Gezocht: een scenario voor Irak

De publicatie van twee rapporten heeft er voor gezorgd dat Irak opnieuw in het hart ligt van de politieke discussie in Washington. Het eerste rapport is afkomstig van de Iraq Study Group onder leiding van oud-minister van Buitenlandse Zaken, James Baker en Lee Hamilton, een voormalig lid van het Amerikaans Congres.(1) Het bevat 79 aanbevelingen bevat die samen neerkomen op grondige koerswijziging van de Amerikaanse politiek in Irak. Het tweede rapport is afkomstig van het Pentagon en concludeert amper enkele weken na het verschijnen van het Baker-Hamilton rapport, dat de situatie op het terrein nooit eerder zo desastreus was.(2)

Vooral het rapport van het eminente 10-koppige Baker-Hamilton panel - netjes verdeeld over democraten en republikeinen - dat in de lente van 2006 zijn werkzaamheden opstartte, heeft veel discussie losgeweekt in de Amerikaanse media. De onderhuidse boodschap van het rapport is immers niet mis te verstaan. Washington heeft over de hele lijn gefaald en moet dringend van koers veranderen. De auteurs van het rapport hebben twee soorten van aanbevelingen: een externe benadering en een interne. In grote lijnen gaat het om een batterij diplomatieke maatregelen - een ‘Nieuw Diplomatisch Initiatief’ - en het terugtrekken van de gevechtseenheden tegen – afhankelijk van de omstandigheden – het eerste kwartaal van 2008.

Praten met Syrië en Iran
Het diplomatieke offensief bestaat er uit om ‘onmiddellijk’ een ‘Internationale Steungroep voor Irak’ op te richten waarin alle regionale spelers een plaats moeten krijgen die op een of andere manier het conflict kunnen beïnvloeden. Opmerkelijk is dat de auteurs vinden dat ook Iran en Syrië betrokken moeten worden bij de Irak-discussie en dat “zonder voorwaarden te stellen.” Iran oefent niet alleen invloed uit op het Sjiitische deel van Irak, maar steunt ook verschillende Sjiïtische milities, aldus het rapport. Syrië steunt evenzeer opstandelingen zo luidt het, maar de opportuniteit voor de VS ligt in het feit dat het zich bedreigd voelt door een mogelijke sektarische opdeling van Irak. Dat onderhandelen met Iran en Syrië controversieel is, zoals de auteurs zelf stellen, blijkt uit de sterke afwijzing van dit idee door de huidige minister van Buitenlandse Zaken. Condoleezza Rice vindt dat Washington beide pariastaten juist moet isoleren. De Studiegroep heeft ook stevige kritiek uit Israël gekregen met hun aanbeveling om de Golanhoogte aan Syrië terug te geven en de koppeling aan de Palestijnse ‘zaak’. Het rapport vindt het noodzakelijk dat er rust komt in de Israëlisch-Arabische betrekkingen wat betekent dat de vredesonderhandelingen terug moeten worden opgestart gebaseerd op VN-resoluties 242 en 338 (die stellen dat Israël zich uit de Palestijnse gebieden moet terugtrekken). Er wordt zelfs verwezen naar een oplossing voor de Palestijnse vluchtelingen, iets waar in de VS zelden aandacht voor is. Addertje onder het gras is dat er alleen kan gepraat worden met die Palestijnse fracties die het bestaansrecht van Israël erkennen. Een van de aanbevelingen stelt trouwens dat Fatah-leider Mahmoud Abbas moet gesteund worden.

Minder vechten, meer steunen
Op het militaire terrein vraagt het rapport dat de VS het legerapparaat heroriënteren van gevechtstaken naar vooral ondersteunende taken. Dat betekent dat substantieel meer Amerikaans militair personeel – van 4.000 naar 10 tot 20.000 - ingebed wordt bij de Iraakse troepen om deze bij te staan met advies, gevechtsondersteuning en steun aan de Staf. Het gros van de gevechtseenheden moet over anderhalf jaar teruggetrokken worden op snelle-reactie-teams en speciale operatie-teams na. Deze moeten zich enkel nog toeleggen op de strijd tegen Al Qaida in Irak en ‘vitale missies’.

Nog opmerkelijk is het standpunt om een einde te maken aan de ‘de-Baathificatie’ en met uitzondering van de topfiguren onder Saddam Hoessein moet ‘gekwalificeerd personeel’ aangemoedigd worden om terug hun posities in de regering in te nemen. De Iraakse regering moet duidelijk maken dat er een plaats is voor Soennieten in het nationale leven.

Beperken van de schade
Het rapport is geen wondermiddel, zo stellen de auteurs, “er is geen weg die succes garandeert, maar de vooruitzichten kunnen worden verbeterd”. De auteurs lijken te beseffen dat de oorlog niet te winnen valt en er moet teruggeplooid worden om de schade te beperken. Het rapport komt er kort nadat de Amerikaanse publieke opinie in de jongste verkiezingen zijn afkeuring liet blijken voor de falende oorlog in Irak. President Bush staat dus hoe dan ook onder druk om de strategie in Irak te herbekijken en de aanbevelingen van de Irak Studiegroep minstens ernstig te nemen. Er zijn echter veel stemmen waarnaar hij zal moeten luisteren. De neoconservatieven die nog altijd over een grote invloed beschikken in het Witte Huis hebben het tegenoffensief al ingezet. De American Enterprise Institute (AEI), een conservatieve denktank die een van de invloedrijkste pleitbezorgers was voor de invasie in Irak, bracht al een eigen rapport uit onder de veelzeggende titel ‘Choosing Victory: a plan for Succes in Iraq’ waarin de aanbevelingen van Baker en co als catastrofaal worden gezien voor de vitale belangen van de VS. Voor de AEI is het probleem niet de huidige koers, wel het gebrek aan overtuiging en middelen om het huidige beleid te doen welslagen. Dat betekent onder meer juist meer gevechtstroepen.

Los van dergelijke voorspelbare kritiek blijft de vraag naar de werkelijke betekenis van het rapport. De terugtrekking van de troepen lijkt op een eerste stap naar het beëindigen van de bezetting, maar de Amerikaanse aanwezigheid wordt niet als bezetting omschreven. De Studiegroep toont zich bezorgd over de algemene staat van het Amerikaanse leger die door de herhaalde ontplooiing in Irak een ‘breaking point’ heeft bereikt als gevolg van het grote aantal slachtoffers (3.000 doden en 21.000 gewonden), de moeilijkere rekrutering en de slijtage van het militair materieel. De auteurs refereren uitdrukkelijk aan de nood naar meer troepen in Afghanistan, wat mogelijk wordt gemaakt door een gedeeltelijke terugtrekking uit Irak. Aanbeveling 18 laat aan duidelijkheid niets te wensen over: “Het is uitermate belangrijk voor de VS om te voorzien in bijkomende politieke, economische en militaire steun voor Afghanistan, met inbegrip van middelen die zouden kunnen vrijkomen indien gevechtstroepen uit Irak worden teruggetrokken.”

Het einde van de bezetting?
Blijft de hamvraag: opent het rapport het debat over het begin van het einde van de bezetting? In aanbeveling 40 luidt het dat de VS geen ‘open-ended commitment’ (oneindig engagement) kunnen aangaan om “grote aantallen Amerikaanse troepen in Irak te ontplooien.” Nergens wordt er in het rapport gewag van gemaakt dat er ooit wel eens een einde komt aan de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Irak. Aanbeveling 20 zegt dat de Verenigde Staten geen permanente militaire basissen nastreven, maar als de Iraakse regering daarom verzoekt kan dat overwogen worden. Bovendien zwijgt het in alle talen over de ontmanteling van de vier bestaande permanente basissen die nu al in gebruik zijn.

Zowel op vlak van veiligheid als op vlak van nationale verzoening en goed bestuur – de zogenaamde ‘milestones die de Iraakse premier Al-Maliki zelf heeft uitgezet - vraagt het rapport een grotere verantwoordelijkheid van de Iraakse regering. Wat op het eerste gezicht lijkt op het overdragen van meer autonomie aan de Irakezen is in werkelijkheid ingegeven vanuit de bekommernis om de Amerikaanse aanwezigheid te ontlasten, zonder daarbij af te zien van de eigen prioriteiten. In het rapport weerklinkt geregeld dat koloniale ondertoontje. Als de Iraakse regering geen vooruitgang boekt met betrekking tot de ‘milestones’ dan moeten de VS hun steun verminderen (aanbeveling 21). Of nog dreigender: “Amerika’s veiligheidsnoden en de toekomst van onze militairen kunnen niet gegijzeld worden door de acties of inactiviteit van de Iraakse regering”.

Nu de situatie in Irak uit de hand loopt, is het bonton geworden om de schuld van alles wat er fout loopt vooral in de schoenen van de Irakezen te schuiven. Het is de Iraakse regering die onvoldoende werk maakt van de ‘nationale verzoening’, hoewel het VS-‘administrator’ Paul Bremer was die het hele politieke, administratieve en militaire Baath-apparaat liet ontmantelen. Diezelfde Bremer heeft de huidige opdeling aangemoedigd door posten te verdelen langs etnische en religieuze lijn. Het was evenzeer onder Bremer dat de politieke vrijheid sterk aan banden werd gelegd. Zij die zich kritisch uitlieten over de bezetting werden ervan beschuldigd terug te willen keren naar het oude regime. Onder Bremer vielen Amerikaanse soldaten binnen in de kantoren van een nieuwe onafhankelijke vakbond en arresteerden de aanwezigen.
 
Terwijl het rapport de mond vol heeft van goed bestuur en het beëindigen van de corruptie door de Iraakse regering doet het zeer vaag – ‘gebrek aan coördinatie’ - over de wijze waarop de VS zich bezondigen aan lucratieve – corrupte - toewijzing van contracten aan vooral Amerikaanse bedrijven. Hoe onafhankelijk Irak binnenkort mag worden blijkt uit het hoofdstuk – en de praktijk – over de petroleumindustrie. Hoewel er problemen zijn met de lokale energiebevoorrading en de koopkracht van Irakezen sterk is afgenomen stelt het rapport dat de VS in samenwerking met het Internationaal Monetair Fonds Irak ertoe moetn bewegen om verder de subsidies in de energiesector af te bouwen (aanbeveling 62). Zeer tot ongenoegen van onder meer de Koerden pleit het rapport voor een grotere centralisering van de olieproductie met garanties voor een evenwichtige verdeling over de verschillende regio’s. Het Arabisch-Soennitische midden van het land is immers olie-arm en wil daardoor een sterk centraal gezag op olie-ontginning behouden. De vraag is of de gelijke toegang de belangrijkste bekommernis is van het team Baker-Hamilton dat de privatisering van de olie-industrie en een grotere rol voor internationale energiebedrijven vraagt, wat moet leiden tot een grotere olieproductie van 3 tot 3,5 miljard Barrels per dag. Vooral de aanbeveling om de beste praktijken te hanteren in het afsluiten van oliecontracten klinkt weinig geloofwaardig in de huidige context waarbij de oliemultinationals via het systeem van Product Sharing Agreements (PSA’s) het eigen risico sterk inperken terwijl er toch buitengewoon grote winsten worden gegarandeerd. Het Duitse maandblad Der Spiegel (25 december 2006) zegt dat de Iraakse regering – vooruitlopend op de aanbevelingen – in grote beslotenheid de laatste hand legt aan een nieuwe petroleumwet die private oliebedrijven een grotere controle zal geven op de Iraakse oliereserves. Volgens Der Spiegel moet een vlugge petroleumwetgeving garanderen dat Westerse oliebedrijven de contracten binnenrijven vooraleer Chinese, Indische en Russische bedrijven dat doen.

Crisis in het Pentagon
De oorlog in Irak heeft een enorme impact op het Amerikaans militair apparaat dat in een crisissfeertje baadt. Luitenant-Generaal Peter Schoonmaker, de Amerikaanse Stafchef, vertelde in het Congres dat de langdurige aanwezigheid in Irak en Afghanistan in combinatie met de restricties op het gebruik van de Reserve en de Nationale Garde, een verwoestend effect heeft op de militaire paraatheid. De generaal deed zijn uitspraak enkele dagen voor het verschijnen van het Pentagonrapport dat een zeer negatieve balans maakt van de bezetting in Irak. Het aantal aanslagen op Amerikaanse en Iraakse doelen is de laatste drie maanden drastische gestegen tot 959 per week, een verdubbeling in vergelijking met vorig jaar. Meer dan tweederde van de aanvallen is gericht op Amerikaanse en Iraakse troepen, hoewel het grootste aantal slachtoffers valt te betreuren onder de burgerbevolking. Dat neemt niet weg dat er aan Amerikaanse zijde elke dag 25 slachtoffers vallen, doden en gewonden, een stijging van 32 procent in vergelijking met het vorige kwartaal. Zoals de Studiegroep van Baker en Hamilton al aanwees heeft dit een groot effect op het operationeel potentieel van het VS-leger.

Het blijvend onvermogen om militair orde op zaken te stellen in Irak verhindert niet dat het Congres jaar op jaar zonder problemen de budgetten die de regering Bush vraagt om de oorlog in Irak en Afghanistan te financieren goedkeurt. Sinds 11 september 2001 gaat het al over 500 miljard dollar in totaal, inclusief de operaties gelieerd aan de strijd tegen het terrorisme. Op dit ogenblik ligt er een nieuwe vraag klaar voor nog eens een extra 100 miljard dollar. Daarmee overstijgen de uitgaven die van Vietnam die na aanpassing aan inflatie 549 miljard dollar bedroegen.

Als antwoord op de crisis in het militaire apparaat, heeft President Bush de nieuwe minister van Defensie, Robert Gates, gevraagd een plan uit te werken om het troepenaantal te verhogen. Daarmee komt hij tegemoet aan een oude vraag van de democraten. Presidentskandidaat John F. Kerry stelde in 2004 al een vermeerdering van het troepenaantal voor met 40.000 tijdens zijn campagne. President Bush wees dat toen nog af, maar is nu bijgedraaid omdat de extra-troepen nodig zijn om de strijd aan te binden tegen ‘islamitische extremisten’ over heel de wereld en niet alleen in Irak.(3) Hij schat in dat de “ideologische oorlog waar we inzitten nog lange tijd zal duren”. Bush sluit niet uit dat hij tijdelijk extra-troepen zal inzetten in Irak (15 tot 30.000 voor een periode van 6 tot 8 maanden), wat trouwens niet in tegenspraak is met de aanbevelingen van de Irak Studiegroep, die een tijdelijke verhoging van het aantal troepen kan aanvaarden indien het gaat om de orde te herstellen in Bagdad en de woelige provincie Anbar.

De politieke elite in de VS is het er over eens dat er het Amerikaans leger extra troepen nodig heeft. Senator en presidentskandidaat (voor 2008) Hillary Clinton heeft samen met andere Democratische senatoren een voorstel ingediend om het aantal troepen de komende vier jaar uit te breiden met 80.000 eenheden. Volgens berekeningen van het leger kost elk uitbreiding met 10.000 troepen 1,2 miljard dollar.

Deze nieuwe versterkingen brengen op korte termijn weinig soelaas. Het duurt immers nog tot in 2008 voordat deze nieuwe rekruten getraind en gevechtsklaar zijn gemaakt. De oorlog in Irak eist duidelijk zijn tol en wordt langzamerhand onbetaalbaar. Alleen al daarom heeft  President Bush goed geluisterd naar de voorstellen van Baker en Hamilton, maar van harte is het niet. Het is noodgedwongen dat hij zijn slogan ‘we winnen’ moest herzien in ‘we winnen, noch verliezen’. In de komende weken zullen we vernemen wat het antwoord is van Bush op het rapport.

Ludo De Brabander

(Dit artikel verschijnt in het januari-nummer - 2007 - van Uitpers)

Noten:
(1) James A. Baker, III and Lee H. Hamilton. The Iraq Study Group Report. December 2006 (kan opgevraagd worden via http://www.usip.org/isg/iraq_study_group_report/report/1206/index.html)
(2) Pentagon. ‘Measuring Security and Stability in Iraq’. December 2006 (kan opgevraagd worden via http://www.defenselink.mil/home/features/Iraq_Reports/Index.html)
(3) Washington Post, 20 december 2006

Vrede DOOR:

Deel dit artikel