Het misplaatste optimisme van Bush over Irak

Het Witte Huis blijft vreugdekreten slaken over zijn successen in de oorlog tegen de terreur. De werkelijkheid is anders. Officiële rapporten spreken over een toename van de terreur en in Irak loopt de situatie uit de hand.

Tijdens zijn toespraak bij de opening van de 61e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zag de Amerikaanse president Bush hoopvolle ontwikkelingen in het Midden-Oosten. In tal van landen in de regio zag hij de democratie ontluiken. Over Afghanistan - dat door Bush bij het Midden-Oosten wordt ingedeeld – zei de Amerikaanse president dat het volk fier mocht zijn op het feit dat het aan vrije verkiezingen kon deelnemen en een democratische regering heeft gekozen. Over Irak zei de president dat de zetel in de Verenigde Naties nu tenminste niet langer meer in handen is van een moorddadige dictator, maar van een democratisch regime dat de verzuchtingen vertegenwoordigt van het Iraakse volk.

President Bush hoedde zich er voor om ook maar een woord te besteden aan de gruwelijke werkelijkheid. Irak balanceert op de rand van een burgeroorlog, het aantal ontvoeringen en moordaanslagen neemt toe, de economie zit aan de grond en Iraakse NGO’s uitten onlangs hun ongerustheid over de grote schaal waarop mensenrechtenschendingen plaatsvinden. Democratie is in die context wel het laatste waar de Irakezen van wakker liggen.

De inkt van de Bush’ VN-toespraak was nog niet droog of twee rapporten zouden een heel andere klok luiden. Een rapport van Amerikaanse inlichtingendiensten, dat al eind april verscheen maar nu pas bekend geraakte, concludeert dat de Amerikaanse campagne in Irak de terrorismedreiging heeft vergroot. Een ander rapport afkomstig van de Verenigde Naties spreekt over de almaar stijgende dodentol onder de Iraakse burgerbevolking.

Het rapport van de Amerikaanse inlichtingendiensten draagt de titel Trends in Global Terrorism: Implications for the United States. Het heeft het over het centraal staan van Irak in het aanwakkeren van terrorisme door groeiend anti-Amerikanisme. Het leiderschap van Al-Qaida is dan wel zo goed als ontmanteld, nu komt de dreiging van nieuwe Jihad-netwerken en cellen. Hoewel het Witte Huis stelt dat de pers niet het volledige beeld geeft van de volledige inhoud van het rapport, liet CIA chef Michael Hayden in april al een gelijkaardig geluid horen toen hij zei dat nieuwe terreurcellen, “soms door niet meer met elkaar verbonden dan hun antiwesterse agenda’s, zeer waarschijnlijk zullen toenemen”. Dat klinkt helemaal anders dan de toespraak van Bush op de vijfde verjaardag van 9/11. Toen zei hij: “De wereld is veiliger, omdat Saddam Hoessein niet langer aan de macht is.”

In Irak is het allerminst veilig. Alleen al in de maanden juli en augustus viel er een record aantal burgerdoden. Volgens een VN-rapport gaat het om 6.599 doden, goed voor meer dan 100 doden per dag. Dat brengt het totaal aantal burgerdoden tussen het begin van de invasie in maart 2003 en augustus 2006 op 48.994. Tijdens de Amerikaanse invasie van 20 maart tot 9 april 2003 vielen er 4.299 burgerdoden, daarna vielen er nog eens 9.619 doden tot eind december van hetzelfde jaar. 2004 was met 12.846 slachtoffers, niet veel minder moorddadig. Een deel van hen kwam om als gevolg van aanslagen door opstandelingen en terreurgroepen. Maar een groot aantal doden was dan weer het resultaat van gevechten tussen het Amerikaans leger en het leger van de Mahdi van de sjiitische imam Moktada Sadr in Nadjaf, Koufa en Bagdad in de zomer van 2004. Ook de zware bombardementen tijdens twee Amerikaanse militaire operaties in Falludjah maakten veel slachtoffers. Het jaar 2005 was even moorddadig als het jaar daarvoor. De VN registreerde 12.846 doden. Het is evenwel 2006 dat zich als uitzonderlijk moorddadig lijkt te manifesteren. In het eerste semester alleen vielen er al 15.199 doden, meer dus dan in het hele jaar ervoor. De aanslag op het sjiitisch mausoleum in Samara markeert het begin van het interreligieus geweld. Zo is Moktada al Sadr de controle over een deel van zijn troepen kwijt ten voordele van een dissidente groep, de Hezb al-Fadhila. Ook nieuw is de opkomst van doodseskaders. Sommige worden gelieerd aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, andere aan de Hoge Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak (SCIRI) of aan Moktada al Sadr. Zij houden grootschalige represailles tegen Soennieten. Tegenwoordig worden bijna dagelijkse lijken gevonden in de straten van Bagdad waarvan de handen zijn gebonden en die tekenen vertonen van soms gruwelijke folteringen. Volgens de speciale rapporteur van de VN, Manfred Nowak, ontsnapt de situatie aan elke controle, zeker wat de folteringen betreft. “Heel wat mensen bevestigen dat het erger is dan in de tijd van Saddam Hoessein.” Nowak kon zich vooralsnog niet zelf van de situatie op het terrein vergewissen, omdat “de Iraakse regering hem geen uitnodiging heeft bezorgd.”

Het geweld dreef al meer dan 300.000 mensen op de vlucht. Ook de Amerikaanse troepen ontsnappen niet aan het geweld. Hoewel ze zich minder verplaatsen blijven ze toch voorwerp van aanslagen. Eind september lag het aantal Amerikaanse dode militairen op 2.689.

Een ding is duidelijk. De Amerikaanse bezettingstroepen zijn de situatie niet meester. Irak, dat een voorpost moest worden in het Amerikaanse model van een democratischer Midden-Oosten, lijkt eerder op één van de centra in de regio waar instabiliteit en geweld tot de orde van de dag behoren.

Ludo De Brabander

Bronnen:
The International Herald Tribune, 25 september 2006
L’Humanité. 25 september 2006
The Independent, 21 september 2006
http://www.un.org

Vrede DOOR:

Deel dit artikel