amal), weigert sindsdien om het parlement bijeen te roepen waardoor het politieke leven er grotendeels verlamd bijligt.

Regeringspartijen en oppositie zijn het over zowat alles oneens. Er is de hele saga over de oprichting van een VN-tribunaal dat moet oordelen over de politieke moord op voormalig premier Rafik Hariri. Maar de oppositie zag er alleen maar een poging in om de Amerikaans-Franse invloed in het land te vergroten. Uiteindelijk hebben de VN-veiligheidsraad en het Libanese kabinet hun goedkeuring gegeven aan de installatie van een Speciaal Tribunaal voor Libanon die ten laatste eind 2007 zijn werkzaamheden moet opstarten. Het is de eerste keer in de geschiedenis van de VN dat een tribunaal een politieke moord op een welbepaalde persoon zal behandelen. Na Hariri volgden nog een aantal aanslagen tegen in hoofdzaak politici van de ‘14 maart beweging’ (coalitie van regeringspartijen), die vooralsnog niet zijn opgehelderd. De regering, gesteund door het Westen, wijst steevast met beschuldigende vinger naar Syrië, hoewel tot nu elk bewijs ontbreekt. Dat lokt dan weer furieuze reacties uit van de oppositie die er de hand van Israël in ziet. Andere geschilpunten zijn de economische neoliberale hervormingen van begin dit jaar, de militaire en economische steun aan de regering vanuit Washington, en resolutie 1559 met betrekking tot de ontwapening van Hezbollah.

Aan dit politiek spektakel is de jongste maanden een nieuwe aflevering toegevoegd. Deze keer draait de discussie rond de verkiezing van een nieuwe president door het 128 zetels tellende parlement. In Libanon worden de drie belangrijkste politieke functies (president, premier en parlementsvoorzitter) op sektarische basis verdeeld. De grondwet voorziet dat de president om de zes jaar wordt herkozen en van christelijke afkomst moet zijn. Het mandaat van huidig president Emile Lahoud - die tot het ‘pro-Syrische’ kamp wordt gerekend -  loopt af op 24 november. De afgelopen weken zijn al twee pogingen mislukt om een nieuwe president te verkiezen. Parlementsvoorzitter Nabih Berri verdaagde de jongste bijeenkomst van 23 oktober naar 12 november waarbij hij erop rekent dat er tegen dan overeenstemming zou zijn over een kandidaat. Dat gebeurde overigens na overleg met de leider van de parlementaire regeringsmeerderheid Saad Al-Hariri (zoon van). Binnen het verdeelde christelijke kamp onderhandelt men volop en worden lijstjes met namen uitgewisseld in de zoektocht naar een consensuskandidaat. Toch vreest de oppositie dat de regeringscoalitie van eerste minister Fouad Siniora met de steun van bondgenoten als VS en Saoedi-Arabië uiteindelijk een president wil kiezen met gewone meerderheid.

Vanuit de Europese Unie hoopt men formeel dat er een vergelijk uit de bus komt. Een recent bezoek van drie Europese ministers van Buitenlandse Zaken (Kouchner, D’Alema en Moratinos) moest de betrokken partijen extra onder druk zetten. Hoewel algemeen wordt aangenomen dat er tegen midden november wel een akkoord uit de bus zal komen, is niet iedereen gerust in de goede afloop ervan, vooral omwille van de rol die de Verenigde Staten spelen. Die maken er geen geheim van dat ze het liefst een president zien uit het regeringskamp. In elk geval wil het Witte Huis vermijden dat er een nieuwe ‘pro-Syrische’ president in het pluche komt. Dat gaat gepaard met dreigende taal. Tijdens het bezoek van Saad Hariri aan het Witte Huis, begin oktober, zei president Bush dat “landen zoals Syrië” de boodschap hebben gekregen zich niet met de verkiezingen te moeien. Tijdens een toespraak voor een pro-Israëlische denktank beschuldigde vice-president Dick Cheney op zijn beurt Syrië ervan parlementsleden om te kopen en te intimideren (The Daily Star, 22 oktober 2007). Dat er heel wat betrokkenen zich zorgen maken over de rol van de VS blijkt uit een artikel in het Egyptische weekblad Al-Ahram (11 oktober), waarin een diplomaat wordt geciteerd die zei dat “iedereen tamelijk zware druk uitoefent op de Verenigde Staten om te gaan voor een consensuskandidaat”. Nog volgens Al-Ahram zouden de VS, Frankrijk en Groot-Brittannië al hebben beslist dat ze niets zullen ondernemen moest ’14 maart’ unilateraal een eigen president kiezen.

De oppositie reageert fel en beschuldigt ‘14 maart’ ervan de Syrische hegemonie te willen vervangen door een Westerse. In de Libanese pers regent het scenario’s met bovenaan het risico dat de oppositie een tegenregering gaat vormen. Uiteraard duikt daarmee het doembeeld op van een mogelijke nieuwe burgeroorlog.

Buitenlandse inmenging
Dat buitenlandse machten hun geostrategisch schaakspel spelen in Libanon staat buiten kijf. In het geval van het dispuut over een nieuwe president is dat niet anders. Syrië blijft om historische, politieke en culturele redenen Libanon als zijn achtertuin beschouwen. Het feit dat huidig president Lahoud drie jaar langer dan de voorziene termijn van zes jaar kon aanblijven heeft te maken met de (toen nog grote) invloed vanuit Damascus. De Syrische president kan daarbij rekenen op een aantal bondgenoten in het land zelf, dikwijls om opportunistische redenen. Boven de hoofden van de Libanezen spelen ook Iran en de VS hun rivaliteiten uit. De Iraanse ambassadeur Rida Shibani, herhaalde dat Iran altijd de rechten van de Libanezen zal steunen in hun verzet tegen onderdrukking en bezetting. Impliciet valt dit te begrijpen als een voortzetting van de Iraanse steun aan Hezbollah. Hoewel de VS Iran en Syrië geregeld waarschuwen om zich niet te mengen in de binnenlandse aangelegenheden, wentelt Washington zich nog het meest van al in het Libanese politieke moerras. Sinds Israëls oorlog van de zomer 2006 kunnen de VS niet genoeg benadrukken hoezeer ze zijn begaan met de Libanese democratie. Of openlijker: hoe belangrijk het is om een stabiele en soevereine natie uit te bouwen die voldoende tegenwicht biedt aan de binnenlandse bondgenoten van Syrië en Iran.

In Libanon zijn de politieke partijen het behoorlijk oneens over de rol die Washington speelt of moet spelen. De ‘14 maart’-coalitie doet alvast geregeld beroep op de ‘vrije wereld’ om de ‘Cederrevolutie’ te redden. De oppositie daarentegen stelt zich op zijn zachtst gezegd wantrouwig op tegenover de belangrijkste bondgenoot van grote vijand Israël. Volgens haar levert ‘14-maart’ Libanon uit aan een grootmacht die er vooral op uit is Israëlische of eigen belangen te dienen. Dat er grond van waarheid schuilt in die bewering blijkt onder meer uit de manier waarop militaire en economische steun wordt gegeven. Van 1946 tot juni 2006 kreeg Libanon geen betekenisvolle militaire steun, behalve dan tussen 1981 en 1984.  Dat komt overeen met de periode waarin het officiële leiderschap van het Libanese leger op redelijk goede voet stond met Israël. Het was ook de periode van directe Amerikaanse militaire interventie. Libanon ontving toen 148 miljoen dollar militaire hulp (gemiddeld 37 miljoen per jaar), wat meer is dan de totale hulp in de 34 jaar daarvoor (128 miljoen dollar, dat voor 95 procent uit leningen bestond, niet uit giften). Daarna zakte de militaire steun drastisch. In 2006 bedroeg die nog amper 1 miljoen dollar. Na de oorlog in de zomer van 2006 vroeg president Bush aan het Parlement de goedkeuring van een pakket ter waarde van 220 miljoen dollar aan militaire hulp. Die steun heeft in de verste verte niets te maken met de organisatie van een Libanese defensie die in staat moet zijn de soevereiniteit en territoriale integriteit van Libanon te vrijwaren. Wel integendeel. Buitenlandse Zaken stelde dat het doel van de hulp erin bestond “om de Libanese controle over Zuid-Libanon en de Palestijnse vluchtelingenkampen te verbeteren om te vermijden dat deze kunnen worden gebruikt als basis voor aanvallen tegen Israël”.  Geen verwonderlijk standpunt gezien het fiat aan Israël om Libanon afgelopen zomer tot puin te bombarderen.

Ook de economische steun ging na de oorlog van 2006 drastisch de lucht in en dat voor een totaal bedrag van 480 miljoen dollar. De vrijgave van de hulpfondsen was evenwel niet gebonden aan criteria voor de wederopbouw van het door oorlog zwaar gehavende land, wel aan voorwaarden die te maken hadden met de mate waarin de regering Siniora erin zou slagen om economische hervormingen door te voeren, met een sterk neoliberaal tintje.

Wie heeft belang bij aanslagen?
De buitenlandse inmenging laat zich ook op een brutalere manier voelen. Libanon kent een trieste traditie van politieke aanslagen. Sinds de moord op Hariri zijn verschillende politici bij aanslagen om het leven gekomen. Bij de jongste aanslag in september werd parlementslid Antoine Ghanem vermoord. Hij zat in het parlement voor Kataeb (de Phalangisten), een extreemrechtse partij die mee verantwoordelijk was voor de slachting in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. De link met de presidentsverkiezingen was direct gemaakt. De uitschakeling zorgde er immers voor dat de zo al fragiele pro-regeringsmeerderheid in het parlement verder slonk tot 68 parlementairen op een totaal van 128 zetels.

Zoals gewoonlijk wezen beschuldigende vingers richting Syrië die via fysieke uitschakelingen zou proberen om de meerderheid in het parlement te breken om de weg vrij te maken voor een pro-Syrische president. Niet alleen in Libanon, maar ook in het Westen slikken de politieke en de mediawereld een dergelijke hypothese wat al te gemakkelijk. Dat verwondert, want een antwoord op de vraag wie er belang kan hebben in het uitschakelen van bepaalde politici, kan ook tot andere conclusies leiden. In de media worden de Libanese politieke kampen doorgaans ingedeeld in ‘pro’ of ‘anti-Syrisch’ alsof Syrië het enige land is dat belangen zou hebben bij het creëren van chaos in het land. De vraag is welk belang Syrië werkelijk heeft bij het vermoorden van ‘anti-Syrische’ politici. Want bij elke aanslag groeit de druk op Syrië en tot nu heeft dat vooral geleid tot allesbehalve het dienen van Syriës belangen. Dat kan betekenen dat de Syrische leiders zich ofwel politiek oerstom gedragen, ofwel getuigen van kortzichtige waaghalzerij. Ramzy Baroud, professor massacommunicatie in Australië en hoofdredacteur van de Palestinian Chronicle, oppert nog een andere hypothese, een die vertrekt van het scenario om Syrië via Libanon te raken. Hij vindt ondersteuning voor zijn stelling in de neoconservatieve doctrine zoals die door onder meer ‘zwarte prins’ Richard Perle is neergeschreven in ‘A Clean Break: A New Strategy for Securing the Realm’ (1996) opgesteld ten behoeve van toenmalig Israëlisch premier Benjamin Netanyahou.  Ook de oppositie denkt in die richting. Enkele weken terug zei Hizbollah-leider, Hassan Nasrallah in een toespraak: “de hand die doodt is een Israëlische hand”. Volgens hem ziet Israël in elke kalme Libanese dag een klimaat waarin het verzet sterker groeit, terwijl omgekeerd Israël bij elke dag van intern bekvechten op zijn lauweren mag rusten. Volgens Nasrallah verliepen de meeste aanslagen parallel met cruciale ogenblikken in het debat over de oprichting van het VN-tribunaal die de moord op Hariri moet uitspitten (geciteerd in Al-Ahram, 11 oktober 2007). “De enige die geen belang heeft bij een consensuspresident in Libanon is Israël”, aldus Nasrallah. Volgens Nicholas Noe, auteur van een nieuw boek met speeches van Nasrallah, is deze er voor beducht dat de Libanezen elkaar zouden bevechten, want dat zou de enige mogelijkheid zijn dat Hezbollah verslagen kan worden. Nasrallah hoedt zich voor complottheorieën, aldus Noe, maar hij lijkt erg overtuigd van het feit dat de VS en Israël in staat zijn om zo’n scenario uit te lokken. Ook Nasrallah streeft naar een consensuspresident, en heeft zelfs de mogelijkheid geopperd om directe verkiezingen te organiseren indien men daar niet in zou slagen. Dat ontlokte dan weer de reactie bij Siniora dat het niet het ogenblik is om suggesties te doen die het land in het ongewisse zouden storten. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Ludo De Brabander

Vrede DOOR:

Deel dit artikel