Israëlische oorlogsmisdaden mogen niet zonder gevolg blijven

Afgelopen maand publiceerde een VN-'fact finding'-commissie onder leiding van Richard Goldstone een lijvig rapport met haar bevindingen over de begane misdaden tijdens de Gaza-oorlog. Zowel Palestijnse militante groepen als het Israëlische leger worden met de vinger gewezen. Toch is het opvallend hoe hard het rapport is voor het gedrag van het Israëlische leger.

Het stelt vast dat Israëlische militairen zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen het internationaal humanitair recht. Het gaat onder meer om 'zware inbreuken' op de Vierde Conventie van Genève die de bescherming van de bugerbevolking in oorlogstijd regelt.  De Commissie Goldstone stelt dat de militaire planners een ware doctrine van disproportioneel geweld hanteerden met het oog op het beschadigen van burgerlijke infrastructuur en ook de burgerbevolking doelbewust viseerden. Goldstone suggereert tenslotte dat Israël ter verantwoording moet worden geroepen en een onafhankelijk onderzoek moet instellen op straffe van sancties. Dat betekent dat er van de kant van de 'internationale gemeenschap' verwacht wordt dat ze iets onderneemt. In de conclusies (al.1709) citeert Goldstone een opvallende passage uit een arrest van het Internationaal Hof in Den Haag (2004) over de bouw van de muur in de Palestijnse gebieden. Daarin staat dat op alle landen die partij zijn bij de Vierde Conventie van Genève (1949) de verplichting rust om te verzekeren dat Israël handelt in overeenstemming met het internationaal humanitair recht zoals in de Conventie vastgelegd.

Hoe staat het daar nu mee? Slecht, zo blijkt. Israël, dat al sinds 1967 een bezettende macht is, beschikt al jaren over een uitzonderingsstatuut als het gaat over het respecteren van de mensenrechten of meer algemeen het internationaal recht. In de Veiligheidsraad van de VN houden de VS al enkele decennia elk resolutie tegen die te zwaar op de Israëlische maag dreigt te vallen. Jaarlijks stort Washington tegen de 3 miljard dollar aan militaire steun op de rekeningen van het Israëlische ministerie van Defensie. De VS onderhouden daarnaast uitstekende militaire relaties met het land, ook onder het huidige presidentschap. Hoewel president Obama zich vastberaden lijkt te tonen in zijn verzet tegen de uitbreiding van joodse nederzettingen in de Westelijke Jordaanoever, is daar op vlak van beleidsdaden weinig van te merken. Integendeel. Volgens de Washington Times (2/10) heeft Obama tijdens het bezoek van de Israëlische premier Netanyahu aan het Witte Huis in mei van dit jaar, zijn goedkeuring uitgesproken over een al vier decennia oude geheime overeenkomst waarbij Israël zijn nucleair arsenaal mag behouden zonder dat het land de internationale inspecties moet ondergaan. Dat staat in schril contrast met de manier waarop Iran over zijn vermeend nucleair wapenprogramma wordt aangepakt en met initiatieven vanuit de Verenigde Naties om van het Midden-Oosten een kernwapenvrije zone te maken. Israël is een van de vier landen wereldwijd die geen partij is bij het Non-proliferatieverdrag. Dat heeft ook Duitsland niet gehinderd om het Israëlische nucleaire arsenaal zelfs een duw in de rug te geven. Enkele weken terug leverde Berlijn twee hypermoderne onderzeeërs van waarop nucleaire wapens kunnen worden afgevuurd. Israël bezit er inmiddels 5 exemplaren van. De jongste levering ging gepaard met een Duits subsidiebedrag van meer dan 300 miljoen Euro, goed voor eenderde van de totale kostprijs.

In plaats van sancties kan Israël zich verheugen op grote belangstelling van westerse politieke en militaire middens. Zo heeft de oorlog in Libanon (zomer 2006), noch die in Gaza (winter 2008-2009) verhinderd dat de relaties tussen de NAVO en Israël verder uitbreiding nemen. Israël kon amper drie maanden na de oorlog in Libanon als eerste land een Individueel Samenwerkingsakkoord met de NAVO in de wacht slepen. Nu is bekendgeraakt dat Israël zal deelnemen aan de NAVO-operatie 'Active Endeavour' in de Middellandse Zee in het kader van de 'mondiale strijd tegen de terreur'.

Hoewel de Europese Unie heel wat kritische standpunten heeft ontwikkeld ten aanzien van Israël, is daar in het beleid evenmin iets van te merken. De Europese beleidsmakers blijven opteren voor een 'positieve' diplomatie die gepaard gaat met een quasi normaal wapentransfertbeleid. Hoewel de Europese Unie op vlak van wapenhandel duidelijke criteria heeft bepaald – inmiddels uitgewerkt in een Gemeenschappelijke Positie - blijven heel wat lidstaten vergunningen afleveren. Frankrijk voert de lijst aan en heeft tussen 2003 en 2007 voor 446 miljoen Euro aan vergunningen verstrekt. Ook in België worden gemakkelijk vergunningen verstrekt. In 2007 waren dat er 18 voor een totale waarde van 5,4 miljoen Euro. De Europese criteria voor wapenhandel zijn nochtans vrij duidelijk. Het tweede criterium bijvoorbeeld stelt dat geen export mag plaatsvinden als de kans bestaat dat de wapens worden gebruikt bij interne repressie of voor inbreuken op het internationaal humanitair recht. We hebben in Gaza gezien hoe reëel die kans is, maar de wapenhandel floreert als nooit tevoren. Hoewel Israël een klein land is met 7 miljoen inwoners, staat  het op de zesde plaats als bestemming van conventionele wapens (2003 – 2007). Bovendien is het met een zesde plaats (2006) evenzeer een heel belangrijke exporteur op de internationale wapenmarkt. Europa is een belangrijke afzetmarkt voor Israëlische wapenbedrijven en steunt zo de Israëlische oorlogseconomie. Terwijl Israël almeer dan twee jaar een moordend embargo handhaaft tegen Gaza, houden heel wat Westerse landen een politiek aan van business as usual.

Is het niet uitermate merkwaardig en vrij uniek in de naoorlogse geschiedenis, dat een illegale atoomwapenmacht die zich in Libanon en Gaza schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden en in de Palestijnse gebieden een brutale bezettings- en annexatiepolitiek hanteert, zonder meer uitstekende militaire relaties kan onderhouden met de EU of de NAVO? Het Goldstone-rapport is een goede testcase om te zien hoe erg onze Westerse democratieën het menen met hun respect voor mensenrechten en het internationaal humanitair recht. In dat geval zouden ze hun verantwoordelijkheid nemen en bijvoorbeeld de militaire relaties met Israël opschorten. Dat zou een meer dan normale beleidsdaad zijn in het licht van de internationale verplichtingen die voortvloeien uit tal van VN-resoluties en internationale verdragen. Het is bovendien politiek meer dan aangewezen om Israël een signaal te geven dat het zo niet verder kan. Zo zou meteen een geloofwaardig beleid gevoerd worden dat het vredesproces in de regio echt ten goede komt.

Ludo De Brabander

Deel dit artikel