“Ik ben nummer 15 op de dodenlijst”

In de Filipijnen telt men al meer dan 700 politieke moorden sinds de huidige presidente, Gloria Macapagal-Arroyo aan de macht kwam in 2001. Doodseskaders hebben het vooral gemunt op progressieve activisten en leiders van volksorganisaties. Ook gezondheidswerkers worden geviseerd. Een Filipijnse medewerkster van één van de partnerorganisaties van Geneeskunde voor de Derde Wereld, een lokale gezondheidsorganisatie, stuurde ons de volgende pakkende getuigenis:


“Het is nu al bijna twee maanden sinds ik thuis weg ging nadat ik te weten kwam dat ik op de dodenlijst sta. Nu probeer ik de eenzaamheid en verveling te overleven. Ik ben een vreemde hier, ver van mijn collega's en mijn geliefde familie. Zonder hen vind ik de eenzaamheid bijna onleefbaar. 

Terwijl ik vroeger steeds aan het werk was, tel ik nu de uren en de dagen af en hoop ik dat ik vlug terug kan gaan.

Het is niet gemakkelijk om te leven als een gevangene of een opgejaagde vluchteling. Ik adem, eet en slaap elke dag alleen en kan enkel naar buiten gaan om eten of een krant te kopen. En dan kijk ik argwanend naar de gezichten om me heen als ik door de straat loop of een ritje maak.

Mijn mobiele telefoon is mijn enige verbinding met de buitenwereld. Net voldoende om korte berichtjes te ontvangen van vrienden, collega's en familie. Het is me een raadsel hoe ik de eenzaamheid zou kunnen overleven zonder hun berichten.

Het is een beproeving maar ik put hoop uit de ervaringen van anderen die erger hebben doorstaan: detentie, mentale en fysieke folteringen en lange jaren van opsluiting. Er is niet veel dat ik kan doen tenzij overleven en doorzetten.

Op de dodenlijst

Het was in de avond van 17 juni. Die dag werd in Oroquieta City een collega van me doodgeschoten waarmee ik dezelfde dag nog een afspraak had. Mijn broer belde me op. Hij was verbaasd om mijn stem te horen want volgens hem werd in onze stad onder journalisten verteld dat ik dood was. Ik kon hem geruststellen dat het iemand anders was. Spijtig genoeg iemand die ik kende maar ik was nog niet dood.

Twee dagen later kreeg ik bericht van mijn broer dat zijn vrienden in de inlichtingendiensten hem de dodenlijst getoond hadden. Ik was nummer 15 op de lijst. Hij zei dat zijn vrienden lieten weten dat ze ervoor konden zorgen dat ik veilig naar onze stad kon reizen om me er “over te geven”. Tot op vandaag blijft dit “aanbod” geldig volgens mijn broer.

Twee dagen geleden vroeg ik mijn broer nogmaals of hij wel zeker was dat het mijn naam was. Hij antwoordde dat hij mijn volledige naam zag, zelfs met de beginletter van mijn meisjesnaam. Ik legde hem uit dat ik geen misdadiger ben en dat ik geen enkele wet heb geschonden; dat ik een gerespecteerde positie heb in een gezondheidsprogramma dat zich bekommert om de armen. Waarom zouden ze me dan vermoorden?

Ik las een brochure van de mensenrechtenorganisatie over Oplan Bantay Laya (het militaire programma tegen de lokale oppositie) en ik was geschokt. Onschuldige burgers, zelfs kerkleiders, advocaten, vrouwen en dokters worden slachtoffer van standrechtelijke executies onder de regering van president Arroyo.

Abel

Ik herinnerde me de ontvoering van Abel, een staff van de Community Based Health Services (CBHS) in Misamis Occidental op 9 april. Ik was de laatste die Abel nog gezien had de avond voordien. Na de vergadering ging ze met me mee tot aan de grote weg waar ik op het busje wachtte. Later die avond zond ze me nog een berichtje om er zeker van te zijn dat ik al terug op kantoor was. De volgende dag, in de late namiddag werd ze door gewapende mannen ontvoerd toen ze terugging naar het kantoor van CBHS.

Volgens haar verklaringen aan de mensenrechtenorganisatie Karapatan werd de weg versperd door de auto van de gewapende mannen. Zij alleen werd uit het busje gesleurd hoewel er meerdere passagiers waren. Daarna werd ze geblinddoekt en de hele nacht ondervraagd. Ze mocht enkel “ja” of “neen” antwoorden. Ze vertelde dat mijn naam vernoemd werd samen met die van Pastor Jeremias Tinambacan van de United Church of Christ (UCCP) en Tito Marata, een boerenleider.

Tinambacan werd een maand later vermoord, op 9 mei. Marata was degene die vermoord werd op 17 juni, de dag dat ik een afspraak had met hem.

Abel's ontvoerders zonden me berichtjes met haar telefoon en ik antwoordde zonder te weten dat het niet zijzelf was. Toen Abel de volgende dag werd vrijgelaten kreeg ze haar sim kaart terug met de boodschap dat haar familie het zou bekopen indien iemand uit haar telefoonboek zijn of haar nummer zou veranderen.

Op 10 mei stuurde ze me een bericht dat ze zou langskomen om de doorverwijzing van enkele patiënten te bespreken. Ze kwam echter niet opdagen. Uiteindelijk vluchtte ze met haar hele gezin naar een andere streek nadat ze verschillende dagen geschaduwd werd door mannen op motorfietsen.

Waarom ik niet?

Ik vroeg me af waarom ik niet ontvoerd werd in plaats van Abel en waarom ik niet openlijk bedreigd werd zoals vele anderen. Een vriendin van me, die bij een hulporganisatie werkt, werd verschillende keren bedreigd door militairen: op de markt, in de bus, in een restaurant,... . Blijkbaar is mijn zaak verschillend. Misschien zullen ze me ooit eens zonder enige verwittiging in het hoofd schieten zoals ze met Pastor Tinambacan en Tito Marata deden.

Hoeveel verhalen blijven nog onvermeld? Het waren immers niet enkel Pastor en Tito die in onze streek vermoord werden maar ook verschillende andere boerenleiders en leden van progressieve politieke partijen. In geen enkel van deze gevallen werden de schuldigen veroordeeld.

Op de laatste avond voor Tito's begrafenis werd een militaire truck met soldaten in uniform geparkeerd voor het huis waar de wake doorging. Vrienden, collega's en familieleden brachten hulde aan deze buitengewoon nederige en zachte persoon. Het was een sprekend zicht: soldaten in gevechtsuitrusting, begrafenisverlichting en de doodskist met het lichaam van een vriend in de woonkamer. Zijn moordenaars waren misschien om de hoek.”

www.stopthekillings.be

intal DOOR:

Deel dit artikel