GGO’s: Een gadget waar niemand zit op te wachten

Het Vlaams Parlement boog zich dinsdag over het zogenaamde co-existentiedecreet, dat de vrije keuze van boeren en consumenten tussen genetisch gewijzigde teelten en GGO-vrije teelten en voeding moet garanderen. Het debat doet de emoties tussen voor- en tegenstanders ook nu hoog oplaaien. Maar eigenlijk is het een overbodige discussie, zeker in België. Boeren, supermarkten, consumenten… niemand zit op GGO’s te wachten.


Une drôle de discussion

Heel het debat rond GGO’s vertrekt nog altijd van de idee dat de landbouw bepaalt wat er in de winkelrekken ligt. Het idee dat als er genetisch gemanipuleerde gewassen geteeld worden, die automatisch ook massaal afname gaan kennen bij de consument. Een achterhaalde opvatting. We leven vandaag in een markt-gedreven economie, waarbij het vooral de supermarkten zijn die bepalen wat er op de velden en in de stallen van de landbouwers geproduceerd wordt.

De supermarkten moeten op hun beurt rekening houden met de voorkeuren van de consument. En die consument zegt “nee, dank u” tegen GGO’s. De supermarkten hebben geluisterd. Carrefour, Delhaize,... allemaal beslisten ze om hun eigen huismerken (goed voor meer dan de helft in de verkoop) GGO-vrij te houden. Bijgevolg zitten boeren evenmin te wachten op de weldaden van genetisch gemanipuleerde zaden, want ze raken die oogst toch niet kwijt.

Het debat eindigt dus in feite hier. Het bespaart ons alvast de technische discussie over de lange termijn gevolgen op de gezondheid en de biodiversiteit.

Een oplossing voor het Zuiden?

En boeren in het Zuiden dan? Snakken zij niet naar de nieuwste technologie om hun productie op te drijven en de honger aan te pakken? Laat ons wel wezen: biotechnologie zal de honger in de wereld niet uitroeien. Vijftig jaar geleden prees men de Groene Revolutie aan met hetzelfde argument. En waar staan we? Zelfs op de plaatsen waar de Groene Revolutie zogenaamd succesvol was, zoals India en Brazilië, is de honger groter dan ooit. Over Afrika spreken we zelfs niet.

Honger is dan ook niet het gevolg van een gebrek aan voedsel, zoals econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen al aantoonde, maar van een gebrek aan toegang tot voedsel. Een inkomen is een essentiële voorwaarde voor toegang tot voedsel. En dat is wat een miljard extreem armen ontberen.

Twee derde van de hongerlijders op aarde zijn net boeren en boerinnen. Nee, zij liggen niet wakker van spitstechnologie. Wat hebben boeren aan dure genetisch gemanipuleerde zaden als ze geen grond hebben om ze te zaaien? Om hun job te kunnen doen, hebben zij eerst toegang nodig tot grond, zaden, kennis, krediet, mest, water, mechanisatie… én toegang tot een gereguleerde, goed functionerende markt.

Wie dan wel?

Maar als consumenten, supermarkten én boeren niet zitten te wachten op GGO’s, wie heeft er dan wel belang bij? Het volstaat om een blik te werpen op de markt van genetisch gemanipuleerde landbouwzaden. Die zadenmarkt is een oligopolie van een handvol multinationals, met Monsanto op kop. Eenennegentig procent van de genetisch gewijzigde sojabonen en zevenennegentig procent van de genetisch gewijzigde maïs komt van één bedrijf, Monsanto. Meteen kennen we de grootste krachten achter soepelere GGO-wetgeving. Deze bedrijven zijn er om evidente redenen op gebrand hun gepatenteerde zaaigoed aan de man te brengen.

De juiste plaats voor biotechnologie

En toch moeten we biotechnologie niet zonder meer overboord gooien. Integendeel, er moet verder aan onderzoek en innovatie gedaan worden. Tegenhouden heeft geen zin. Maar innovatie moet wel gekanaliseerd worden, zodat het de juiste doelstellingen dient.

Onderzoek moet vertrekken vanuit lokale noden en die kennis moet eigendom zijn van de gemeenschap. Innovatie op maat van mensen, van kleine en middelgrote boerenbedrijven, met respect voor het leefmilieu. Niet op maat van enkele marktverstorende multinationals.

Jan Aertsen en Chris Claes, Vredeseilanden

Deel dit artikel