Iedereen ontwikkelingswerker!

De ontwikkelingsorganisaties (NGO’s) genre 11.11.11, Broederlijk Delen, Vredeseilanden ... zien zich geconfronteerd met een nieuw fenomeen. Sinds eind de jaren 90 blijken er in Vlaanderen immers spontaan allerlei particuliere samenwerkingsprojecten met mensen in het Zuiden op te bloeien. Het gaat om initiatieven genre ‘Verpleegsters of ander categorieën ... zonder Grenzen’ en allerlei Noord-Zuid solidariteitsprojecten van ziekenhuizen, scholen, bedrijven, mutualiteiten en vakbonden ... maar ook gewoon van privé-personen. In het ontwikkelingsjargon wordt het fenomeen intussen aangeduid met ‘de vierde pijler’ (naast de multilaterale, bilaterale en niet-gouvernementele ontwikkelingssamenwerking).


Intussen zou het om zo’n 1.000 à 1.500 initiatieven gaan, die er samen in slagen een achterban van om en bij de 60.000 mensen te mobiliseren. Jaarlijks zamelen ze zo’n 90 miljoen euro in om hun projecten te financieren. Dat is ongeveer evenveel als de klassieke NGO’s van hun kant bij het publiek ophalen. Een en ander blijkt uit een studie van het HIVA die zaterdag 5 mei op een colloquium over de 4de pijler wordt voorgesteld. Dat colloquium komt er op initiatief van Minister Geert Bourgeois. CD&V liet eerder ook al duidelijk verstaan bijzondere interesse te hebben in het nieuwe fenomeen.

De NGO’s reageren verrast en stellen zich vragen, ja, maken zich zelfs zorgen. Waarom ontstaan die initiatieven? Waarom komen die geëngageerde mensen niet bij ons terecht? Waarom slagen wij er niet in die geldstromen naar ons te kanaliseren? Zijn we niet goed bezig?

Begrijpelijke vragen, op het eerste gezicht, maar volgens de Ekstermolengroep maken de NGO’s zich nodeloos zorgen. Is het ontstaan van dit parallelle circuit niet eerder een teken dat het concept ‘ontwikkelingssamenwerking’ stilaan weer aansluiting vindt bij het grote publiek, iets wat we de laatste decennia blijkbaar wat kwijt waren? En wordt het niet vooral tijd voor de politici om aandacht te krijgen voor zoveel mondiale bewustwording bij de ‘gewone Vlaming’?

In een eerste schrikreactie neigen de NGO’s er naar het ontstaan van deze nieuwe ontwikkelingsprojecten te beschouwen als kritiek op hun eigen werking. Daarbij vergeten ze dat ze zelf al jaren zwaar investeren in ontwikkelingseducatie: al jaren worden schoolgaande kinderen bewerkt met lessenpakketten en Noord/zuid-projecten allerhande  om hen solidariteit met het Zuiden aan te kweken. Hoewel het directe resultaat daarvan moeilijk te meten is, hebben al die inspanningen onmiskenbaar invloed op de mentaliteit in Vlaanderen.

Veranderde mentaliteit

Als dat zaaigoed in de goede bodem valt en de omgevingsomstandigheden er naar zijn, kan het niet anders dan dat het vroeg of laat ontkiemt en open bloeit. Dat is wat er vandaag in Vlaanderen misschien wel aan het gebeuren is.

De eerste generaties die systematisch in aanraking kwamen met de NGO-boodschap zijn intussen flinke dertigers en veertigers geworden en hebben hun plaats in de samenleving gevonden, zij beschikken over financiële middelen en kunnen zelf de wereld afreizen en de armoede zien. Zij hebben krachtige communicatiemiddelen ter beschikking, zijn mondig en zelfredzaam, en na de individualistische jaren tachtig en negentig, is er nu ruimte voor een mentaliteit van ‘pragmatisch idealisme’.

De oogsttijd is dus aangebroken, zij het dat de plantjes misschien wat anders uitvallen dan de NGO’s oorspronkelijk in gedachten hadden. De nieuwe particuliere initiatieven hebben namelijk een aantal kenmerken waarmee ze afwijken van de aanpak die de NGO’s in de loop van de afgelopen dertig jaar hebben ontwikkeld. De nieuwe initiatieven zijn immers pragmatisch ingesteld: voor hen tellen in de eerste plaats de zogenaamde ‘materiële transfers’: geld en materiële goederen, eventueel specifieke technische kennis, worden van hier overgedragen naar het Zuiden. Niet vanuit een paternalistische visie, maar wel vanuit een welgemeende dadendrang.

De nieuwe initiatieven slagen er daardoor evenwel beter dan de NGO’s in van ontwikkelingssamenwerking iets ‘leuks’ te maken, iets waar men zelf voldoening in vindt, zelf rijker van wordt. Zij maken werk van ‘doen’, ieder vanuit zijn eigen capaciteit en met concrete, tastbare resultaten. Dat leidt tot tevredenheid, bij de doeners zelf, maar ook bij de begunstigden van al die daadkracht, want die zien reëel en op korte termijn dingen veranderen.

Betrokkenheid is daarin wellicht een sleutelwoord, eerder dan ‘engagement’ of ‘politieke analyse’. “We kennen mekaar, we helpen mekaar”. Dat geldt in de relatie tussen de initiatiefnemer van een project met mensen in het Zuiden, als in de relatie tussen de initiatiefnemer en zijn achterban hier in het Noorden.

Iedereen mag deelnemen aan het project, niemand hoeft er toelating voor te vragen en niemand wordt opgezadeld met ideologische of institutionele denkkaders die tussen de lijntjes doen lopen, regeltjes opleggen. We kunnen weer ongedwongen ‘goed’ doen, zoals een scout elke dag zijn goede daad verricht en daar tevredenheid uit haalt. Wat baat tenslotte al dat politiek correct denken, als we een slechte situatie niet zien verbeteren?

Mensen willen vandaag weer ‘lid’ zijn, niet op een formele manier van gestructureerde organisaties, maar in een soort vrijblijvendheid die een internetcommunity meebrengt, of een actieve participatie mogelijk maakt, zonder verplichte, opgelegde engagementen. Zonder intellectueel te moeten zijn ook ... Bovendien is er in de nieuwe initiatieven weer plaats voor emotionaliteit. We mogen medelijden hebben, we mogen helpen.
Daardoor vindt ook de kapster van naast de deur haar plaatsje in dit verhaal en draagt haar steentje bij, want buurman en buurvrouw, initiatiefnemers van het project, dat zijn sympathieke mensen ...

Authentieke bekommernis verdubbelt draagvlak

Een en ander strookt niet honderd procent met de manier waar op de klassieke NGO’s vandaag hun opdracht waarmaken, hoewel ze destijds dikwijls vanuit soortgelijke motieven en mentaliteiten vertrokken zijn. Maar de verschillende aanpak doet geen afbreuk aan de authentieke bekommernis van de ene mens om de andere te helpen zijn lot te verbeteren.

Meer dan zich zorgen te maken over de ‘politiek correcte’ aanpak van de nieuwe initiatieven, moeten de NGO’s beseffen dat het ontstaan van de ‘4de pijler’ nieuwe kansen creëert, vooral op politiek vlak. Het zou verkeerd zijn de nieuwe initiatieven als een bedreiging te beschouwen, terwijl het eigenlijk bondgenoten zijn. De NGO’s moeten de nieuwe initiatieven hun vertrouwen schenken, en open staan voor hun vragen om ondersteuning én voor hun kritiek, want zij zijn een andere emanatie van eenzelfde bekommernis.

Want wat blijkt? Met het ontstaan van de nieuwe initiatieven, is het draagvlak voor solidariteit met het Zuiden in de Vlaamse samenleving gewoon verdubbeld. Het zijn niet langer de ‘die hards’, de ‘linkse rakkers’ of de ‘politiek bewusten’ die over de grens kijken en proberen hun medemens in den vreemde bij te staan. Het zijn nu ook gewone burgers, van arbeiders tot zakenmensen, die al dan niet toevallig tijdens een zaken- of plezierreis, zelf met schrijnende armoede in het Zuiden geconfronteerd werden. Vanuit de daar ontstane emotie proberen zij hun steentje bij te dragen aan een betere wereld. Vanuit een diep besef dat het gewoon nodig is onze rijkdom te delen en solidariteit op te brengen waar de samenleving faalt om iedereen een menswaardig bestaan te garanderen.

Focus op de politiek

Daaronder schuilt meer nog dan op de NGO’s, een impliciete kritiek op onze politieke klasse. Want hoewel vanuit de nieuwe initiatieven niet direct een sterk politiek activisme uitgaat, is de onderliggende boodschap voor de politieke beslissers duidelijk: elk nieuw initiatief van internationale solidariteit is een appél aan de politiek dat ze ergerlijk in gebreke blijft om onze geglobaliseerde samenleving behoorlijk te organiseren. Vanuit dat besef denkt de hedendaagse mondige burger: “wat we zelf doen, doen we beter” ...

De grote opdracht voor de NGO’s bestaat er dan ook in het waardevolle potentieel van de ‘4de pijler’ te valoriseren en de impliciete kritiek op
de politieke mechanismen die de internationale solidariteit belemmeren,
naar de oppervlakte te brengen en te vertalen in duidelijke politieke signalen. De NGO’s beschikken over de structuren, de toegangen tot de politieke wereld en – indien ze bereid zijn in verenigde slagorde op te treden - de communicatiekracht om die boodschap over te brengen.

Het ontstaan van de ‘4de pijler’ is daarom ook allerminst een vrijbrief voor de politieke klasse om toe te geven aan de verleiding om enkel nog te investeren in ‘sexy’ hulpprojecten terwijl ze de politieke structuren die tot zoveel ongelijkheid en onrechtvaardigheid in de wereld leiden, ongemoeid laten.

Koen Van den Broeck
Namens de Ekstermolengroep

Deel dit artikel