IMF en Wereldbank in slechte papieren

Deze Bretton Woods Instellingen zijn de machinekamer van de globalisering, wordt wel eens gezegd. Hun analyses en adviezen zijn dwingende interventies in de nationale economieën. Vroeger waren het de Structurele aanpassingsprogramma's, nu de Poverty Reduction Strategy Papers. Maar de laatste tijd wordt het Fonds niet alleen ter linkerzijde aangevallen.


Sedert het begin van de jaren 1970 – toen de dollar losgekoppeld werd van z'n vaste goudwaarde (32 dollar per ounce troy aan goud) – is het IMF opgeschoven van een bewaker van het internationaal monetair systeem naar een cruciale internationale kredietverlener. Maar in de laatste jaren zijn de leningactiviteiten serieus gedaald, en is zijn rol in het internationaal monetair systeem duister, zegt bijvoorbeeld de Gouverneur van de Bank of England.(1) “Het Fonds moet aangepast worden aan de financiële omstandigheden van de 21ste eeuw. Zowel de G7 als de G-20 landen hebben voorstellen voor hervorming van het IMF. Bretton Woods werd uitgedacht na een periode van crisis, oorlog en economische catastrofe. Vandaag maken we een buitengewone bloei mee van het internationaal handelssysteem. Afspraken rond handel en financiën gaan hand in hand. We zullen het alleen aan ons zelf te wijten hebben als we het IMF laten verder zwalpen met een reeks zwakke en inhoudsloze verklaringen.” Aldus nog de baas van de Bank of England. Sir Edward Clay, de voormalige Britse Hoog Commissaris voor Kenia beschuldigde de Wereldbank dat ze “het varken van de corruptie voedde”.(2)

Volgens Ngaire Woods (University College, Oxford) lijden de Bretton Woods instellingen aan vier kwalen. Ten eerste zijn de inkomsten aan het dalen. Het tweede probleem is dat de voornaamste klanten niet langer geïnteresseerd zijn om bij hen te lenen. Het derde probleem is dat de voorwaarden die door IMF en WB gesteld worden – hun voornaamste instrument om de markten open te breken en tevens om hun inkomstenbronnen veilig te stellen – in de praktijk niet functioneren. Ten vierde, de leden zien hun advies niet als onpartijdig.

De rijke landen hebben lange tijd deze instellingen gecontroleerd, niet alleen door hun stemgewicht (pro rata van oorspronkelijke financiële inbreng), maar ook door hun sterke greep op het management, de filosofie en het mandaat. Deze rijke leden vereisten ook steeds meer 'globale openbare goederen' van het Fonds en de Bank, maar tegelijkertijd verlaagden ze hun eigen bijdrage.

Minder inkomsten

Er wordt gemakkelijk gedacht dat de rijke landen de financierders zijn van het IMF en de Wereldbank. Maar het zijn niet de VS of de G7 die vandaag de voornaamste geldaanbrengers zijn. Dat is reeds in de loop van de jaren 1980 beginnen veranderen, en verschoven naar de arme, krediet aanvragende landen. Door de kosten voor leningen te verhogen konden IMF en WB hun reserves en investeringsinkomsten opbouwen, waardoor de rijke landen 'minder verantwoordelijkheid' kregen. Deze vroegen dan op hun beurt een groter aantal diensten aan de instellingen. Op die manier zijn de inkomsten van IMF en Wereldbank afhankelijk geworden van de leningaanvragers.

Het probleem is dat het inkomen uit hun investeringen verminderde en dat hun kredietverlening slabakte. IMF was/is dus afhankelijk geworden van de grote leners. Echter, tegen 2006 hebben Brazilië, Argentinië en andere opkomende economieën hun leningen (versneld en) volledig terugbetaald. In februari 2006 berekende men dat de betalingen van kosten en intresten aan het IMF in 2006 nog slechts 1,39 miljard dollar zouden bedragen, tegenover 3,19 miljard dollar in 2005. De projectie voor 2009 is nog maar de helft van dit jaar: 635 miljoen dollar.

Klanten keren zich af

Voor hun ontwikkelingsassistentie en advies gaan grote kredietaanvragers niet langer naar de Wereldbank, of naar het IMF voor een monetair en financieel verzekeringspakket. Volgens eigen cijfers van het IMF zullen Aziatische monetaire instanties reserves opgebouwd hebben die in 2006 1430 miljard dollar zullen bereiken, komende van 496,9 miljard dollar in 2002. Het aanhouden van dergelijke reserves is bijzonder duur, net zoals de kosten voor leningen bij de financiële privé banken. Waarom dan toch niet naar IMF en Wereldbank gaan?

Ngaire Woods stelt dat het IMF door velen gezien wordt als een instrument van de VS politiek, waarbij het advies te ideologisch is en te dirigistisch. De overheden onthielden van het crisisoptreden van het IMF alleen nog de lange waslijst aan condities die Zuid-Korea werden opgelegd in 1997. Willen China, Korea of Japan vertrouwen hebben in deze internationale instellingen zal er veel moeten veranderen. Ook in Latijns Amerika en Afrika hoort men dezelfde kritiek. Hier zijn de staten echter minder goed geplaatst om uit het systeem te stappen, en in de plaats daarvan zoeken ze hun stem binnen de organisatoren luider te laten klinken.

De aanstelling van de voormalige VS vice-minister van defensie, Paul Wolfowitz, tot voorzitter van de Wereldbank heeft de zaak niet vooruit geholpen voor deze instelling. Een ander geschilpunt blijft draaien rond de bureaucratie van de organisatie en het gebrek aan flexibiliteit.

Dat betekent dat men in vele landen nu voor kredietverlening aan gaat kloppen bij de privé banken, ook al kost dat meer. Er wordt ook meer gewerkt met regionale overeenkomsten. Voor de armere landen uit Subsahara Afrika en Centraal Amerika blijven de Wereldbank en het IMF wel de voornaamste bron voor leningen, en nemen ze de conditionaliteit erbij. Maar is dit een effectieve steun voor de globale ontwikkeling of financiële en monetaire stabiliteit?

Voorwaarden

De laatste 20 jaar werd het systeem van conditionaliteit verantwoord als de manier om de leningen van IMF en Wereldbank veilig te stellen, en tevens als de manier om zieke patiënten (regeringen die een slecht beleid voeren) de nodige, eventueel onaangename, geneesmiddelen (voornamelijk het openbreken van de markten) te doen innemen. Maar dit heeft niet gewerkt, zegt Ngaire Woods. Sommige patiënten hebben hun medicijn niet genomen, anderen blijken niet te kunnen herstellen.

Telkens vastgesteld werd dat de voorwaarden geen resultaat opleverden, heeft men de voorwaarden verscherpt. Toen de 'stabilisering' niet werkte, ging men over tot structurele aanpassingsprogramma's, toen dit niet werkte sprak men over 'goed bestuur'. Nog meer voorwaarden (qua participatie en consultatie) werden opgelegd aan die landen die schuldverlichting zochten. Nu heeft men het over 'stroomlijnen' of wegnemen van bepaalde voorwaarden, om het 'ownership'  (verantwoordelijkheidszin) van leners te verhogen. Deze nieuwste ontwikkeling heeft de bedoeling om de 'voorwaarden' beter aan te passen aan de specifieke situatie van het land, en om de nationale overheid een grotere rol op te laten nemen in het formuleren van de eigen economische strategie. Maar waarachtig lokaal 'ownership' is een brug te ver voor de internationale instellingen: dit botst met de filosofie en gewoontes van beide. Zoals ze de Wereldbank al in 2002 zelf stelde: “dan ontstaat er een spanning tussen de specifieke benadering per land en het toepassen van meer algemene en strikte operationele normen”.

Onpartijdig?

Zowel de Wereldbank als het Muntfonds hebben gedurende lange tijd hun 'waardevolle rol als adviseur' geafficheerd. Maar niet iedereen lijkt hun adviezen op dezelfde wijze te waarderen. De meest gehoorde klacht, nog altijd volgens Ngaire Woods, is dat het personeel van het IMF en de Wereldbank zelf geen beleidservaring heeft. Met een doctoraat in economie of financiën is men niet per se goed uitgerust om vlot te functioneren in de troebele en complexe wereld van het politiek systeem waarin ze werken. Zij zien democratische processen als een obstakel voor gezond economisch beleid. Zoals recent de Managing Director van het IMF verklaarde in zijn 'halflangetermijnstrategie': “verandering wordt door de politiek tegen gehouden”. Hieruit spreekt de frustratie van een econoom tegenover de luidruchtige onvoorspelbare partijpolitiek. Maar de rest van de wereld wordt daardoor versterkt in hun idee dat IMF en WB goed overeenkomen met autoritaire regimes. Die uitspraak houdt ook geen rekening met het feit dat hun adviezen zelf geïnfecteerd zijn met een goede dosis 'politiek'.

Het eerste ondersteuningskrediet dat Zuid-Korea van het IMF kreeg in 1997 was duidelijk aangepast aan voorwaarden die door de Verenigde Staten waren bepaald. In de loop van de jaren 1990 werd Rusland door de G7 geduwd om leningen bij de Wereldbank op te nemen die nooit werden gebruikt, maar waarvoor Rusland wel kosten moest betalen. Anderzijds werd het IMF aangepord om niet te kijken naar de slechte resultaten. Wereldbankprojecten zijn soms stiekem geboetseerd door voorafgaande contractafspraken tussen grote ondernemingen, gedekt door machtige regeringen en kredietverleners.

Ook technische cijfergegevens ontsnappen niet aan politieke beoordeling. Groeidoelstellingen en projecties van programma's ondergaan subtiele manipulaties die nodig zijn om de cijfers te laten 'werken' bij het aanvaarden van kredietaanvragen. Bij de schuldverlichting van de 'arme landen met hoge schuldenlast' (HIPC) (3) werden projecties over macro-economische groei, inning van taksen, en budgetten herwerkt zodat de duurzaamheidsfactoren en de criteria van de Millenniumdoelstellingen overeenkwamen met wat donors bereid waren te financieren.

De basislijn van IMF en Wereldbank draait rond aanpassingen in het land dat de lening aanvraagt, en zeker niet om het aanpassen van de internationale omstandigheden die het probleem veroorzaakten. Zo wordt elk land aangemaand beter te gaan presteren qua exportgoederen, maar nooit werd een degelijke analyse gemaakt van de gevolgen dat iedere exporteur meer producten op de internationale markt brengt (en dus de wereldprijs van het exportgoed doet zakken). Het is duidelijk dat in de omstandigheden de Bank en het Fonds meer middelen hebben om de nationale overheid te bespelen dan dat ze die hebben om het internationale systeem te veranderen. Maar anderzijds zijn beide toch ook als enige goed geplaatst om de internationale aspecten van problemen aan te pakken.


De roep naar hervorming komt nu van de rijke landen. Zij hebben immers het IMF en de Wereldbank nodig om de financiewereld te globaliseren, om crisissen te managen, om nieuwe markten te helpen openbreken, en om een minimum aan globale coördinatie te bieden. Maar kennelijk staan ze voor een tweesprong. Ofwel gaan ze zelf meer moeten betalen voor deze instellingen. Ofwel zullen ze de zaken aantrekkelijker moeten maken voor kredietaanvragers. Volgens Ngaire Woods moet er meer gekeken en geluisterd worden naar de aanvragers, beide instellingen moeten bijdragen tot het debat in plaats van het debat te monopoliseren, de leners zouden echt betrokken moeten worden in de beslissingen, en de aandacht zou moeten gaan naar de unieke rol en plaats van elk land.

Reacties (3)

De lentemeeting2006 van IMF en Wereldbank in Washington ging gepaard met veel kritiek tijdens een parallelle strategieconferentie in het Institute for Policy Studies. In de NGO wereld (met o.m. Center for Global Devlopment, de voormalige campagne '50 jaar is genoeg', Jubilee South) wordt de anti-corruptiecampagne van IMF voorzitter Paul Wolfowitz afgedaan als een opsmukoperatie. Bovendien heerst er heel wat scepticisme over het plan om het stemgewicht van grote ontwikkelingslanden als China en Brazilië te verhogen. Zo ook wat betreft het voorstel om meer arme landen toe te voegen aan de lijst van de arme-landen-met-hoge-schulden. Dit laatste wordt gezien als een hopeloze poging om de leegloop van kredietvragers tegen te gaan.

Grote NGO's die in de jaren '90 vooral pleitten voor interne hervormingen van beide instellingen zijn nu veel kritischer. “De bank moet haar macht ontnomen worden”, heet het nu. In plaats van voorwaarden te stellen aan het optreden van IMF en Wereldbank om de negatieve gevolgen ervan af te weren, moet er geopteerd worden om de kwetsbaarste operaties of afdelingen van de twee instellingen te onderkennen, en globale campagnes opzetten om deze te stoppen of te sluiten. Het uiteindelijke strategische doel is beide radicaal te verzwakken en hun invloed echt te kortwieken.

Op korte termijn lanceren de NGO's twee campagnes. Een is een massamobilisatie bij de Herfstvergadering van Wereldbank en IMF in Singapore, de derde week van september 2006. Gelijktijdig komt er een internationale conferentie “Alternatives to the World Bank and the IMF”.

besluit

De internationale financiële instellingen konden het verlies aan legitimiteit sedert de Aziatische crisis van 1997 niet te boven komen. Thailand, Filippijnen, China en India waren niet langer geneigd nog bij hen te gaan lenen, omwille van de desastreuze gevolgen van de IMF programma's. Daarbij hebben zich dan verschillende Latijns Amerikaanse gevoegd, met Brazilië en Argentinië op kop, die hun schulden volledig afbetaalden precies om onafhankelijk te kunnen zijn.

De crisis bij beide instellingen is er alleen maar door versterkt, omdat ze afhankelijk zijn geworden van de betalingen vanwege hun schuldenaren. In NGO kringen grijpt men deze crisis aan om ze radicaal in vraag te stellen.

Georges Spriet

Noten

(1) Mervyn King, Governor of the Bank of England. Speech in New Dehli, Inda, 20 Februari 2006

(2) Ngaire Woods, Center for Global Development Brief “The globalisers in search of a future”, www.cgdev.org

(3) HIPC, Highly indebted poor countries

(4) Walden Bello, Afterthougths: Critics plan offensive as IMF-World Bank crisis deepens. www.globalpolicy.org

Vrede DOOR:

Deel dit artikel