Humanitair imperialisme

Met het gewelddadige verloop van de opstand in Libië krijgen we opnieuw het vertrouwde beeld te zien. Westerse leiders en media schreeuwen in koor hun grote morele verontwaardiging uit en lanceren oproepen om de Libische bevolking voor groter onheil te behoeden. Het déjà-vu-gehalte is nog groter als we kijken wie wat vertolkt.

De Verenigde Staten en Groot-Brittannië stelden voor om een 'No-Fly-zone' in te stellen zodat Qadhafy het luchtruim niet kan gebruiken om zijn bevolking te bestoken. De Britse premier Cameron heeft alvast zijn leger opdracht gegeven alles in gereedheid te brengen. De Verenigde Staten voerden al hun militaire aanwezigheid op en de NAVO heeft de activiteiten van de AWACS-radarvliegtuigen in de regio op Libië geconcentreerd.

Het Pentagon beseft dat het een risicovolle operatie is die in een open militaire confrontatie kan uitmonden omdat de Libische luchtafweer eerst moet worden uitgeschakeld. Dat doet erg denken aan Irak, na de Golfoorlog van 1991. Toen kondigden beide landen samen met Frankrijk no-fly-zones af boven het noorden en zuiden van het land 'om de bevolking te beschermen'. Geregeld 'noodzaakte' dit bombardementsvluchten. Dat dit zonder een duidelijk mandaat was van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties werd weggewuifd met het argument van humanitaire noodzaak.

Er is misschien een klein verschilpuntje.
In het geval van Irak deden deze westerse grootmachten nog enige moeite om zich legaal in te dekken met een ruime interpretatie van resolutie 688. Nu heeft men er absoluut geen moeite mee om het debat over militaire interventie buiten de VN om te voeren en het te beperken tussen NAVO-bondgenoten met wat lippendienst aan de VN en de mensenrechten.

Sinds het einde van de Koude Oorlog koestert de NAVO mondiale ambities vooral in die regio's waar de 'energieveiligheid' in het geding is. Het humanitaire discours van de NAVO en de westerse grootmachten mag dan een goed verkoopsargument vormen, in het geval van Libië is het wat al te doorzichtig. Veel NAVO-bondgenoten en westerse bedrijven deden graag zaken met het Qadhafy-regime.

Wapenhandel
Neem de wapenhandel. Sinds de opheffing van het wapenembargo in 2004 zagen weinig Europese regimes er graten in om vergunningen te verstrekken voor wapens aan Libië, ook al kampte het land met een meer dan bedenkelijke reputatie op vlak van mensenrechten.
Tussen 2005 en 2009 verstrekten Italië, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk en Duitsland voor 500 miljoen Euro wapenvergunningen aan het Libische regime. België was in 2009 goed voor een bedrag van 22,3 miljoen Euro, ondanks een vrij strenge wapenwet. De Europese wapenexport in 2009 naar Noord-Afrika (2 miljard Euro) en het Midden-Oosten (9,6 miljard Euro) verdubbelde (!) ten opzichte van het jaar ervoor. De politiek verantwoordelijken weten maar al te goed dat het gevaar dat deze wapens gebruikt worden voor interne repressie uitermate reëel is.

Hypocriet
Eens het over wapenhandel gaat moet alle ethiek wijken. Het is dan ook hemeltergend en hypocriet als NAVO-secretaris-Generaal Rasmussen verklaart dat hij zich niet kan indenken dat de internationale gemeenschap en de VN niets zouden doen aan de “afschuwelijke” inbreuken op de mensenrechten en het internationaal humanitair recht.

Die inbreuken in Tunesië, Egypte, Jemen, Bahrein, Libië of Saoedi-Arabië gebeuren grotendeels met westers wapentuig. De betrokken regimes controleren grote reserves aan bodemrijkdommen en genoten daarom ook onze politieke steun. Mensenrechten kan de NAVO, noch haar hoofdrolspelers een moer schelen. Onze echte kopzorgen zijn gewijd aan de energiebevoorrading. Daarvoor hebben we regimes nodig, democratisch of niet, die bereid zijn om de olie te laten vloeien aan redelijke prijzen. Laat ons er dan ook geen doekjes om winden. De inzet van 'operatie Libië' is niet de democratisering van het land, maar het verwerven van de controle over de rijke oliereserves, het destabiliseren van de National Oil Corporation (NOC) en indien mogelijk liefst ook nog eens de privatisering van de olie-industrie onder controle van westerse multinationals.

De NOC staat als 25ste gerangschikt in de top 100 oliebedrijven. Libië beschikt over 3,5 % van de mondiale oliereserves. Dat is dubbel zoveel als de VS. De Libische bevolking die in opstand komt kent de westerse drijfveren en stelt zich dan ook uiterst behoedzaam op rond elk pleidooi voor een militaire interventie. Zij heeft met Kosovo, Afghanistan en Irak in het achterhoofd, heel goed begrepen dat eens de militairen zijn geland zijn, ze niet gemakkelijk weer vertrekken.

Ludo De Brabander

Dit artikel verschijnt als editoriaal in het nummer 408 (maart-april 2011) van het Tijdschrift Vrede. Klik hier voor een abonnement (25 euro, 6 nummers) of proefnummer.

Vrede DOOR:

Deel dit artikel