Iedereen gelijk voor de wet, ook Israël

In een opiniestuk dat vrijdag in De Morgen en De Standaard verscheen, worden de voorstanders van een onderzoek naar Israëlische oorlogsmisdaden ervan beschuldigd Israël moedwillig te demoniseren. Het zou gaan om ‘selectieve verontwaardiging’ omdat er conflicten zijn ‘die veel meer burgerlevens hebben geëist, waaronder ook Navo-operaties, waarvoor nooit een onderzoek is gevraagd’. Dit pleidooi voor een ‘comparatieve toepassing’ van mensenrechten en het oorlogsrecht is echter weinig overtuigend. Wie minimaal vertrouwd is met de feiten waarnaar de auteurs verwijzen, stelt vast dat hun vergelijkingen vaak krom en onjuist zijn.

Mensenrechtenorganisaties en VN-functionarissen zouden bij het beoordelen van militaire operaties een hogere standaard hanteren voor Israël dan voor andere Westerse landen. Naar oorlogsmisdaden in de oorlogen in Tsjetsjenië (Rusland), Kosovo (Navo) en Irak (Verenigde Staten), zou nooit een onderzoek zijn ingesteld. In een poging om Israël de hand boven het hoofd te houden, wordt de waarheid dubbel geweld aangedaan.

Ten eerste: mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International stelden tal van rapporten op over de genoemde conflicten. Wie de moeite doet om ze te lezen, merkt dat steeds dezelfde standaarden aangewend worden: die van de mensenrechten en het oorlogsrecht. En wordt ook consequent opgeroepen om oorlogsmisdadigers te bestraffen.

Ten tweede: in de aangehaalde gevallen werden wel verschillende onafhankelijke onderzoeken gevoerd. Zo is Rusland reeds meerdere keren door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld voor mensenrechtenschendingen gepleegd tijdens de oorlogen in Tsjetsjenië.

Voor dat Hof werd in 1999 ook een zaak aanhangig gemaakt tegen 17 Navo-lidstaten naar aanleiding van de bombardementen in Kosovo. Het Joegoslaviëtribunaal van de VN stelde zelfs een speciale commissie samen om die bombardementen op hun wettelijkheid te onderzoeken. Al die vonnissen en verslagen zijn publiek beschikbaar. En iedereen herinnert zich nog wel de klachten die na de Irak-oorlog tegen Donald Rumsfeld, Colin Powell en generaal Tommy Franks neergelegd werden.

Maar nu terug waar het eigenlijk om gaat: Israëls optreden in de Gazastrook en het pleidooi voor een onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden. Die vraag komt niet zozeer van mensen die Israëls bestaansrecht betwisten als wel van zij die geloven dat Israël baat heeft bij het respect voor het recht.

Enkele dagen geleden nog riepen 8 Israëlische mensenrechtenorganisaties – onze partners op het terrein – op tot een onafhankelijk onderzoek. Zij zijn er zich pijnlijk van bewust dat hun leger niet ‘the most moral army in the world’ is, zoals Israëlische politici en generaals voortdurend beweren.

Meer dan veertig jaar bezetting lieten diepe sporen na en leidden tot een cultuur van straffeloosheid. Wanneer het VN-hoofdkwartier beschoten wordt en zelfs het Internationale Rode Kruis spreekt over een schending van het oorlogsrecht, hoeft het dan te verwonderen dat de roep naar bestraffing van oorlogsmisdaden zo luid klinkt?

Zonder gerechtigheid kan er geen vrede zijn, en dat geldt niet enkel voor het Midden-Oosten. Suggereren dat een onderzoek naar oorlogsmisdaden een duurzame vredesoplossing onmogelijk maakt, wekt op zijn minst verbazing.

Volgens John Ging, het hoofd van de VN in Gaza, is het net essentieel dat de verschillende partijen zich verantwoorden voor hun daden: ‘We hebben nood aan geloofwaardige en effectieve mechanismen waardoor alle partijen rekenschap moeten afleggen over fundamentele mensenrechten en het internationaal recht. Dat is wat nodig is. En dan hoeven we ons geen zorgen te maken of dat politiek opportuun is of niet’.

Onze organisaties vragen een onafhankelijk onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden begaan door zowel het Israëlische leger als de Palestijnse gewapende groepen. Hoe kan men immers verwachten van de kinderen in Gaza dat ze respect ontwikkelen voor mensenrechten wanneer die overal om hen heen ongestraft geschonden worden? En hoe kunnen Palestijnen en Israëli’s vreedzaam leren samenleven wanneer oorlogsmisdadigers steeds weer vrijuit gaan?

Als Israël de Europese Unie vandaag vraagt om een drastische uitbreiding van de onderlinge samenwerking, moet het aanvaarden dat zijn gedrag beoordeeld wordt volgens de normen waarop de Unie gegrondvest is d.w.z. respect voor het internationaal recht en de mensenrechten. In tegenstelling tot de EU-lidstaten is het land niet onderworpen aan de rechtsmacht van het Europees Hof voor de Mensenrechten.

Palestijnen zijn dus in de eerste plaats aangewezen op het Israëlische Hooggerechtshof, een instelling die niet meteen uitblinkt in de correcte toepassing van het oorlogsrecht.

Zo werd de afsluiting van de Gazastrook sinds 2007 – illegaal volgens de VN en de EU – door dat Hof zonder meer gelegaliseerd. Hetzelfde geldt voor de bouw van de Muur, de nederzettingen en tal van andere onwettige bezettingsmaatregelen. Vragen om een onafhankelijk internationaal onderzoek naar wat de voorbije weken in Gaza gebeurd is, heeft dan ook niets met selectieve verontwaardiging te maken. Van dubbele standaarden is geen sprake.

Pol Degreve (directeur Broederlijk Delen), Karen Moeskops (directeur Amnesty Vlaanderen), Koen De Groof (coördinator CIDSE-werkgroep Palestina-Israël), Brigitte Herremans (medewerker Midden-Oosten Broederlijk Delen-Pax Christi Vlaanderen), Pieter Stockmans (coördinator Amnesty Vlaanderen landenteam Israël-Palestina)

Deel dit artikel